Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1997:AA4142

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-10-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P96/3359
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1997/3684, 4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

kenmerk P96/3359

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particu-lieren te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ont-vangen op 11 september 1996. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 14 augustus 1996, betreffende de inhouding van loonbelasting en premie volks-verzekeringen (hierna: loonheffing) op het loon van belang-hebbende over de maand mei 1996.

Over het loon van mei 1996 is aan loonheffing ingehouden

f 1.681,50 en f 2.359,34, alzo in totaal f 4.040,84. Na bezwaar is bij de bestreden uitspraak van de inspecteur het totale bedrag van de inhouding gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en kennelijk tot vermindering van de loonheffing door verlaging van de grondslag met f 62,-- respectievelijk f 1.201,60.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 26 augustus 1997 zijn verschenen belangheb-bende, vergezeld van drs. A, alsmede namens de inspecteur mr. B, advocaat te Q, vergezeld van mr. C, drs. D en E. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota met bijlage overgelegd. Namens de inspecteur zijn twee pleitnota's overgelegd, waarvan een met bijlagen. Van de overgelegde stukken heeft de wederpartij kunnen kennis nemen en zich erover kunnen uitlaten. De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1964 en ongehuwd, was tot 1 mei l997 in loondienst van het Ministerie van Financiën en als zodanig werkzaam bij de Belastingdienst te R. Met ingang van 1 mei 1997 is belanghebbende in loondienst werkzaam als belastingadviseur.

2.2. Over de maand mei 1996 omvatte het loon uit voormelde dienstbetrekking bij het Ministerie van Financiën een bedrag aan maandloon van f 5.291,-- en een bedrag aan vakantietoeslag of vakantiegeld van f 4.806,40. Beide bedragen zijn, vermeerderd met overhevelingstoeslag, aan belanghebbende uitbetaald op 23 mei 1996 onder inhouding van onder meer loonbelasting en premie volksverzekeringen (hierna te zamen: loonheffing). De grondslag voor de loon-heffing berekende de werkgever op f 5.103,82 voor het maandloon en op f 4.718,68 voor de vakantietoeslag. De van deze bedragen ingehouden loonheffing bedroeg respectieve-lijk f 1.681,50 en f 2.359,34. De loonheffing heeft plaats-gevonden overeenkomstig de daarvoor geldende loonbelasting-tabellen, te weten de witte maandtabel respectievelijk de witte tabel voor bijzondere beloningen.

2.3. In de maand mei 1996 heeft belanghebbende één dag wegens vakantie geen werkzaamheden verricht. Het aan deze dag toe te rekenen deel van het maandloon bedraagt f 246,-- en wordt hierna aangeduid als vakantieloon.

3. Geschil

In geschil is of op grond van toepassing van het gelijk-heidsbeginsel de vakantietoeslag en het vakantieloon (hier-na te zamen: de vakantie-uitkering) van belanghebbende voor de loonheffing moeten worden verminderd met 25% overeenkom-stig het waarderingsvoorschrift voor vakantiebonnen en vergelijkbare aanspraken als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (hierna: Urlb ).

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en de pleitnota's.

4.2. Kort weergegeven houdt het standpunt van belanghebben-de het volgende in:

In bepaalde bedrijfstakken wordt over de vakantieperiode geen loon doorbetaald noch vakantiegeld uitgekeerd. In deze bedrijfstakken is in het verleden tussen werkgevers- en werknemersorganisaties overeengekomen dat in plaats daarvan aan de werknemers bij elke periodieke loonbetaling per week of per maand vakantiebonnen worden verstrekt, rechtgevende op vakantieloon en vakantietoeslag. Deze vakantiebonnen, vermeldende een nominale waarde, koopt de werkgever bij een daartoe in het leven geroepen fonds dat tegen de vakantie-tijd de bonnen bij inlevering door de werknemer verzilvert voor het daarop vermelde nominale bedrag. De vakantiebonnen vormen niet in geld genoten loon en worden dadelijk bij de verstrekking te zamen met het periodeloon in de loonheffing betrokken en niet eerst bij de latere verzilvering. Om deze reden worden de vakantiebonnen op grond van het bepaalde in artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) in verbinding met artikel 10, tweede lid, onderdeel c, van de Urlb voor de loonheffing in aanmerking genomen naar 75% van hun nominale waarde. Deze waarderingsregel heeft echter geen bestaansrecht meer. Het arrest van de Hoge Raad van 16 september 1992, BNB 1993/21, handelend over het jaar 1987, moet als achterhaald worden beschouwd. De twee rede-nen voor de lagere waardering dan nominaal, te weten: een hoger belastingtarief door cumulatie van gewoon periodeloon en vakantiebon en het gedeeltelijk onbenut blijven van de belastingvrije som doordat niet over 52 weken periodeloon wordt ontvangen, zijn inmiddels verdwenen. Er is met ingang van 1990 een speciale loonbelastingtabel gekomen voor werknemers die vakantiebonnen ontvangen. Hiermee zijn de bestaande nadelen weggenomen. De regering en haar adviseurs hebben dan ook te kennen gegeven dat de gronden voor een lagere waardering dan 100% zijn komen te ontbreken. Wat voorheen een nadeel was wordt bij toepassing van de aparte loonbelastingtabel zelfs omgezet in een voordeel als een werknemer geen of te weinig vakantiedagen neemt in een jaar. De voortzetting van de thans als begunstiging aan te merken waardering van vakantiebonnen op 75% van hun nomina-le waarde leidt tot een niet meer te rechtvaardigen ver-schil met de loonheffing van gewoon vakantiegeld dat voor 100% in aanmerking wordt genomen. Dit begunstigende ver-schil is te minder gerechtvaardigd omdat het vakantiebon-nensysteem waarbij verlies en diefstal van de vakantiebon-nen tot de risico's van de werknemer behoorden, inmiddels veelal is vervangen door het rechtenbeheersysteem (RBS). Bij dit "girale" registratiesysteem van vakantie-uitke-ringsaanspraken kunnen verlies en diefstal zich niet meer voordoen.

