Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA3997

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/03882
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2000/52
V-N 2000/4.3 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

UITSPRAAK VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHTSHOF ALS BEDOELD IN

ARTIKEL 8:84 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

inzake: X wonende te Y, verzoeker

tegen: de inspecteur van de Belastingdienst, landelijk punt

uitvoering heffing Ziekenfondswet voor zelfstandigen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 9 november 1999.

2. Onstaan en loop van het geding

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verklaard dat uit gegevens per 1 oktober 1999 gebleken is dat verzoeker als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfonds-verzekering in 2000.

Tegen dit besluit heeft mr A namens verzoeker op 8 december 1999 een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 9 december 1999 heeft mr A voornoemd zich namens verzoeker tot de President van het Gerechtshof gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is aangevuld bij faxbericht van 16 december 1999.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend alsmede enige op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden welke nog zijn aangevuld bij faxbericht van 15 december 1999.

Het verzoek is op 17 december 1999 ter zitting behandeld. Namens verzoeker is mr A verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr B van de Belastingdienst.

3. Karakter voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

4. Feiten en omstandigheden

4.1. In het Staatsblad 1999, 461 is gepubliceerd de Wet van 28 oktober 1999, houdende uitbreiding van de kring van verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet met zelfstandigen. In artikel I van voormelde wet is onder meer bepaald dat na artikel 3c van de Ziekenfondswet een artikel 3d wordt ingevoegd. In het Staatsblad 1999, 462 is gepubliceerd het Besluit van 1 november 1999 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 28 oktober 1999 voornoemd. In het enig artikel is onder meer bepaald dat artikel I van laatstgenoemde wet in werking treedt met ingang van 1 januari 2000.

4.2. Artikel 3d voornoemd luidt als volgt:

1. Verzekerd gedurende een kalenderjaar is de zelfstandige, die verzekerd is ingevolge

artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering

zelfstandigen en wiens inkomen niet meer bedraagt dan f 41 200,-

2. De inspecteur van de rijksbelastingdienst verstrekt bij voor bezwaar vastbare beschikking

aan de persoon, bedoeld in of krachtens het eerste lid, een verklaring waaruit blijkt dat

hij voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden.

3. Voor de toepassing van het eerste lid blijven buiten beschouwing wijzigingen in het inkomen

die door de inspecteur van de rijksbelastingdienst na 1 oktober worden vastgesteld.

4. Voor de toepassing van het eerste en derde lid wordt onder inkomen verstaan voor binnenlands

belastingplichtigen, het inkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting

1964 en voor buitenlands belastingplichtigen het binnenlandse inkomen bedoeld in artikel 48, eerste lid,

van die wet met dien verstande dat indien de berekening van het inkomen tot een negatief bedrag leidt,

dat inkomen op nul wordt gesteld. Bij ministeriële regeling wordt bepaald over welk tijdvak het

inkomen in aanmerking wordt genomen en kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van

het eerste, tweede en derde lid.

5. Artikel 3a is van overeenkomstige toepassing op het bedrag, genoemd in het eerste lid.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan uitbreiding of beperking worden gegeven aan

de in het eerste lid bedoelde verzekering.

4.3. Belanghebbende is zelfstandig beroepsbeoefenaar. Zijn belastbare inkomen als bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Wet op de inkkomstenbelasting 1964 over de jaren 1995 tot en met 1997 is als volgt vastgesteld:

1995 f.47.525

1996 f.32.147

1997 f.28.879

4.4. Belanghebbende is in het jaar 2000 als zelfstandig ondernemer verzekerd voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

4.5. Verweerder heeft met inachtneming van het vorenstaande het bestreden besluit genomen en daarbij bepaald dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in 2000. Dit betekent, ook volgens procespartijen, dat verzoeker met ingang van 1 januari 2000 verplicht verzekerd is zodat verzoeker per die datum zijn particuliere verzekering dient te beëindigen en zich moet aanmelden bij het ziekenfonds.

5. Standpunten van partijen

Verzoeker kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft, samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit niet op een wettelijke grondslag berust en voorts dat het besluit is genomen in strijd met verschillende beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker stelt tevens dat hij een spoedeisend belang heeft bij schorsing van de beschikking.

Verweerder stelt zich, samengevat op het standpunt dat de wet van 28 oktober 1999 algemeen geldend en verbindend is voor de toekomst vanaf 1 januari 2000 en dat gebruik is gemaakt van een toetsingsmoment voorafgaande aan de invoering van de Wet. Bovendien bestrijdt verweerder dat de zaak spoedeisend is.

