Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1997:AA5621

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P96/4395
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1998/7.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

kenmerk P96/4395

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 13 november 1996, gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 22 oktober 1996, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1992.

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van f 43.305 en is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep, aangevuld bij schrijven van 24 februari 1997, strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de in de aanslag begrepen premie-vervangende belasting ten bedrage van f 8.394 tot nihil, dan wel - naar het Hof verstaat - tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van f 8.872 (43.305 -/- f 34.433, d.i. het gebruteerde bedrag van de door belanghebbende geclaimde additionele aftrek wegens buitengewone lasten ten bedrage van - netto - f 21.159).

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 20 augustus 1997 zijn verschenen belanghebbende, alsmede de inspecteur.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen, waarvan de inhoud geldt als hier opgenomen.

Ter zitting zijn tevens behandeld de zaken van belanghebbende met kenmerk 96/4396 (inkomstenbelasting 1993) en 97/0022 (inkomstenbelasting 1994). De tot die zaken behorende stukken worden geacht ook in dit geding te zijn ingebracht.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende drijft een voegersbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. Hij heeft geen personeel.

Belanghebbende heeft vanwege zijn geloofsovertuiging bezwaren tegen elke vorm van verzeke-ring. In 1983 is hij als gemoedsbezwaarde door de Raad van Arbeid vrijgesteld van de heffing van premies volksverzekeringen. Sindsdien ontvangt hij aanslagen inkomstenbelasting met premievervangende belasting in plaats van premies volksverzekeringen.

2.2. In juli 1993 heeft belanghebbende aangifte over het jaar 1992 gedaan naar een belastbaar inkomen van f 43.306. Daarin is begrepen een aftrek aan buitengewone lasten van, in totaal, f 19.232, uit hoofde van uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van zijn 8 kinderen wegens het niet ontvangen van kinderbijslag (ad f 16.925) en uit hoofde van uitgaven ter zake van ziekte (ter grootte van f 11.979 -/- drempelbedrag van f 9.672 = f 2.307).

2.3. De inspecteur heeft op het aangegeven belastbare inkomen geen correcties aangebracht en een zogenoemde H-aanslag (gedagtekend 31 mei 1995) opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 43.305.

In een H-aanslag zijn echter, in tegenstelling tot de gebruikelijk aan gemoedsbezwaarden op te leggen N-aanslag, op normale wijze de premies volksverzekeringen begrepen; in de onderhavige H-aanslag (ad f 12.665) beliepen deze f 8.394.

2.4. Tegen de H-aanslag heeft belanghebbende bezwaar gemaakt met betrekking tot de vermogensetikettering van een pand - hetgeen overigens geen gevolgen had voor de vaststelling van het belastbare inkomen over 1992. Dit bezwaar is toegewezen. Bij het bezwaarschrift heeft belanghebbende tevens verzocht de opgelegde H-aanslag te vervangen door een N-aanslag (ten bedrage van f 12.665 inclusief premievervangende belasting). Ook op dit onderdeel is het bezwaar gehonoreerd.

Na vernietiging van de H-aanslag is, met dagtekening 31 augustus 1996, een N-aanslag opgelegd.

2.5. Tegen deze N-aanslag heeft belanghebbende wederom bezwaar gemaakt. Dit bezwaar hield in dat hij geen premievervangende belasting wenste te betalen.

Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaar verworpen en de aanslag gehandhaafd.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende, met een beroep op zijn geloofsovertuiging:

- het betalen van de premievervangende belasting ten bedrage van f 8.394 kan voorkomen, dan wel

- een additionele buitengewone-lastenaftrek in aanmerking kan nemen ten bedrage van, - naar het Hof verstaat - in totaal, f 34.433 (inzake hogere uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van zijn kinderen en hogere uitgaven ter zake van ziekte).

4. Standpunten van partijen

Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen naar de stukken van het geding.

Ter zitting heeft belanghebbende daaraan het volgende toegevoegd:

4.1. Ik moet een verhoogde inkomstenbelasting betalen, dat is pertinent eenzijdig.

Een mogelijkheid is dat de verhogingsaanslag, voor de premievervangende belasting, wordt vernietigd. Of dat die aanslag wel wordt gehandhaafd, maar dat daar dan extra aftrekposten tegenover worden gesteld.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Nu belanghebbende uitsluitend opkomt tegen de premie-vervangende belasting welke als extra-inkomstenbelasting in de onderhavige N-aanslag is begrepen, en hij zelf heeft verzocht om de hem oorspronkelijk opgelegde H-aanslag - waarin de normale premieheffing volksverzekeringen was opgenomen - door deze N-aanslag te doen vervangen, begrijpt het Hof dat belang-hebbende kennelijk geen bezwaar maakt tegen het enkele feit van de vernietiging van de H-aanslag en de vervanging daarvan door oplegging van de N-aanslag.

5.2. Kennelijk betwist belanghebbende evenmin de juistheid van het bedrag van f 8.394 dat door middel van de onderhavige aanslag aan premievervangende inkomstenbelasting wordt geheven.

