Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1997:AA4354

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P96/0821
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Amsterdam

Kenmerk: P96/0821

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Elfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ingekomen op 1 maart 1996, ingediend door zijn gemachtigde, de gemachtigde, en gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 25 januari 1996 betreffende de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 1990.

De navorderingsaanslag is gedagtekend 10 januari 1996. Het tegen de navorderingsaanslag gerichte bezwaar is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en de navorderingsaanslag.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in zijn beroep en uiteindelijk subsidiair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in zijn bezwaar.

Ter zitting van 21 januari 1997 zijn verschenen belanghebbende en de gemachtigde, alsmede de inspecteur. Partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Beide pleitnota's worden tot de gedingstukken gerekend.

Ter zitting is gelijktijdig behandeld het door de echtgenote van belanghebbende ingestelde beroep betreffende de aan haar opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 1990, welk beroep bij het Hof is ingeschreven onder kenmerknummer 96/0822.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Op 23 november 1995 hebben belanghebbende en zijn echtgenote een door de inspecteur geformuleerd compromisvoorstel voor akkoord getekend.

Blijkens de onderdelen 1 en 2 van dit voorstel heeft deze akkoordverklaring - samengevat - betrekking op:

- een aan belanghebbende en een aan zijn echtgenote op te leggen navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1990;

- een correctie op het belastbare inkomen van belanghebbende voor de jaren 1993 en 1994 en

- een aan de echtgenote op te leggen navorderingsaanslag voor het jaar 1991.

2.2. In onderdeel 4 van het voorstel "Toezeggingen namens de belastingdienst" wordt vermeld dat de belastingdienst niet terugkomt op overige geschilpunten over de jaren 1990 tot en met 1994.

2.3. In onderdeel 5 "Bezwaar/beroep" is het volgende opgenomen:

" Zowel X, als X-Y, ... zullen afzien van bezwaar en beroep tegen de hiervoor genoemde correcties, navorderingen en verhogingen.".

2.4. Het door belanghebbende en zijn echtgenote getekende compromisvoorstel is op 28 november 1995 door de inspecteur ontvangen. De in dit voorstel bedoelde navorderingsaanslagen zijn gedagtekend 10 januari 1996.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het recht een beroep te doen op overschrijding van de voor het opleggen van een navorderingsaanslag geldende wettelijke termijn, hetgeen de inspecteur stelt en belanghebbende betwist.

4. Standpunten van partijen en behandeling ter zitting

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken is vermeld.

Ter zitting is daaraan toegevoegd door:

belanghebbende:

Met name mijn echtgenote had grote problemen met de hele kwestie. In verband daarmee wilden we het door een compromis snel afhandelen. Mijn vrouw en dochter kunnen dit onder ede verklaren.

de gemachtigde:

Op 15 oktober 1995 is er een emotioneel gesprek geweest met B van de Belastingdienst. Daar werd duidelijk dat het enige tijd kon duren voordat het geregeld was.

Gelet op de dwingendrechtelijke bepaling over de termijn waarbinnen een navorderingsaanslag kan worden opgelegd hebben wij voorgesteld een aanslag tot behoud van rechten op te leggen, maar B wilde hier niet op ingaan in verband met de administratieve rompslomp. Op 17 november 1995 waren we het in principe eens over de hoogte van de navorderingsaanslagen. Ook toen is de vraag aan de orde geweest of de aanslag tijdig zou kunnen worden opgelegd.

Wij wilden graag snel van de hele zaak af zijn en hebben daarom veel water in de wijn gedaan. Van het recht om een beroep te doen op de termijnoverschrijding hebben we echter uitdrukkelijk geen afstand gedaan.

de inspecteur:

Ik stel mij subsidiair op het standpunt dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd en dat belanghebbende niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn bezwaar.

Ik ben bij alle besprekingen aanwezig geweest. De nadering van de fatale termijn is ter sprake geweest, maar voor ons was er geen probleem want de navorderingsaanslagen konden nog tijdig worden opgelegd. Echter als gevolg van interne verhuizingen van de belastingunits is de navorderingsaanslag uiteindelijk buiten de termijn opgelegd. Ik betwist dat een medewerker van de belastingdienst belanghebbende of zijn echtgenote onder druk zou hebben gezet. Het gesprek in oktober 1995 was weliswaar emotioneel, maar dit was niet aan de belastingdienst te wijten.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De inspecteur stelt primair dat belanghebbende in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de aanvaarding door belanghebbende van het onder 2 bedoelde compromisvoorstel tot gevolg heeft dat hij - gelet op onderdeel 5 van dit voorstel - niet meer in beroep kan komen tegen de onderhavige navorderingsaanslag.

5.2. Het Hof is dienaangaande van oordeel dat belanghebbende is gebonden aan de uitdrukkelijk en zonder voorbehoud door hem gedane afstand van zijn recht om tegen de navorderingsaanslag met een bezwaar- of beroepschrift op te komen. Het doen van afstand als voormeld houdt mede in dat zulks ook heeft te gelden voor het zich hier voordoende geval dat de navorderingsaanslag wordt opgelegd buiten de daarvoor geldende wettelijke termijn. In dit verband is mede van belang dat het buiten de termijn opleggen van een aanslag niet van rechtswege leidt tot nietigheid van die aanslag, maar alleen indien op de termijnoverschrijding een beroep wordt gedaan.

5.3. Niet gesteld of gebleken is dat zich in het onderhavige geval bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat belanghebbende niet gebonden is aan het door hem met de inspecteur gesloten compromis.

5.4. De enkele omstandigheid dat overschrijding van de termijn onderwerp van gesprek is geweest tijdens de onderhandelingen die vooraf gingen aan het sluiten van het compromis, acht het Hof onvoldoende voor het oordeel dat er sprake is van een door belanghebbende op dit punt gemaakt voorbehoud.

5.5. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep.

6. Proceskosten

Nu zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn beroep.

De uitspraak is vastgesteld op 4 maart 1997 door mr. Onnes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Voornoemd lid heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR nummer 33250 (red.)]