Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1998:BN0389

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-1998
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
97/01293
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De afwijzing van het verzoek om afgifte van verklaring voor een pleziervaartuig als bewijs dat de omzetbelasting is voldaan voor het pleziervaartuig, waardoor dit bij terugkeer in Nederland steeds met vrijstelling kan worden toegelaten, is niet een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 23, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). De beslissing om deze verklaring af te geven berust niet op een bepaling in de Wet op de omzetbelasting 1968.

Voor zover wordt gesteld dat een verklaring is gebaseerd op enige bepaling in de Douanewet kan dat niet tot afgifte leiden als vervolg van een uitspraak omdat het Hof op grond van artikel 30c van de Awr niet bevoegd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Douane P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is een beroepschrift ontvangen op 20 juni 1997, ingediend door zijn gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 13 mei 1997 betreffende de weigering van de inspecteur tot afgifte van een Verklaring voor een pleziervaartuig. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 11 juli 1997.

De afgifte is geweigerd op 24 februari 1997. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en afgifte van de Verklaring voor een pleziervaartuig en vergoeding van kosten.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak en niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 7 mei 1998 zijn verschenen de gemachtigde, tot bijstand vergezeld van A, alsmede de inspecteur.

De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft bij B B.V. in Q een pleziervaartuig (zeiljacht type XXX) besteld. De leverancier heeft terzake aan belanghebbende, door tussenkomst van C te Guernsey, een factuur uitgereikt ten bedrage van f 212.015,43 met toepassing van een omzetbelastingtarief van 0%. Volgens afspraak met de leverancier is het jacht vanuit Nederland overgebracht naar R te Guernsey en aldaar op 23 mei 1995 ten invoer aangegeven. Op 24 mei 1995 heeft de leverancier het jacht te Guernsey aan belanghebbende overgedragen.

De Belastingdienst Ondernemingen R heeft op 14 juni 1995 aan de leverancier verklaard dat toepassing van het nultarief bij uitvoer voldoende was aangetoond.

2.2. Op 29 mei 1995 heeft belanghebbende het jacht ten invoer aangegeven in Scheveningen met verzoek om toepassing van de regeling voor terugkerende goederen als bedoeld in artikel 59 en 106 van de destijds geldende Regeling Vrijstellingen bij Invoer (RVBI) en § 393 en § 404 van de Leidraad RVBI. Op 3 februari 1997 is toestemming verleend van de vrijstellingsregeling gebruik te maken en is de verificatie beëindigd.

2.3. Op 19 februari 1997 heeft belanghebbende verzocht om afgifte van Verklaring voor een pleziervaartuig als bedoeld in § 420, derde lid, van de destijds geldende Leidraad RVBI. Een dergelijke verklaring dient als bewijs dat omzetbelasting is betaald voor het te omschrijven pleziervaartuig waardoor dit bij terugkeer in Nederland steeds met vrijstelling kan worden toegelaten. De inspecteur heeft het verzoek op 24 februari 1997 afgewezen en daarbij gewezen op de mogelijkheid voor belanghebbende om tegen de beschikking bezwaar te maken.

3. Geschil

In geschil is de vraag of de beschikking van 24 februari 1997 valt aan te merken als een voor bezwaar vatbare beschikking en zo ja, of de inspecteur de afgifte van de Verklaring terecht heeft geweigerd.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en de pleitnota.

4.2. Ter zitting heeft de gemachtigde nog verklaard dat de verklaring een grote rol speelt bij latere verkoop van het jacht of het binnenvaren van enig land; dat hij een verklaring wil dat het jacht in de omzetbelasting is betrokken; dat hij zich hierbij baseert op de Douaneregeling; dat voor de zekerheid ook beroep is ingesteld bij de Tariefcommissie; dat hij een garantie wil dat niet verder geheven zal worden; dat hij bestrijdt dat de verklaring alleen wordt afgegeven als omzetbelasting is betaald en niet teruggevraagd; dat volgens de wettelijke regeling bij de invoer op 29 mei 1995 geen omzetbelasting geheven kon worden, wat er zij van doel en strekking van de wet; dat rechtsmiddelen open staan bij heffing op een later moment maar dat belanghebbende zich de daarmee gemoeide tijd en kosten wil besparen; dat de regeling voor een verhuisboedel in dit geval niet van toepassing is; dat hij de kosten van de procedure nog niet kent.

4.3. De inspecteur heeft ter zitting nog verklaard dat hij aanvankelijk van mening was dat belanghebbende over het weigeren van de gevraagde verklaring kon procederen; dat afgifte van een verklaring vooral van belang is voor mensen die al jaren een schip hebben of deze als casco hebben gekocht; dat belanghebbende het jacht niet ten minste zes maanden in een derde-land in bezit heeft gehad; dat hij bereid is het document ten invoer te tekenen met een weggelakte waarde; dat hij ook bereid is te verklaren wat er met het jacht is gebeurd; dat de facto geen omzetbelasting is geheven; dat de verklaring alleen wordt afgegeven als omzetbelasting is betaald en niet teruggevraagd; dat bij binnenvaren in een haven in beginsel aangetoond moet worden dat belasting is betaald.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Artikel 23, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) maakt het mogelijk, voorzover hier van belang, bezwaar te maken tegen een voor bezwaar vatbare beschikking. De beslissing van de inspecteur al dan niet de gevraagde Verklaring voor een pleziervaartuig af te geven berust niet op enige bepaling in de Wet op de omzetbelasting 1968 (en de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften) welke inhoudt dat de afgifte dan wel de weigering daartoe geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking. Met name is daarvoor geen aanknopingspunt te vinden in de tot 1 juni 1996 geldende RVBI en de sedert die datum geldende Douaneregeling.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de weigering van de inspecteur de gevraagde verklaring af te geven geen voor beroep vatbare beschikking is in de zin van artikel 23, eerste lid, van de AWR, zodat de inspecteur belanghebbende niet ontvankelijk had behoren te verklaren in zijn bezwaar tegen die weigering.

5.2. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat een verklaring als de onderhavige gebaseerd is op enige wettelijke bepaling in de zin van de Douanewet, kan zulks - ook indien juist - niet leiden tot afgifte van die verklaring als vervolg op enige uitspraak van het Hof. Het Hof is op grond van artikel 30c van de AWR immers onbevoegd dienaangaande te beslissen.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het Hof ziet geen reden af te wijken van het gestelde in het Besluit proceskosten fiscale procedures en bepaalt het bedrag van de te vergoeden proceskosten op f 1.420,-, zijnde f 710,- x 2 (proceshandelingen) x 1 (gewicht van de zaak).

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn bezwaar;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad f 80,- aan belanghebbende te vergoeden en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van f 1.420,-, te vergoeden door de Staat.

De uitspraak is vastgesteld op 12 november 1998 door mr. Bijl, Boersma en Den Boer, in tegenwoordigheid van mr. Pechler als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

De voorzitter van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.