Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7798

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/3081
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

A, de echtgenoot van belanghebbende die het hoogste persoonlijke inkomen heeft, is voor 1/3 middellijk aandeelhouder en tevens directeur van X BV. De andere aandeelhouders zijn B en C (ieder ook voor 1/3). X BV heeft in 1990 voor ƒ 3.2 mln verhuurde onroerende zaken gekocht waarin een hotel wordt geëxploiteerd. Daarna is de huur opgezegd. Eind 1991 verhuurt X BV de onroerende zaken aan een door A en B vertegenwoordigde Hotel exploitatiemaatschappij BV i.o. In 1992 hebben A en B hun aandelen in de inmiddels opgerichte Hotel Exploitatiemaatschappij BV voor ƒ 1.1 mln aan een Arubaanse vennootschap verkocht. Diezelfde vennootschap heeft tegelijkertijd - en in samenhang met de koop van de Hotel Exploitatiemaatschappij BV - de hiervoor genoemde onroerende zaken voor ƒ 3.4 mln. van X BV gekocht.

In geschil is of de door A genoten winst uit hoofde van de verkoop van de aandelen in de Hotel Exploitatiemaatschappij BV, te weten ƒ 530.000,--, door A als inkomsten uit vermogen is genoten en derhalve bij belanghebbende moet worden belast.

Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord, door - onder meer - te overwegen dat, zo al ervan zou moeten worden uitgegaan dat in de Hotel Exploitatiemaatschappij BV i.o. rechten ter zake van de exploitatie van voornoemde onroerende zaken zijn ondergebracht, daaraan niet een meerwaarde van ƒ 1.060.000,-- viel toe te kennen. Dit bedrag heeft te gelden als onderdeel van de prijs van de gelijk-tijdig door de Arubaanse vennootschap verworven onroerende zaken. Door een deel van de prijs die voor deze onroerende zaken zou moeten zijn betaald toe te rekenen aan de aandelen in de Hotel Ex-ploitatiemaatschappij BV, heeft A zich een gedeelte van de stille reserves van X BV (groot ƒ 530.000) doen toekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/3081

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 7 juli 1998, ingediend door A (B B.V.) te Q en aangevuld bij brief van 7 oktober 1998 van C (D Advocaten Belastingadviseurs Notarissen) te Q als gemachtigde.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 2 juli 1998, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1992.

Aan belanghebbende is een ambtshalve aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.000,--.

De navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 555.652,--.

Na bezwaar tegen de navorderingsaanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Met toestemming van de voorzitter van de belastingkamer heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

Ter zitting van 29 juni 1999 zijn verschenen voornoemde gemachtigde vergezeld van mr. drs. E, alsmede de inspecteur. De gemachtigde en de inspecteur hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De inhoud daarvan geldt als opgenomen in deze uitspraak. Van de bij de pleitnota van de inspecteur gevoegde bijlagen heeft belanghebbende kunnen kennisnemen en zich daarover kunnen uitlaten.

Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren 7 oktober 1960, is gehuwd met F en heeft van hen beide in 1992 het hoogste persoonlijke inkomen in de zin van artikel 5 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 genoten.

2.2. F is directeur en enig aandeelhouder van F B.V. Deze vennootschap is voor 1/3 aandeelhouder van G B.V. Voorts zijn de aandelen van G B.V. voor 1/3 in bezit van H B.V. en tot 26 februari 1992 voor 1/3 van J N.V. Laatstgenoemde vennootschap heeft haar belang in G B.V. op 26 februari 1992 overgedragen aan I B.V. De enig aandeelhouder van H B.V. is H en de enig aandeelhouder van I B.V. is K.