Voor de standpunten van partijen verwijst de President overigens naar de ingediende stukken.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. De bestreden beschikking is, naar verweerder heeft gesteld, genomen op de voet van artikel 3d, lid 2, van de Ziekenfondswet. De President begrijpt dat het verzoek tot schorsing van de beschikking is gedaan op grond van artikel 76 van die Wet waarbij de regels voor bezwaar en beroep bij fiscale procedures van toepassing worden verklaard. Beide bepalingen zijn ingevoegd bij artikel I van de Wet van 28 oktober 1999, Staatsblad 1999, 461. Ingevolge het bepaalde in artikel IV van deze wet treden de artikelen in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden vastgesteld.

Ingevolge het enig artikel, lid 2, van het Besluit van 1 november 1999, Staatsblad 1999, 462, treedt artikel I van de Wet van 28 oktober 1999 in werking met ingang van 1 januari 2000.

Uit een en ander volgt dat enerzijds de bestreden beschikking van 9 november 1999 is genomen krachtens een nog niet in werking getreden wettelijke bepaling en derhalve onbevoegd is gegeven en anderzijds dat de belastingrechter thans in beginsel nog niet tot oordelen bevoegd is. Nu vast staat dat de bodemprocedure pas in het jaar 2000 zal worden gevoerd moet echter worden aangenomen dat het Gerechtshof in deze zaak bevoegd "zal worden" in de zin van artikel 8:81, lid 1, Awb. Daar moet worden aangenomen dat de verplichting tot betaling van premie mede op basis van de bestreden beschikking ontstaat, is het ook uit een oogpunt van behoorlijke rechtsbescherming gewenst dat de President zich bevoegd verklaart.

Naar het voorlopig oordeel van de President mist de beschikking, als onbevoegd genomen, rechtskracht.

6.2. Bovendien is de beschikking gebaseerd op genoemd artikel 3d, lid 2, lid 3 en lid 4. In laatstgenoemd artikellid is bepaald dat bij ministeriële regeling wordt bepaald over welk tijdvak het inkomen in aanmerking wordt genomen en dat nadere regels kunnen worden gesteld ter uitvoering van het eerste, tweede en derde lid.

Vast staat dat de bedoelde ministeriële regeling tot op de dag van de zitting nog niet is gepubliceerd.

De beslissing van verweerder is kennelijk gebaseerd op een concept-tekst van deze regeling waarvan de inhoud, naar de President begrijpt, bekend is, althans in zoverre dat volgens deze tekst beslissend is het gemiddelde van de belastbare inkomens over de jaren 1995, 1996 en 1997. Uit de geschiedenis van totstandkoming van de Wet van 28 oktober 1999 blijkt dat tijdens de parlementaire behandeling een vergelijkbare concept-tekst aan de orde is geweest.

6.3. Naar het voorlopig oordeel van de President kan de beschikking niet worden genomen op grond van het concept van een ministeriële regeling, ook niet indien deze tijdens de parlementaire behandeling van de Wet waarop de regeling is gebaseerd, aan de orde is geweest. Ook om deze reden mist de beschikking rechtskracht.

6.4. Buiten beschouwing blijft hier de vraag of de periode waarover het belastbaar inkomen in aanmerking wordt genomen zodanig essentieel is, dat deze bij formele wet behoort te worden geregeld.

6.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient onder de gegeven omstandigheden het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij onverkorte uitvoering van het besluit.

6.6. Het verzoek komt daarom voor toewijzing in aanmerking.

7. Proceskosten

Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker op de voet van artikel 8:75 Awb. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten vastgesteld op f. 1.420, te weten f.710 vermenigvuldigd met 2 punten voor proceshandelingen (verzoekschrift en verschijnen zitting) en met 1 punt voor het gewicht van de zaak (gemiddeld).

Beslist wordt als volgt.

8. Beslissing

De President

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat de werking van de bestreden beschikking wordt geschorst;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot het beloop van f.1.420 te voldoen door de Staat;

- gelast verweerder het betaalde griffierecht ad f.60 aan verzoeker te vergoeden.

Gewezen door mr H.Smit, coördinerend vice-president, in tegenwoordigheid van mr Geel-Cieraad als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 december 1999.

De president heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.