Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1997:AA4346

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-01-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P94/5228
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Amsterdam

Kenmerk: P94/5228

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding.

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ont-vangen op 14 november 1994, ingediend door zijn gemachtigde, en aangevuld bij brief van 28 maart 1995. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 7 oktober 1994 betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting 1987. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van f 78.839,- en bij de bestreden uitspraak verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van f 74.091,-.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot één, berekend naar een belastbaar inkomen van f 44.444,-.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en con-cludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 13 september 1996 zijn verschenen voren-genoemde gemachtigde en voorts de inspecteur. De gemachtigde en de inspecteur hebben ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De gemachtigde heeft voorts een brief van de A A.G. te Q (Zwitserland) van 10 september 1996 overgelegd, van welke brief de inspecteur kennis heeft kunnen nemen en waarover hij zich heeft kunnen uitlaten.

De inhoud van de pleitnota's en van vorenvermelde brief geldt als hier opgenomen.

Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld de beroepen van belanghebbende met betrekking tot de aanslagen inkomstenbelasting 1988 en 1989, bij het Hof ingeschreven onder de kenmerknummmers 94/5229 en 94/5636, en de beroepen van Y., broer van belanghebbende, met betrekking tot de aanslagen inkomstenbelasting 1987, 1988 en 1989, bij het Hof ingeschreven onder de kenmerknummers 94/5635, 94/5230 en 94/5231.

2. Tussen partijen vaststaande feiten.

2.1. Belanghebbende, geboren in 1940, heeft in augustus 1986 een Darlehensvertrag (hierna: Vertrag) gesloten met Bank A te Q (Zwitserland) - welke bank naderhand is overgenomen door Bank 'AA' (Zwitserland), thans A A.G. - ter zake van een tweetal leningen, respectievelijk groot

DM 'a' en Sfr.'b', welke bedragen krachtens artikel 1.3. van vorenomschreven Vertrag op 18 augustus 1986 ter beschikking van belanghebbende kwamen om te worden aangewend voor de aankoop van de hierna onder 2.3. vermelde obligaties. Ingevolge artikel 1.2. van het Vertrag dienden de leningen op 18 augustus 1991 te worden afgelost. Ter zake van de over de leningen verschuldigde rente was in artikel 4 van het Vertrag bepaald, dat deze telkens voor een periode van 12 maanden zou gelden en twee "Bankarbeitstage" voor de aanvang van een nieuwe periode - de eerste keer twee "Bankarbeitstage" voor het ter beschikking stellen van de geleende bedragen - zou worden vastgesteld op, behoudens in enkele in het artikel vermelde bijzondere gevallen, 1% boven de kosten van de bank voor 12-maandsdeposito's op de London Interbank Markt. De rente was bij achterafbetaling verschuldigd en zou bij de hoofdsom worden bijgeschreven, voor zover de overeengekomen onderpandswaarde voldoende zou zijn.

Als onderpand van de leningen zouden ingevolge artikel 6 van het Vertrag de onder 2.3. hierna vermelde obligaties met de daarbij behorende coupons, voor zover vervallende in 1992 en volgende jaren, alsmede het gehele geplaatste aandelenkapitaal van Beleggingsmaatschappij XY -B.V. dienen, met dien verstande dat dit laatste onderpand mede gold voor Y voornoemd, die een zelfde Darlehensvertrag gesloten had. Belanghebbende en zijn broer waren tezamen de enige aandeelhouders van Beleggingsmaatschappij XY- B.V. In het Vertrag is vermeld dat laatstgenoemde vennootschap nominaal HFL 'c',- 12% Obligaties N.V. Bank B met de daarbij behorende coupons per 15.08.1992 en volgende jaren en met als aflossingsdatum 15.08.2006 bezat. In het Vertrag werd de beleningswaarde van de in onderpand gegeven stukken gedurende de looptijd van de leningen gesteld op maximaal 70% van de koers daarvan.

In 1989 zijn de hiervoor bedoelde door Bank A verstrekte leningen met de inmiddels bijgeschreven rente vervangen door een lening van Bank C (Zwitserland) van DM 599.438,-.