2.3. Op 20 december 1990 heeft G B.V. voor een koopprijs van ƒ 3.200.000,--. de volgende onroerende zaken van L B.V. gekocht:

- een pand aan de a-straat te Q, kadastraal bekend gemeente Q, sectie , nummer , groot are;

- het winkelhuis met bovenwoningen, ondergrond en erf, staande en gelegen te Q aan de a-straat , kadastraal bekend gemeente Q, sectie , nummer , groot are;

- de vier huizen met ondergrond en erven, staande en gelegen te Q aan de b-straat, kadastraal bekend gemeente Q, sectie , nummers , tezamen groot are; (hierna: de onroerende zaken)

2.4. In het koopcontract is onder meer vermeld dat het verkochte perceel geheel is verhuurd voor

ƒ 240.000,-- per jaar. Huurder van de onroerende zaken die onder de naam 'Hotel M' als hotel werden gebruikt, was een zekere heer N. Deze N verhuurde de onroerende zaken op basis van een jaarlijks opzegbaar huurcontract onder aan de reisorganisatie O Ltd, een Engelse organisatie gespecialiseerd in 'low-budget'-reizen voor jongeren. G B.V. en N kwamen overeen de overeenkomst tot huur van Hotel M te ontbinden. Als gevolg hiervan werd ook de overeenkomst tussen N en O Ltd. ontbonden. O Ltd. diende de onroerende zaken uiterlijk 1 januari 1993 te verlaten.

2.5. In april 1991 heeft het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (hierna: IMK) aan G BV een rapport uitgebracht over de exploitatie- en financieringsmogelijheden van een jeugdhotel in de onroerende zaken. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:

"Essentieel is dat de koopovereenkomst is gesloten mede op grond van de ontbindende voorwaarde dat uiterlijk op 1 april j.l. een toezegging zou dienen te zijn verkregen met betrekking tot een passende financiering van het bedrijf (...). Teneinde op korte termijn een kredietaanvrage met kans op succes aan de kredietbeoordelende instanties te kunnen voorleggen is ons Instituut verzocht een kredietonderzoek in te stellen (...).

HUISVESTING

Het hotel telt 60 kamers (...).

De koopsom (...) bedraagt f 3.2 miljoen.k.k (...).

De koopsom kan als relatief laag worden gekenschetst, in het licht van het vooruitzicht van de eigen exploitatiemogelijkheid. Een hotel van de onderhavige orde van grootte en categorie, in eigen beheer en een goede bezetting, kan gezien de goede locatie in Q indicatief een marktwaarde worden toegekend van f 4.5 à f 5 miljoen. In de transactie schuilt dan ook een reële mogelijkheid van een aanzienlijke vermogenstoename op korte termijn."

2.6. Op 5 november 1991 heeft G B.V. met M B.V. i.o., welke vennootschap in oprichting werd vertegenwoordigd door F en K, een overeenkomst getekend tot verhuur van de onroerende zaken. Deze huurovereenkomst luidt onder meer als volgt:

"ONDERGETEKENDEN:

(...)

VERKLAREN te hebben verhuurd, respectievelijk in huur te hebben aangenomen:

HUUROBJECT

(...)

zulks onder de ontbindende voorwaarde dat niet uiterlijk op 1 februari 1992 voormelde onroerende zaken vrij van hypotheken en beslagen in eigendom zijn overgedragen aan voornoemde G (...) B.V.;

(...)

artikel 1

HUURTIJD Deze overeenkomst is aangegaan voor de tijd van tien (10) jaar, ingaande op 1 januari 1993 of zoveel eerder als de voormelde percelen leeg worden opgeleverd (...).

artikel 2

HUURPRIJS De aanvangshuurprijs bedraagt vierhonderd vijftigduizend gulden (ƒ 450.000,--) exclusief BTW per jaar, bij vooruitbetaling te voldoen in maandelijkse termijnen, elk groot zevenendertigduizend vijfhonderd gulden (ƒ 37.500,--) (...).

artikel 4

HUURAANPASSING De geldende huurprijs zal telkens na afloop van een jaar, te rekenen vanaf de ingangsdatum worden herzien conform het verloop van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie (...).

artikel 5

BESTEMMING 1. Het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als hotel (...).

artikel 6

BEDRIJFSUITOEFENING 1. Huurder zal zelf zorgdragen voor de voor de uitoefening van zijn bedrijf eventueel vereiste vergunningen en/of ontheffingen. Weigering of intrekking daarvan zal hem nimmer recht geven tot ontbinding of nietigverklaring van deze overeenkomst, noch tot enige andere actie jegens verhuurder (...).

artikel 10

ONDERHOUD 1. (...) Huurder is gehouden het gehuurde bij voortduring in goede staat van onderhoud te houden en daaraan de nodige reparaties te verrichten. Huurder dient onder andere voor eigen rekening te verzorgen: al het dagelijkse onderhoud en reparaties binnen het gehuurde, met inbegrip van installaties, rioleringen, afvoerstellen, leidingen, hang- en sluitwerk en de daarbij behorende onderdelen: verf-, glas-, saus-, en stukadoorswerk-zaamheden alsmede het vervangen van lampen e.d.."

