Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1998:AA4231

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-1998
Datum publicatie
29-08-2003
Zaaknummer
P97/1393
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. Is de aanslag inkomstenbelasting over de periode 1 februari 1991 tot en met 31 december 1991 tijdig opgelegd.

2. Indien deze aanslag niet tijdig is opgelegd, kan de belastingaanslag dan worden aangemerkt als een navorderingsaanslag voor de periode 1 februari 1991 tot en met 31 december 1991, vanwege het bestaan van een nieuw feit.

3. Indien er geen sprake is van een nieuw feit is er dan sprake van kwade trouw.

4. Is de inspecteur bevoegd tot het opleggen van de onderhavige aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1999/560
V-N 1998/38.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

kenmerk P97/1393

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, Verenigde Staten van Amerika, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Y, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 15 april 1997, ingediend door A als zijn gemachtigde. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 25 augustus 1997. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 28 maart 1997, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1991.

De aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van

ƒ 1.217.220. Na bezwaar is de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vernietiging van de aanslag.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Op de zitting van 17 februari 1998 zijn verschenen voornoemde gemachtigde tot bijstand vergezeld van B, alsmede de inspecteur tot bijstand vergezeld van C. De gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en met één bijlage overgelegd. De inspecteur heeft van de bijlage kunnen kennis nemen en zich erover kunnen uitlaten. De inspecteur heeft eveneens een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inhoud van de pleitnota's en de bijlage worden beschouwd als te zijn ingelast in deze uitspraak.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1952, was in Nederland woonachtig. Hij was werkzaam als ondernemer en als directeur van besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid.

2.2. Bij brief van 17 juni 1991 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de inspecteur mededeling gedaan dat belanghebbende sedert eind 1990 niet meer feitelijk woonachtig is in Nederland en dat hij in D, Verenigde Staten van Amerika, woont.

2.3. Aan belanghebbende is op 22 februari 1992 een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991 en vermogensbelasting 1992 (B-biljet) uitgereikt. Nadat het voor het doen van aangifte verleende belastingconsulenten- uitstel was verlopen heeft de gemachtigde van belanghebbende verschillende malen om incidenteel uitstel verzocht. Uiteindelijk heeft de inspecteur uitstel verleend voor het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991 tot 1 september 1993.

2.4. De aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991 (B-biljet) is ingediend op 11 november 1993. In een bijlage bij de aangifte is vermeld dat belanghebbende met ingang van 1 februari 1991 Nederland heeft verlaten en zich heeft gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika. Belanghebbende geeft voor de periode van 1 januari tot 1 februari een belastbaar inkomen aan van ƒ 17.138 negatief. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet per 1 februari 1991 is geëmigreerd, doch eerst in 1993. Met dagtekening 30 september 1995 heeft de inspecteur belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.687.339. Tegen deze aanslag heeft belanghebbende met dagtekening 3 november 1995 bezwaar gemaakt.

2.5. Op of omstreeks 5 april 1994 heeft de inspecteur aan belanghebbende een aangiftebiljet inkomstenbelasting

(C-biljet) voor de periode 1 januari 1991 tot en met 31 december 1991 uitgereikt.

2.6. In een brief van de gemachtigde van belanghebbende van 26 september 1995 aan de inspecteur schrijft deze:

"Het op 5 april 1994 verzonden C-biljet is bij ons kantoor binnengekomen. Blijkens mijn administratie is het kort daarna verzonden in verband met de tijdige indiening voor 1 juni jl. Er behoefde geen uitstel te worden aangevraagd aangezien de aangifte reeds voorbe- reid was. Ik beschik nog over een computeruitdraai uit het dossier, waarvan ik u bijgaand een afschrift zend."

2.7. Blijkens de door de gemachtigde meegezonden computeruitdraai van een B-biljet, met dagtekening 4 november 1993, heeft belanghebbende in de periode 1 februari 1991 tot en met 31 december 1991 een belastbaar binnenlands inkomen genoten van ƒ 1.217.220.

2.8. Met dagtekening 6 mei 1996 heeft de inspecteur belanghebbende over de periode 1 februari 1991 tot en met 31 december 1991 de onderhavige aanslag inkomstenbelasting opgelegd conform de aangifte.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de aanslag inkomstenbelasting over de periode 1 februari 1991 tot en met 31 december 1991 tijdig opgelegd.

2. Indien deze aanslag niet tijdig is opgelegd, kan de belastingaanslag dan worden aangemerkt als een navorderingsaanslag voor de periode 1 februari 1991 tot en met 31 december 1991, vanwege het bestaan van een nieuw feit.