2.2. Met als valutadatum 18 augustus 1986 debiteerde Bank A belanghebbende voor de hoofdsommen van de hiervoor onder 2.1. bedoelde leningen onder de mededeling dat de rente voor de periode 18 augustus 1986 tot 18 augustus 1987 voor de in Sfr luidende lening 5 3/8 % en voor de in DM luidende lening 5 9/16 % bedroeg.

2.3. Op 18 augustus 1986 heeft belanghebbende bij een tweetal afzonderlijke overeenkomsten van F-Ltd telkens onder voorbehoud door deze laatste van het recht van vruchtgebruik voor de periode 18 augustus 1986 tot 18 augustus 1991 de volgende obligaties aangekocht:

Nominaal FF 1.000.000,-,- 7 7/8% 'CC',

aflosbaar 22.05.2001 en

Nominaal ECU 130.000,- 8 3/4% 'DD',

aflosbaar 25.02.1994.

Rekening houdend met de aankoopkosten bedroegen de door belang-hebbende ter zake van deze aankopen betaalde bedragen, omgerekend in Sfr, respectievelijk Sfr 'd' en Sfr 'e', derhalve in totaal Sfr 'f'. Dit bedrag werd voldaan uit het provenu van de onder 2.1. bedoelde leningen, welk provenu, omgerekend in Sfr 'g' bedroeg. Van het niet voor de aankoop aangewende bedrag werd Sfr 'h' gestort ten behoeve van Beleggingsmaatschappij XY- B.V., zulks ter aflossing van een schuld van belanghebbende aan deze vennootschap.

In de overeenkomsten was bepaald dat de betreffende stukken zouden worden opgenomen in een bij de Bank 'AA' te Q (Zwitserland) aan te houden effectendepot.

Ten tijde van de aankoop bedroeg de koers van de hiervoor vermelde obligaties respectievelijk 95 7/8 % en 106,25%.

Volgens de brief van A A.G. van 10 september 1996 was de rating per 20 augustus 1986 van de obligaties 'DD' A (S&P) en A1 (Moody) en van de obligaties 'CC' A+ (S&P) en A2 (Moody).

2.4. Eveneens op 18 augustus 1986 heeft belanghebbende met F-Ltd een tweetal aanvullende overeenkomsten (Zusatz-vereinbarungen) gesloten, waarbij F-Ltd zich onder meer verbond op 18 augustus 1991 de hiervoor bedoelde obligaties van belanghebbende terug te kopen tegen de op die dag geldende koers onder aftrek van 1% verkoopkosten en belanghebbende zich verbond bedoelde obligaties op die dag aan F-Ltd te verkopen.

2.5. In 1990 werd nominaal ECU 15.000,- 8 3/4 % 'DD' uitgeloot. In 1991 zijn alle obligaties verkocht.

2.6. In 1987 was belanghebbende ter zake van de onder 2.1 hiervoor bedoelde leningen aan rente en kosten een bedrag van omgerekend in guldens f 'i' verschuldigd, welk bedrag is bijgeschreven bij de hoofdsom. Van voormeld bedrag, dat door belanghebbende in zijn aangifte als persoonlijke verplichting is opgevoerd, heeft de inspecteur uiteindelijk f 'j',- in aftrek aanvaard, welk bedrag is berekend naar rato van het deel van de geleende bedragen, dat door belanghebbende is aangewend ter aflossing van zijn schuld aan Beleggingsmaatschappij XY-B.V. Voor het resterende gedeelte ad f 'k' heeft de inspecteur met een beroep op het leerstuk van de wetsontduiking de aftrek geweigerd.

3. Geschil.

In geschil is of de inspecteur terecht met een beroep op het leerstuk van de wetsontduiking een bedrag van f 'k', zijnde de pro rata berekende rente en kosten over het gedeelte van de onder 2.1. hiervoor vermelde leningen dat heeft gediend voor de financiering van de door belanghebbende in 1986 gekochte blote eigendom van de onder 2.3. hiervoor bedoelde obligaties, niet in aftrek op het inkomen heeft toegelaten.

4. Standpunten van partijen.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding, de pleitnota's van partijen en de door belanghebbende overgelegde brief van de A A.G. van 10 september 1996.