2.7. Omstreeks half september zijn G B.V. (verhuurder) en M B.V. i.o. (huurder), zoals blijkt uit een op 5 november 1991 ondertekend geschrift, overeengekomen dat aan M B.V. i.o een optie wordt verleend om de onroerende zaken op of vóór 31 december 1997 in eigendom te verwerven. Als uitoefenprijs is een bedrag ter grootte van 10 maal de op het moment van uitoefenen van de optie geldende huurprijs overeengekomen.

2.8. In een taxatierapport van makelaarsgroep T van 23 maart 1992 heeft tt, makelaar o.g., onder meer het volgende verklaard:

"Ten verzoeke van (...) mr. V heeft ondergetekende (...) opgenomen en bestudeerd (...) hotel "M". Uitgegaan is van de verstrekte gegevens, zijnde een jaarlijkse huuropbrengst van f 250.000,- en een verkoopsom van f 3.140.000,- k.k. (...).

Naar onze mening is bovengenoemde verkoopsom (...) uitermate reëel, misschien zelfs nog iets aan de hoge kant."

2.9. In een brief van 11 mei 1992 schrijft G B.V. onder meer het volgende aan W:

"Betreft: verkoop Hotel M/a-straat/Q

(...)

Wij zijn overeengekomen U een optie te verlenen tot 25 mei 1992 m.b.t. (...) Hotel M, alsmede de verkoop van de aandelen van M b.v, onder de navolgende voorwaarden:

1. Koopprijs onroerend goed (...) voor Fl. 3.800.000,==k.k.

(...)

3. Koopprijs 40 aandelen M b.v., U bekend, voor Fl. 2.000.000,==.

(...)

Wij verzoeken U (...) deze optieverklaring voor accoord te ondertekenen (...)."

Deze brief is door W voor akkoord ondertekend.

2.10. Nadat L B.V. in eerste instantie in gebreke bleef Hotel M aan G B.V. te leveren, heeft de levering uiteindelijk op 14 mei 1992 plaatsgevonden.

2.11. Op 9 juni 1992 hebben F en K de besloten vennootschap M B.V. opgericht. In de akte van oprichting is onder meer bepaald dat het geplaatste kapitaal van de vennootschap ƒ 40.000,-- bedraagt, dat de oprichters daarin ieder voor de helft, te weten voor ieder 20 aandelen, deelnemen en dat de oprichters deze aandelen in geld zullen volstorten.

2.12. Op 10 juli 1992 zijn G B.V. en W, handelend voor zichzelf dan wel nader te noemen meester, onder meer het volgende overeengekomen:

"INTENTIEVERKLARING

Ondergetekenden: A. G b.v. (...)

B. De heer W en/of nader te noemen meester, (...)

komen het volgende overeen:

1. Partij A. verkoopt aan partij B. die van Partij A. koopt een hotel gelegen te Q, bekend onder de naam Hotel M (...).

2. De koopprijs bedraagt Fl. 3.400.000= k.k. (...)

7. Partijen A. en B. verklaren bij deze mede dat de overeenkomst met betrekking tot de overname van de aandelen van M b.v., partijen bekend, onlosmakelijk verbonden is aan de onderhavige overeenkomst."

2.13. Op 10 juli 1992 zijn F en K met W tevens het volgende overeengekomen:

"INTENTIEVERKLARING

Ondergetekenden: A. (...) F (...) tevens optredend voor (...) K (...), en

B. (...) W

komen het volgende overeen:

1. Partij A. verkoopt aan partij B. alle aandelen van M b.v. (...)

2. De koopprijs bedraagt Fl. 1.100.000,= (...)

6. Partijen A. en B. verklaren bij deze dat de overeenkomst met betrekking tot de overname van het onroerend goed van Hotel M (...) onlosmakelijk verbonden is aan de onderhavige overeenkomst."