5.3. In zijn beroepschrift stelt belanghebbende dat te zijnen aanzien sprake is van ongelijke behandeling, omdat hij geen vrijheid van godsdienst heeft nu hij in strijd met zijn geloofsovertuiging is onderworpen aan de premievervangende belasting.

5.4. Het recht op godsdienstvrijheid - zoals onder meer neergelegd in de Grondwet en in het Verdrag van Rome - waarborgt voor een ieder de vrijheid om openlijk zijn religie, godsdienst of geloof te belijden. Noch in de Nederlandse wetgeving, noch in het ongeschreven recht kan echter steun worden gevonden voor de opvatting dat het een ieder deswege zou vrijstaan om een wettelijk voorschrift aan zijn geloofsovertuiging te toetsen en daaraan te zijnen aanzien verbindende kracht te ontzeggen op grond van een bij hem daartegen bestaand godsdienstig bezwaar.

Mitsdien behoort belanghebbendes beroep tegen de onderhavige aanslag, welke - naar belanghebbende niet ontkent - is opgelegd overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet Financiering Volksverzekeringen (hierna: WFV), in zoverre te worden verworpen.

5.5. Voorts stelt belanghebbende dat hij ongelijk wordt behandeld nu hij tegenover de premievervangende inkomstenbelasting - naar het Hof verstaat - geen uitkeringen uit hoofde van de sociale verzekeringswetten zal ontvangen.

5.6. De volksverzekeringen omvatten de gehele bevolking, d.i. een ieder die naar de omstandigheden beoordeeld in Nederland woont, dus ingezetene is. Uit deze verzekeringsplicht vloeit automatisch ook de premieplicht voort. Artikel 19 WFV, in samenhang met de Regeling gemoedsbezwaren sociale verzekeringswetten, bepaalt dat degene die op grond van zijn levensovertuiging bezwaar heeft tegen iedere vorm van verzekering als gemoedsbezwaarde wordt aangemerkt en als zodanig van de premieheffing volksverzekeringen wordt ontheven. Op grond van artikel 20 WFV dient steeds premie-vervangende inkomstenbelasting (dan wel loonbelasting) te worden betaald indien deze "gemoedsbezwaardenregeling" van toepassing is.

5.7. Nu belanghebbende indertijd (1983) aan de Raad van de Arbeid heeft medegedeeld dat hij de evenbedoelde bezwaren heeft (en tevens heeft verklaard dat hij deze premies zou weigeren te betalen, zo hij daarvoor zou worden aangeslagen), is hij als gemoedsbezwaarde aangemerkt en is hij derhalve terecht onderworpen aan de premievervangende inkomsten-belasting.

5.8. Ingevolge de in de volksverzekeringswetten en in de Uitkeringsregeling gemoedsbezwaarden opgenomen bepalingen wordt het aan premievervangende belasting betaalde bedrag per gemoedsbezwaarde in beginsel volledig aangewend voor de uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten; deze worden in beginsel beëindigd wanneer het "gespaarde" belastingbedrag is verbruikt.

5.9. Uit het onder 5.6. en 5.8. gestelde blijkt naar 's-Hofs oordeel dat van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is.

Immers, uit hoofde van de betaalde premievervangende belasting is belanghebbende, evenals andere ingezetenen, gerechtigd tot bepaalde uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten.

Dat hij - vanwege zijn geloofsovertuiging - daarop vermoedelijk geen beroep zal doen, doet hieraan niet af.

5.10. Belanghebbende stelt ten slotte nog dat sprake is van ongelijke behandeling omdat hij geen additionele aftrekpost krijgt uit hoofde van - kennelijk ingevolge het ontbreken van verzekeringen c.q. weigeren van kinderbijslag - hogere lasten tot voorziening in het levensonderhoud (waaronder ziekte-kosten) van zijn kinderen. Belanghebbende voert ter onder-steuning van zijn standpunt aan dat de voor hem ter zake geldende buitengewone-lastenregeling immers slechts een bruto-aftrekpost (vóór inkomstenbelasting) inhoudt terwijl de kinderbijslag netto (onbelast) wordt ontvangen.

5.11. Het Hof overweegt dienaangaande dat belanghebbende niet anders wordt behandeld dan een ieder die - om welke reden ook - geen recht heeft op kinderbijslag. Niet gesteld of gebleken is dat door de belastingdienst ten aanzien van de meerderheid van bepaalde, gelijke gevallen een begunstigend beleid wordt gevoerd. Ook te dezen is derhalve geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbendes stelling ter zake dient te worden verworpen.

5.12. Uit het vorenoverwogene volgt dat belanghebbendes beroep dient te worden verworpen.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur in stand blijft, en er zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De uitspraak is vastgesteld op 1 oktober 1997 door mrs. Smit, Schaap en Faase, in tegenwoordig-heid van mr. Verrips als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

De voorzitter van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR 33799 (red.)]