Ter zitting van 13 september 1996 hebben partijen daaraan nog het volgende toegevoegd, zakelijk samengevat:

de gemachtigde:

Ik bestrijd dat er van speculatie geen sprake was. De gekozen valuta's waren weliswaar solide, maar er bleven risico's. Hoewel belanghebbende en zijn broer, die vreemdelingen zijn op het gebied van beleggingen in obligaties, zijn afgegaan op het advies de bank, volgt daaruit niet dat alle risico's waren uitgesloten. Belanghebbende was beperkt in de mogelijkheid om krediet op te nemen, zodat hij zijn inkomen niet min of meer onbeperkt kon beïnvloeden. Het onderhavige geval verschilt van de situatie waarin belastingplichtigen, zoals lang usance was, waardepapieren met een korte looptijd van de bank kochten. Dan is onbeperkt financieren wel heel gemakkelijk. In het door mij overgelegde arrest van de Hoge Raad wordt mijn opvatting bevestigd. Het aangewende middel moet in zich hebben om het inkomen min of meer onbeperkt te beïnvloeden. In casu ging de bank niet verder dan overeenkwam met de beleningswaarde van de onderpanden die zij onder zich had.

Ik zie in de met F-Ltd gesloten overeenkomsten enerzijds een aankoop en anderzijds een verkoop op termijn.

Wat de obligaties 'DD' betreft, weliswaar beweegt de koers van obligaties zich, naarmate de looptijd ver-strijkt, in de richting van de nominale waarde, maar over de gehele looptijd kan zij fluctueren, afhankelijk van de rentestand, en in casu zouden na de expiratie van het vruchtgebruik nog circa drie jaren verlopen.

Het is juist dat ik belanghebbende bij de transacties heb begeleid. Hij en zijn broer waren mijn cliënten.

de inspecteur:

Dat de bodem uit mijn cijferexercitie vervalt, zoals de gemachtigde in zijn pleitnota opmerkt, bestrijd ik. Aankoop van obligaties met geleend geld beschouw ik niet als speculatie. Het belastingvoordeel stond in casu voorop. Ik sluit mij aan bij het standpunt van belanghebbende dat er sprake is van een aankoop en een verkoop op termijn.

5. Beoordeling van het geschil.

5.1. Het Hof stelt voorop dat de inspecteur er terecht van is uitgegaan dat een beroep op het leerstuk van de wetsontduiking kan slagen als sprake is van een samenstel van transacties, dat is aangegaan met belastingverijdeling als enig, althans doorslaggevend motief en dat in strijd komt met doel en strekking van de wet.

5.2. Uit het in 1986 door belanghebbende met Bank A gesloten Darlehensvertrag, in het bijzonder de artikelen 1.3. en 6, blijkt dat van meet af aan vaststond dat het door belanghebbende van Bank A geleende bedrag, althans het grootste deel daarvan, was bestemd voor de aankoop van de onder 2.3. bedoelde obligaties, voorzien van de in 1992 en volgende jaren vervallende coupons. Voormeld gedeelte is ook daadwerkelijk aangewend voor die aankoop en die aankoop is ook geheel gefinancierd uit het geleende bedrag. Tussen het aangaan van de bij Bank A gesloten leningen en bedoelde aankoop bestond in zoverre derhalve naar 's Hofs oordeel, gelijk de inspecteur ook heeft aangenomen en door belanghebbende niet is weersproken, een rechtstreeks en onmiddellijk verband.

5.3. De inspecteur - op wie in dezen de bewijslast rust - heeft zijn stelling dat het samenstel van transacties als onder 5.2. bedoeld door belanghebbende is aangegaan met het enige, althans doorslaggevende motief van belastingverijdeling, onderbouwd met een aantal berekeningen waaruit blijkt dat de transacties per saldo, afgezien van de belastingbesparing, een voorzienbaar negatief resultaat op zouden leveren. Naar het oordeel van de inspecteur zou belanghebbende op basis van reële economische motieven nimmer een dergelijke transactie zijn aangegaan en is de belastingbesparing het enige, althans doorslaggevende motief voor de transacties geweest. Van speculatie is naar zijn mening geen sprake.

Het Hof overweegt hieromtrent het volgende.