2.14. Op 7 augustus 1992 hebben F en K hun aandelen in M B.V. voor

ƒ 1.100.000,-- verkocht aan Y, een Arubaanse vennootschap, vertegenwoordigd door mevrouw cc, wonende te Costa Rica. In de 'openingsbalans' behorende bij het op de verkoop van aandelen betrekking hebbende contract is als enig activum van genoemde B.V. een vordering in rekening courant vermeld ten bedrage van ƒ 40.000,--.

2.15. Blijkens een akte van levering van 12 augustus 1992 heeft G B.V. de onroerende zaken voor

ƒ 3.400.000,-- verkocht aan Y. In deze akte is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 3, leveringsverplichting, juridische en feitelijke staat:

1. Verkoper is verplicht aan koper een eigendom te leveren die bij het passeren van de akte van kwijting: onvoorwaardelijk is, niet bezwaard is met beslagen en/of hypotheken of met inschrijvingen daarvan, niet bezwaard is met kwalitatieve verplichtingen, niet bezwaard is met beperkte rechten en niet is belast met andere lasten en beperkingen uit overeenkomst."

2.16. Ten behoeve van cc en in opdracht van de VSB Bank N.V. heeft aa van bb Makelaardij o.g. de onroerende zaken op 18 november 1998 getaxeerd. In het taxatierapport van 24 november 1998 is de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat van de onroerende zaken gewaardeerd op

ƒ 4.000.000,--, de executiewaarde in verhuurde staat op ƒ 3.520.000,-- en de huurwaarde, exclusief inventaris, B.T.W. en bijkomende kosten, op ƒ 345.000,-- per jaar.

2.17. In een brief van 12 mei 1999 aan voornoemde gemachtigde verklaart H onder meer het volgende:

"Mijn rol binnen G b.v. bestond uit het verzorgen van de administratie en alle overige kantooraangelegenheden (...).

In 1991 ontstond het plan om hotel M over te nemen met als doel een hotelverblijf te exploiteren. Aangezien ik in het verleden een slechte ervaring heb opgedaan met het exploiteren van een hotel, toonde ik in eerste instantie weinig interesse in dit plan. Wel had ik belangstelling voor het onroerend goed. Zodoende is de exploitatie en de aanschaf van hotel M gesplitst. Middels G B.V. zou ik alleen participeren in de aanschaf van het onroerend goed (...). Na een meningsverschil met de heren F en K ben ik in juni 1995 uit G B.V. (...) gestapt."

2.18. In een aangifte vennootschapsbelasting ten name van Y zijn de aandelen in M BV gewaardeerd op ƒ 40.000,--. Daarnaast vermeldt deze aangifte onder de rubriek immateriële activa een bedrag van ƒ 1.060.000,-- als kosten van aanschaffing van goodwill.

2.19. Ten name van belanghebbende is voor het jaar 1992 en met als dagtekening 31 december 1994 een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.000,--. Tegen deze aanslag is belanghebbende in bezwaar gekomen door middel van een alsnog ingediende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1992. In deze aangifte is als persoonlijk inkomen van belanghebbende een bedrag groot ƒ 22.292,-- vermeld en als persoonlijk inkomen van F, haar echtgenoot, een bedrag groot ƒ 22.040,--. Een inkomensbestanddeel groot ƒ 530.000,-- dat betrekking heeft op de verkoop van de aandelen in M B.V., te weten de helft van de verkoopprijs van de aandelen in M B.V. ad. ƒ 1.100.000,-- verminderd met het op die aandelen gestorte bedrag ad. ƒ 40.000,--, is in de bezwaarfase aan F toegerekend. De inspecteur heeft met dagtekening 8 december 1995 ten name van belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd naar een vastgesteld belastbaar inkomen van ƒ 555.652,--. In dit bedrag is de netto-opbrengst ad. ƒ 530.000,-- uit hoofde van de vervreemding van de aandelen M BV als inkomsten uit vermogen begrepen en belast tegen het progressieve tarief.