3. Indien er geen sprake is van een nieuw feit is er dan sprake van kwade trouw.

4. Is de inspecteur bevoegd tot het opleggen van de onderhavige aanslag.

Vanaf 4 september 1996 zijn partijen eenparig van opvatting dat belanghebbende met ingang van 1 februari 1991 Nederland metterwoon heeft verlaten.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en de pleitnota's, alsmede de bijlage daarbij.

4.2. Op de zitting van 17 februari 1998 heeft de gemachtigde van belanghebbende hieraan nog toegevoegd:

Belanghebbende heeft in het op 22 februari 1992 uitgereikte B-biljet de inkomsten die betrekking hebben op de periode van buitenlandse belastingplicht niet aangegeven omdat daarvoor speciale biljetten bestaan. Er is geen verstoppertje gespeeld. Het C-biljet is uitgereikt, maar de binnenkomst daarvan is niet geregistreerd. De inspecteur te Heerlen is te dezen bevoegd.

4.3. De inspecteur heeft op de zitting nog opgemerkt, dat belanghebbende geen C-biljet heeft ingediend en dat hij wist van de emigratie maar daarvoor geen aangiftebiljet heeft aangevraagd; reden waarom van kwade trouw sprake is.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) in verbinding met het vierde lid van dat artikel, is de inspecteur bevoegd een aanslag op te leggen tot drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, waarbij voor de inkomstenbelasting deze schuld geacht wordt te zijn ontstaan op het tijdstip waarop het kalenderjaar eindigt. De termijn wordt verlengd met de duur waarvoor uitstel van het doen van aangifte is verleend.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval de inspecteur tot 1 september 1993 uitstel heeft verleend voor het doen van aangifte, derhalve 17 maanden, zodat de termijn eindigt op 31 mei 1996. Onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 8 december 1993, nr. 27663, BNB 1993/47, en 29 januari 1997, nr 31872, BNB 1997/159, beroept belanghebbende zich erop dat de perioden van binnenlandse belastingplicht en van buitenlandse belastingplicht voor uitstelverlening afzonderlijk dienen te worden bezien en dat hem alleen voor de binnenlandse periode kenbaar uitstel is verleend, zodat de aanslag voor het inkomen betreffende de periode beginnend op 1 februari 1991 uiterlijk 31 december 1994 had moeten zijn vastgesteld en opgelegd.

5.3. De inspecteur gaat ervan uit dat het op 22 februari 1992 aan belanghebbende uitgereikte aangiftebiljet B het doen van aangifte van het belastbare inkomen van het volle jaar 1991 betrof, dat belanghebbende niet om uitreiking van een aangiftebiljet C heeft verzocht en dat de vervanging van het B-biljet op of omstreeks 5 april 1994 voor het doen van aangifte over de periode 1 februari 1991 - 31 december 1991 door een C-biljet, nadat op 25 maart 1994 was gebleken dat belanghebbende in de zomer van 1991 een aanmerkelijk belang had verkocht, geen afbreuk kan doen aan het naar aanleiding van het uitgereikte B-biljet reeds voor het volle jaar 1991 op verzoek verleende uitstel.

5.4. Gesteld noch gebleken is dat het uitgereikte B-biljet een aanwijzing van de inspecteur behelsde dat slechts aangifte voor een deel van het jaar 1991 behoefde te worden gedaan. Nu voorts belanghebbende naar aanleiding van het uitgereikte B-biljet niet voor de periode 1 februari 1991 - 31 december 1991 om een ander aangiftebiljet heeft verzocht en hij het uitgereikte B-biljet na afloop van het verleende uitstel op 11 november 1993 heeft ingediend, ziet het Hof mede onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 1978, nr 18790, BNB 1979/6, geen reden het reeds voor het jaar 1991 tot 1 september 1993 verleende uitstel alsnog -in verband met de toezending van een C-biljet op of omstreeks 5 april 1994- voor het inkomen genoten in de periode 1 februari 1991 - 31 december 1991 buiten aanmerking te laten. In zoverre

is het gelijk aan de inspecteur.

5.5. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur niet bevoegd is tot het opleggen van de onderhavige aanslag omdat het Hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen Buitenland als de daartoe bevoegde inspecteur is aangewezen stuit af op het bepaalde in artikel 26, derde lid, van de Awr (tekst 1996). Het beroep kan niet betreffen de toepassing van de wettelijke bepalingen betreffende de vraag welke inspecteur bevoegd is. Belanghebbendes beroep faalt dus ook in zoverre.

5.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag moet worden berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.217.220.

5.8. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de inspecteur is.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak in belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de bestreden uitspraak.

De uitspraak is vastgesteld op 17 maart 1998 door mr. Dutmer, lid van de belastingkamer in tegenwoordigheid van

mr. Zilvertand als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het lid heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR nummer 34507 (red.)]