5.3.1. De inspecteur is er bij zijn berekeningen kennelijk van uitgegaan, dat belanghebbende van meet af aan heeft beoogd om de blote eigendom van de onder 2.3. bedoelde obligaties gedurende de gehele periode van 18 augustus 1986 tot 18 augustus 1991 aan te houden en de financiering daarop af te stemmen. Het Hof acht dit een juist uitgangspunt, gelet op enerzijds het feit dat belanghebbende de leningen heeft afgesloten voor precies dezelfde periode en anderzijds het feit dat belanghebbende met F-Ltd was overeengekomen om na ommekomst van het recht van vruchtgebruik de obligaties aan F-Ltd te verkopen. Weliswaar waren in de met F-Ltd gesloten Zusatzvereinbarungen bepalingen opgenomen voor het geval van voortijdige aflossing van de obligaties en voor het geval van verkoop aan F-Ltd vóór 18 augustus 1991, maar het Hof acht, gelet op de daarmee gepaard gaande koers-verliezen casu quo kosten, niet aannemelijk dat een en ander voor belanghebbende van meer dan bijkomstige betekenis was.

5.3.2. Bij zijn berekening van het rendement op de blote eigendom gedurende de verwachte bezitsduur van belanghebbende heeft de inspecteur aangenomen dat de koers bij verkoop van de obligaties op 18 januari 1991 gelijk was aan de koers op 18 januari 1986. Voorts heeft hij bij de berekening van de door belanghebbende verschuldigde rente het rentepercentage gehanteerd, dat gold voor de eerste renteperiode van 18 augustus 1986 tot 18 augustus 1987. Hiervan uitgaande heeft de inspecteur terecht en onweer-sproken geconcludeerd dat de kosten van de lening meer bedroegen dan het rendement op de blote eigendom en dat mitsdien de transacties per saldo, afgezien van de belas-tingbesparing, een voorzienbaar nadeel op zouden leveren. Daarbij is, zoals de inspecteur eveneens terecht heeft opgemerkt, met bepaalde kosten (aankoopkosten - deze zijn, naar het Hof aantekent, ten onrechte genoemd, aangezien uit de overeenkomst met F-Ltd blijkt dat die kosten in de aankoopsom waren begrepen -; depôtkosten; verkoopkosten; de jaarlijks ter zake van de leningen verschuldigde bedragen ad circa f 'l') nog geen rekening is gehouden. Genoemde factoren versterken derhalve de conclusie van de inspecteur.

5.3.3. Aan de berekeningswijze van de inspecteur ligt, naar uit de stukken van het geding blijkt, in de eerste plaats ten grondslag dat de vraag, of een samenstel van transacties per saldo een voorzienbaar negatief resultaat oplevert, moet worden beoordeeld naar het tijdstip waarop die transacties zijn aangegaan. Dit uitgangspunt is juist. Dat de inspecteur voorts voor de berekening van het voorzienbare resultaat is uitgegaan van de koersen, valutaverhoudingen en rentepercentages die golden op het tijdstip van het aangaan van de transacties acht het Hof eveneens juist. Immers in deze grootheden zijn redelijkerwijze de verwachtingen omtrent het verdere verloop daarvan verdisconteerd. Belanghebbende ziet dit naar 's Hofs oordeel over het hoofd waar hij opmerkt dat de inspecteur een statische benadering heeft gehanteerd.

Belanghebbende heeft tegenover de berekening van de inspecteur geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zich, in voor hem gunstige zin, een grotere stijging of juist daling van bedoelde grootheden zou

voordoen dan ten tijde van het aangaan van de transacties in de toen geldende koersen en rentepercentages was verdisconteerd.

Hetgeen de inspecteur nog heeft opgemerkt over de verhoudingen binnen het EMS en de vaste verhoudingen ten opzichte van de ECU acht het Hof niet relevant omdat, daargelaten in hoeverre die opmerkingen juist zijn, zij slechts bespiegelingen bevatten over een mogelijke toekomstige koersontwikkeling.

5.3.4. Belanghebbende heeft aangevoerd dat bij de op advies van de bank bepaalde keuze van de aard van de belegging (blote eigendom van obligaties), van de valuta waarin werd belegd en van de valuta waarin werd gefinancierd een optimaal rendement te verwachten viel, voorts dat, zakelijk samengevat, tegenover de koersrisico's het beoogde belastingvoordeel niet meer dan een zeer ondergeschikte rol speelde en dat juist in gevallen als deze sprake is van echte speculatie.