Geschil

In geschil is de vraag of het onder 2.20 genoemde bedrag groot ƒ 530.000,-- moet worden aange-merkt als inkomsten uit vermogen die onderworpen zijn aan het progressieve tarief dan wel als winst uit aanmerkelijk belang die onderworpen is aan het bijzonder tarief van 20%.

Standpunten van partijen

4.1. Namens belanghebbende zijn - kort samengevat - de volgende standpunten ingenomen.

F en K zijn van plan geweest om zelf de exploitatie van hotel M ter hand te nemen. Uit de rapporten van T en van het IMK volgt dat de onroerende zaken een waarde hadden van ongeveer ƒ 3.200.000,-- en dat de tot het vermogen van M B.V. behorende exploitatierechten een waarde hadden van ongeveer ƒ 1.500.000,--. Met deze zakelijke waarden stemt de toerekening overeen van het bedrag van in totaal ƒ 4.500.000,-- dat O Ltd. Middels Y voor zowel de onroerende zaken als de aandelen in M B.V. wenste te betalen.

4.2. Ter zitting heeft gemachtigde nog het volgende toegevoegd.

De taxatie van T is uitgebracht in verband met procedures betreffende de levering van hotel M door L B.V. Mij is niet bekend hoe de tussen G B.V. en M B.V. i.o. overeengekomen huur is bepaald. Of O Ltd. de uiteindelijk belanghebbende is bij Y is mij niet bekend. Ik vermoed dat cc belanghebbende is in die vennootschap. H heeft zijn aandelen in G B.V. in 1985 aan F en K overgedragen. Met betrek-king tot de in de huurovereenkomst tussen G B.V. en M B.V. i.o. opgenomen ontbindende voorwaarde meen ik dat partijen niet de intentie hadden om die overeenkomst te laten vervallen. Deze huurovereenkomst is gecontinueerd. De huurovereenkomst met N is in het voorjaar van 1992 opgezegd. Mijn cliënt beschikt niet over correspondentie met N. Op de vraag waaruit is af te leiden dat M B.V. de huurovereenkomst met M B.V. i.o. heeft bekrachtigd blijf ik het antwoord schuldig. Wellicht zou in de akte betreffende de levering van hotel M aan Y de verhuur van dat pand moeten zijn vermeld. Voor het begrip van de overeenkomsten met Y is de positie van H belangrijk. H zou als mede-aandeelhouder van G BV hebben geprotesteerd als ƒ 1,1 miljoen uit die vennootschap uitsluitend naar F en K zou zijn gegaan. Y had er geen belang bij om teveel van de in totaal voor het pand en de aandelen betaalde prijs aan de aandelen toe te rekenen, omdat zij daardoor afschrijvingspotentieel zou prijsgeven. Op dit moment is O Ltd. nog steeds de huurder van Hotel M.

4.3. De inspecteur heeft - kort samengevat - het volgende standpunt ingenomen.

De aan de aandelen M B.V. toegerekende prijs is niet reëel. Het door Y voor de verwerving van de aandelen M B.V. en Hotel M betaalde bedrag van ƒ 4.500.000,-- dient volledig aan Hotel M te worden toegerekend. Dat M B.V. het voornemen had om Hotel M te gaan exploiteren wordt door mij betwist. Uit de openingsbalans van M B.V. blijkt daarvan ook niets. Het is ook niet M B.V. i.o. geweest die een studie-opdracht heeft verstrekt aan het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf, maar G B.V.

4.4. Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende toegevoegd.

Als mogelijke aandeelhouders van Y komt cc in beeld, maar ook W of wellicht F. Nergens blijkt uit dat H bij de verkoop van hotel M betrokken is geweest. Uit de omstandigheid dat Y de aandelen M B.V. voor ƒ 40.000,-- heeft gewaardeerd leid ik af dat zij niet van plan is geweest aan die aandelen een waarde van ƒ 1.100.000,-- toe te kennen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Volgens belanghebbende is, nu uit het rapport van het IMK van 1 april 1991 blijkt dat aan hotel M bij eigen exploitatie en een goede bezetting indicatief een marktwaarde van ƒ 4,5 à ƒ 5 miljoen valt toe te rekenen, terwijl de door G B.V. betaalde - in bedoeld rapport als relatief laag aangemerkte - koopsom ƒ 3,2 miljoen bedroeg, sprake van een vermogenstoename - door belanghebbende gesteld op ongeveer ƒ 1,5 miljoen - welke hoofdzakelijk kan worden toegerekend aan hetgeen belanghebbende verder als 'de exploitatierechten' heeft aangeduid. Belanghebbende verbindt hieraan de conclusie dat een splitsing in een waarde voor de onroerende zaken en een waarde voor de exploitatierechten zakelijk is. Een onzakelijke verdeling zou volgens haar ook daarom ondenkbaar zijn omdat sprake was van verschillende aandeelhoudersbelangen in G B.V. en M B.V. Nu F en K de exploitatierechten hebben ondergebracht bij M B.V. is, zo begrijpt het Hof belanghebbende, de door Y voor de aandelen M B.V. betaalde prijs van ƒ 1.100.000,--, welke volgens belanghebbende aansluit bij de gegevens van onafhankelijk deskundigen over de marktwaarde van de betrokken bestanddelen, dan ook als zakelijke prijs voor die aandelen aan te merken, en zulks temeer omdat een andere toerekening vanwege het afschrijvingspotentieel gunstiger zou zijn geweest voor Y. Het Hof overweegt omtrent deze stellingen het volgende.

5.2. In het rapport van het IMK valt niet te lezen op welke wijze de in het rapport vermelde indicatieve marktwaarde van ƒ 4,5 à ƒ 5 miljoen bij een splitsing van de exploitatie over onroerende zaken en hotelbedrijf dient te worden toegerekend. Met name geeft het rapport niet aan wat bij een dergelijke splitsing als zakelijke vergoeding voor het gebruik van de onroerende zaken zou dienen te gelden. Weliswaar bedroeg de huurprijs ten tijde van de aankoop van de onroerende zaken door G B.V. blijkens de aankoopakte van 20 december 1990 ƒ 240.000,--, maar als gevolg van de beëindiging van de huurovereenkomst met de toenmalige huurder, de heer N per, naar het Hof aanneemt, 1 januari 1993, was G B.V. in de gelegenheid om per die datum met een nieuwe gebruiker een andere gebruiksvergoeding overeen te komen. G B.V. heeft die gelegenheid ook aangegrepen door het sluiten van een per 1 januari 1993 ingaande, op 5 november 1991 getekende huurovereenkomst met M B.V. i.o. tegen een aanvangshuur van ƒ 4.500.000,--. Dat ook bij een dergelijke huurprijs, die bovendien onderworpen was aan jaarlijkse indexatie, terwijl een belangrijk deel van de onderhoudslasten ten laste van de huurder kwam, sprake zou zijn van een los van de waarde van de onroerende zaken staande meerwaarde, welke zou kunnen worden toegerekend aan de door belanghebbende bedoelde exploitatierechten, is door belanghebbende naar 's Hofs oordeel niet aannemelijk gemaakt. Uit het door belanghebbende ter ondersteuning van zijn stellingen aangehaalde rapport van T van 23 maart 1992 blijkt niet meer dan dat een prijs van ƒ 3.140.000,-- zijnde de definitieve door G B.V. betaalde aankoopprijs - volgens de taxateur bij een huur van

ƒ 250.000,-- uitermate reëel was, misschien zelfs nog iets aan de hoge kant. Dat deze prijs ook reëel zou zijn bij een aanvangshuur van ƒ 450.000,--, kan uit het rapport echter op geen enkele wijze worden afgeleid. Het rapport van bb van 24 november 1998 acht het Hof evenmin redengevend, nu dit rapport is opgemaakt naar de toestand op 18 november 1998. Uit het feit dat aan M B.V. i.o. een koopoptie is verleend voor een koopprijs van tien maal de jaarhuur, leidt het Hof veeleer af dat de partijen bij de overeenkomst een waarde van de onroerende zaken van tenminste ƒ 4,5 miljoen destijds reëel achtten. Gelet op de door het IMK benaderde en kennelijk ook door G B.V. als uitgangspunt genomen marktwaarde van ƒ 4,5 à ƒ 5 miljoen, is alsdan niet aannemelijk dat partijen ter zake van het gebruik van de onroerende zaken, aangenomen dat dit gebruik valt onder het begrip exploitatierechten als door belanghebbende bedoeld, zijn uitgegaan van het bestaan van enige aan de huurder toekomende meerwaarde. Voor zover belanghebbende nog mocht hebben bedoeld dat onder exploitatierechten behalve de rechten met betrekking tot het gebruik van de onroerende zaken ook nog vergunningen en dergelijke zijn begrepen overweegt het Hof dat van het bestaan van die vergunningen niet is gebleken, laat staan van enige daaraan toe te kennen waarde. De met M B.V. i.o. gesloten huurovereenkomst vermeldt in artikel 5 slechts dat de huurder zelf zal zorgdragen voor de voor de uitoefening van zijn bedrijf eventueel vereiste vergunningen en/of ontheffingen.