Belanghebbende heeft echter niet aangegeven waaruit het door hem aangeduide optimale rendement ter zake van de in geding zijnde transacties zou kunnen voortvloeien en waarop dit rendement zou uitkomen. Zoals belanghebbende zelf stelt, zou het rendement zowel (aanmerkelijk) positief kunnen zijn als (aanmerkelijk) negatief. Het betoog van belanghebbende dat er sprake is van speculatie omdat "zo bezien de echte speculant hij is die zich voor langere tijd verbindt aan een belegging en de risico's, die daaraan verbonden zijn, accepteert" verwerpt het Hof. Belanghebbende heeft zich, naar blijkt uit de vastgestelde feiten, weloverwogen voor een nauwkeurig bepaalde langere periode vastgelegd voor een tweetal beleggingen en een tweetal leningen, waaraan weliswaar bepaalde risico's waren verbonden, maar van welke risico's blij-kens het hiervoor overwogene en mede in aanmerking genomen de rating van de betreffende obligaties niet is gebleken dat deze niet reeds waren verdisconteerd in de koersen en rentepercentages, ook in onderling verband gezien, die golden ten tijde van het aangaan van de transacties. Belanghebbende kon naar 's Hofs oordeel dan ook in redelijkheid ten tijde van het aangaan van die transacties slechts, zoals de berekening van de inspecteur aangeeft, een negatief resultaat verwachten.

5.3.5. Nu belanghebbende er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat hij ten tijde van het aangaan van het in geding zijnde samenstel van transacties redelijkerwijze, afgezien van de belastingbesparing, enig voordeel kon verwachten, terwijl de inspecteur heeft aangetoond dat uitgaande van de ten tijde van het aangaan van de transacties geldende koersen en rentepercentages, waarin de verwachtingen omtrent het toekomstige verloop geacht moeten worden te zijn verdisconteerd, de transacties een voorzienbaar nadelig resultaat zouden opleveren, acht het Hof het met de inspecteur aannemelijk dat belastingbesparing het enige, althans doorslaggevende motief van belanghebbende is geweest voor het aangaan van bedoelde transacties. Het Hof neemt hierbij mede in aanmerking dat het belastingvoordeel over de gehele periode van vijf jaar aanzienlijk zou zijn en ook ruimschoots zou opwegen tegen het door de inspecteur becijferde nadeel.

5.4. Met betrekking tot de vraag of in het onderhavige geval sprake is van strijd met doel en strekking van de wet, overweegt het Hof het volgende.

5.4.1. Zoals blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan de in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) toegelaten aftrek van rente van schulden niet zijn bedoeld om belastingplichtigen in staat te stellen door het aangaan van transacties als de onderwerpelijke, waarbij de verworven vordering wordt gefinancierd met een daartoe aangegane schuld, min of meer onbeperkt en op ieder door hen daartoe nuttig geacht moment hun belast-bare inkomen te verminderen. In dit verband verschillen partijen van mening over de betekenis van de door banken gehanteerde "beleningsnorm". Met betrekking tot deze beleningsnorm heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende een zodanig eigen vermogen bezat dat hij, uitgaande van een belening tot 80% van de waarde van de obligaties, een financiering zou hebben kunnen aangaan van f 'm' en zijn heffingsgrondslag, naar het Hof de inspecteur begrijpt, tot nihil had kunnen terugbrengen. Belanghebbende heeft daartegenover betoogd dat hij wel degelijk door de beleningsnorm werd beperkt in zijn kredietvolume en dat dit volume uitkwam op circa f 'n'.