Het vorenstaande brengt mee dat ook als er met belanghebbende van wordt uitgegaan dat de exploitatierechten zijn "ondergebracht" bij M B.V. i.o., aan die rechten in verband met de wijze waarop zij zijn of zouden worden verleend, naar 's Hofs oordeel geen meerwaarde als door belanghebbende bedoeld viel toe te kennen.

5.3. De inspecteur heeft nog opgemerkt dat de huurprijs van ƒ 450.000,--, in aanmerking genomen dat de huur in 1998 blijkens het taxatierapport van bb ƒ 345.000,-- bedraagt, veel te hoog is. Daargelaten welke betekenis aan deze opmerking dient te worden toegekend, is het Hof van oordeel dat, mede omdat niet is gebleken welke omstandigheden tot een huur van ƒ 345.000,-- hebben geleid, de situatie in 1998 op zich geen reden is om niet uit te gaan van het zakelijk karakter van de in 1992 met M B.V. i.o. overeengekomen huur. Daarbij overweegt het Hof nog dat het perspectief van een gunstige exploitatie van het hotelbedrijf zeer wel haar weerspiegeling kon vinden in de vast te stellen huur.

5.4. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat de op 5 november 1991 getekende huurovereenkomst met M B.V. i.o. na 1 februari 1992, de datum waarop volgens die overeenkomst bij gebreke van de overdracht van de onroerende zaken vrij van hypotheken en beslagen aan G B.V. die overeenkomst zou worden ontbonden, is gecontinueerd, maar dat hij niet kan aangeven of dit ook het geval is geweest bij de oprichting van M B.V. In de akte van levering van 12 augustus 1992 waarbij G B.V. zich verplicht de onroerende zaken te leveren aan Y, is in artikel 3, eerste lid, voorzover te dezen van belang, bepaald dat de verkoper verplicht is een eigendom te leveren "die (...) niet is belast met andere lasten en beperkingen uit overeenkomst".

Deze passage geeft aanleiding tot de veronderstelling dat bedoelde huurovereenkomst in elk geval ten tijde van de levering van de onroerende zaken niet meer van kracht was. Omtrent het antwoord op de vraag krachtens welke (andere) rechtsverhouding M B.V. alsdan enig recht op het gebruik van de onroerende zaken zou hebben, is niets komen vast te staan, zodat het er naar 's Hofs oordeel voor gehouden dient te worden dat voor dat geval van een recht tot gebruik van de onroerende zaken in augustus 1992 geen sprake meer was. Niet aannemelijk is dan dat de aandelen M B.V. een prijs rechtvaardigden van meer dan de waarde zoals die blijkt uit de bij de koopovereenkomst van 7 augustus 1992 gevoegde balans, zijnde de nominale waarde.

Indien evenbedoelde veronderstelling echter onjuist mocht zijn, en het er mitsdien voor gehouden moet worden dat M B.V. nog steeds gebonden was aan de met G B.V. gesloten huurovereenkomst, dan acht het Hof onvoldoende aangetoond dat hetgeen hij met betrekking tot de waarde van de exloitatierechten van M onder 5.1 in verband met de waarde van de onroerende

zaken heeft overwogen ten tijde van de verkoop en levering van de aandelen aan Y mede in het licht van het in totaal door Y betaalde bedrag van ƒ 4.500.000,-- niet meer onverkort van kracht zou zijn.

5.5. De omstandigheid dat Y bereid was voor de aandelen M B.V. een koopsom te betalen van

ƒ 1.100.000,--, terwijl bij toerekening van dit bedrag aan de door haar betaalde koopprijs voor de onroerende zaken van ƒ 3.400.000,-- een hoger afschrijvingspotentieel zou zijn verkregen, leidt het Hof niet tot een ander oordeel. Omtrent de motieven van Y is niets naders gebleken, nog daargelaten in hoeverre daadwerkelijk van een gemis aan afschrijvingspotentieel sprake is. In dit verband acht het Hof ook van belang dat uit een door de inspecteur overgelegde kopie van een gedeelte van een aangifte vennootschapsbelasting van Y is af te leiden dat Y slechts een bedrag van ƒ 40.000,-- als verkrijgingsprijs van de aandelen in M B.V. heeft aangemerkt.

5.6. Het verweer van belanghebbende dat H niet akkoord zou zijn gegaan met de door de inspecteur gestelde onttrekking van de meerwaarde van de onroerende zaken aan het vermogen van G B.V. en dat de aan de onroerende zaken respectievelijk M B.V. toegerekende prijzen om die reden als reëel moeten worden beschouwd, overtuigt het Hof niet, omdat het, gelet ook op de hoofdzakelijk administratieve functie die H ten behoeve van G B.V. uitoefende, geenszins is uit te sluiten dat H eerst achteraf van de transacties tussen G B.V., F, K en Y op de hoogte is geraakt. Uit de brief van H, volgens welke hij geen interesse had in de exploitatie van het hotelbedrijf, blijkt niet dat hij op de hoogte was van de gang van zaken rond M B.V. De omstandigheid dat H geen vergelijkbaar voordeel heeft genoten, acht het Hof onvoldoende om anders te oordelen, omdat een onttrekking als waarvan in deze zaak sprake is, niet alle aandeelhouders ten goede behoeft te komen.

5.7. Nu blijkens het vorenoverwogene niet aannemelijk is geworden dat M B.V. ten tijde van de verkoop en levering van de onroerende zaken aan Y enig recht op gebruik van de onroerende zaken had, althans een zodanig recht waaraan op zich de waarde viel toe te kennen, dient het er naar 's Hofs oordeel voor te worden gehouden dat de prijs die Y voor de aandelen M B.V. heeft betaald, te weten ƒ 1.100.000,--, in feite, op een bedrag van ƒ 40.000,-- na, heeft te gelden als onderdeel van de prijs voor de gelijktijdig door haar verkregen onroerende zaken. Het Hof neemt hierbij mede in aanmerking dat in de overeenkomst van verkoop van de aandelen M B.V. van 10 juli 1992 uitdrukkelijk is bepaald dat deze onlosmakelijk is verbonden aan de overeenkomst met betrekking tot de overname van de onroerende zaken. Het bedrag van ƒ 1.100.000,-- is echter niet ten goede gekomen aan G B.V., maar aan F en K in privé. Van enig zakelijk belang dat G B.V. had om terzake van de onderhavige transacties enig voordeel aan hen in privé te doen toekomen is niet gebleken. Voor wat betreft F is niet gebleken dat hij anders dan als directeur van G B.V. in het kader van de onderhavige transacties arbeid heeft verricht, of dat G B.V. terzake van die transacties aan F enige additionele beloning heeft willen toekennen. Het Hof is dan ook van oordeel dat F het met de verkoop van de aandelen M B.V. behaalde voordeel, zijnde naar niet in geschil is ƒ 530.000,--, heeft verkregen in zijn hoedanigheid van middellijk aandeelhouder van G B.V. en dat G B.V., F B.V. en F zich, gelet ook op de rol die F en K bij de onderhavige transacties hebben gespeeld, en voor zover van belang, daarvan bewust zijn geweest. Het voordeel is mitsdien terecht door de inspecteur aangemerkt als inkomsten uit vermogen, te belasten naar het progressieve tarief. Het gelijk is mitsdien aan de inspecteur.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

De uitspraak is vastgesteld op 21 september 1999 door mrs. Van Ballegooijen, voorzitter, Van der Ouderaa en Rijkels, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van der Voort Maarschalk - Vencken als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

De voorzitter van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.