5.4.2. Naar 's Hofs oordeel volgt uit hetgeen door de Hoge Raad is overwogen niet dat de woorden "min of meer onbeperkt" de strekking zouden hebben alleen te gelden in die gevallen waarin een belastingplichtige in staat is onbeperkt schulden aan te gaan, althans schulden tot een zodanige omvang dat zijn inkomen als gevolg van de daarover verschuldigde rente tot nihil zou worden teruggebracht. Ook indien een belastingplichtige beperkt is in de mogelijkheid om schulden aan te gaan waarover rente is verschuldigd kan hij de hem ter beschikking staande financiële ruimte min of meer onbeperkt, namelijk in de mate waarin hij zulks wenst, aanwenden voor het aangaan van transacties als de in geding zijnde. Het Hof vermag niet in te zien dat in een dergelijk geval niet evenzeer van strijd met doel en strekking van de wet kan worden gesproken. Dat als gevolg van de beperking in de mogelijkheid tot het aangaan van rentedragende schulden het inkomen niet tot nihil kan worden teruggebracht acht het Hof niet van belang.

5.4.3. De omstandigheid dat de mogelijkheid rentedragende schulden aan te gaan ter financiering van aankopen als waarvan in het onderhavige geval sprake is, beperkt is doordat banken een beleningsnorm hanteren

- ook in het met Bank A gesloten Darlehensvertrag is een dergelijke norm gehanteerd; in het midden kan daarom blijven, welke betekenis in dit verband toekomt aan de in algemene zin luidende fax van Bank 'AA' (Zwitserland) van 7 september 1994 - doet aan het onder 5.4.2 overwogene niet af. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van strijd met doel en strekking van de wet gaat het er om dat en in hoeverre belanghebbende daadwerkelijk voor het aangaan van de in geding zijnde transacties geld heeft geleend.

5.4.4. Gelet op het hiervoor overwogene en gelet op het feit dat vaststaat dat belanghebbende de aankoop van de blote eigendom van de in 2.3. bedoelde obligaties geheel heeft gefinancierd met door hem bij Bank A geleende gelden, waarover rente was verschuldigd, is het van Hof van oordeel dat, ook indien er met belanghebbende, en anders dan de inspecteur heeft berekend, van zou moeten worden uitgegaan dat zijn kredietvolume was beperkt tot circa f 'n', de aftrek van de door belanghebbende in 1987 voldane rente over het gedeelte van de door hem van Bank A geleende gelden dat is aangewend voor de verkrijging van de blote eigendom van de onder 2.3. bedoelde obligaties, in strijd met doel en strekking van de Wet komt.

5.5. Hetgeen belanghebbende in zijn beroepschrift onder "Meer subsidiair" heeft aangevoerd berust naar 's Hofs oordeel op een onjuiste lezing van het door de inspecteur in afschrift overgelegde arrest van de Hoge Raad van 23 februari 1994, nr. 29.361. De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 3.3. van dit arrest beslist dat de in cassatie aangevoerde klacht, dat het Hof ('s Gravenhage) ten onrechte de door de belanghebbende voor het Hof verdedigde stelling inzake de, bij transacties als de in geding zijnde, door banken gehanteerde belenigsnorm onbesproken heeft gelaten, terecht is voorgesteld doch dat de klacht faalt, omdat niet van belang is of banken bij dergelijke transacties een "beleningsnorm" plegen te hanteren maar of FIL dat pleegde te doen en het Hof zulks niet aannemelijk heeft geacht.

5.6. In hetgeen onder 5.4. is overwogen ligt besloten dat een bespreking van de vraag, of een beperking van de beleningsmogelijkheid tot 80% van de nominale waarde van de in geding zijnde obligaties al dan niet een beperking van "min of meer onbeperkt" inhoudt en of zulks tot de slotsom dient te leiden dat in het onderhavige geval geen sprake is van strijd met doel en strekking van de wet, achterwege kan blijven.

5.7. Op grond van al het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat de inspecteur terecht met toepassing van het leerstuk van de wetsontduiking de in 1987 door belanghebbende voldane rente over de in 1986 met Bank A gesloten leningen, voor zover betrekking hebbende op de financiering van de aankoop van de blote eigendom van de onder 2.3. hiervoor bedoelde obligaties, zijnde naar niet in geschil is f 'k', voor de vaststelling van het belastbare inkomen van belanghebbende buiten aanmerking heeft gelaten.

Het gelijk is mitsdien aan de inspecteur.

6. Proceskosten.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing.

Het Hof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

De uitspraak is vastgesteld op 3 januari 1997 door mrs Holdert, Onnes en Rijkels, in tegenwoordigheid van mr Brands als griffier en de beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

De voorzitter van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR nummer 33049 (red.)]