Feitelijk en rechtens is de positie van belanghebbende met betrekking tot het ontvangen van vakantie-uitkeringen niet anders dan die van de werknemer die gebruik maakt van RBS. Een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het in stand houden van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen ontbreekt. Zo de gevallen toch niet geheel gelijk zijn, moet met betrekking tot de loonheffing van vakantie-bonnen en de loonheffing van vakantie-uitkeringen in geld worden gesproken van een overduidelijke onevenredige ong-elijkheid in behandeling. Ook afgezien van artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politie-ke rechten van 19 december 1966 (hierna: IVBPR) is het gelijkheidsbeginsel te beschouwen als een ongeschreven rechtsregel van elk evenwichtig rechtstelsel, welke recht-regel ook hier tot gelding behoort te worden gebracht.

4.3. Ter zitting heeft belanghebbende nog het volgende toegevoegd:

De zaken betreffende 1996 en 1997 kunnen gevoegd worden behandeld. Voor 1996 gaat het om de loonheffing als eind-heffing; voor 1997 kan wellicht een aanslag inkomstenbelas-ting worden verwacht. Wat het vakantieloon betreft is voor beide jaren het bezwaar en beroep beperkt tot het loon van één dag. Een vakantiebon omvat vakantieloon én vakantietoe-slag. Het aantal werknemers dat gebruik kan maken van de vakantiebonwaardering bedraagt ruim 400.000. Het totale aantal werknemers dat vakantie-uitkeringen geniet beloopt 5 à 6 miljoen. Hiervan komen ongeveer 70.000 in aanmerking voor een aanslag in de inkomstenbelasting. Bij vergelijking moet worden uitgegaan van alle werknemers. Er is een publi-citeitsoffensief ingezet dat erop is gericht toepassing van het gelijkheidsbeginsel buiten de deur te houden.

4.4. De inspecteur neemt - kort weergegeven - het volgende standpunt in:

Bij het uitbetalen van vakantie-uitkeringen en het ver-strekken van vakantiebonnen is niet sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Feitelijk worden de bonnen wekelijks of maandelijks verstrekt en belichamen zij een aanspraak op latere verzilvering bij een fonds; de vakantie-uitkering in geld wordt daarentegen eenmaal per jaar direct uitbetaald. Voor deze twee situaties bestaan twee verschillende wettelijke regimes, een voor loon in geld en een voor niet in geld genoten loon, voor loon in natura. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 1995, BNB 1995/81, komt naar voren dat sprake moet zijn van vergelijkbare regelingen wil het gelijkheidsbeginsel toe-passing kunnen vinden. In casu gaat het om verschillende regelingen voor verschillende gevallen. Zo beziet ook de Hoge Raad de situatie (BNB 1993/21). Van schending van artikel 26 IVBPR is derhalve geen sprake, bovendien niet omdat dit verdragsartikel niet het oog heeft op fiscale regelingen. Het Ministerie van Financiën is voornemens de bijzondere waardering van de vakantiebonnen af te schaffen. Daartoe is reeds eerder de eerste stap gezet: met ingang van 1990 is de waardering verhoogd van 60% naar 75%. Overi-gens is ten opzichte van vakantie-uitkeringen in geld geen sprake van overduidelijke, onevenredige behandeling van ongelijke gevallen. Bij de vakantiebonnen moet de werknemer de belasting over zijn bij verzilvering van de bon te ontvangen vakantie-uitkering voorfinancieren. Hierdoor kan hij door het jaar heen - tijdens de periode van voorfinan-cieren - over minder contant geld beschikken dan de werkne-mers die de belasting over de vakantie-uitkering eerst ten tijde van de uitbetaling behoeven te voldoen. Naast de kosten van voorfinanciering, te stellen op enkele procent-punten, is dit gevolg van de voorfinanciering een niet te verwaarlozen maatschappelijk aspect. Evenals trouwens het verschijnsel van de tijdelijke arbeidsverbanden waarvoor het vakantiebonnensysteem in het leven is geroepen. Ook de budgettaire consequenties van belanghebbendes stelling zijn aanzienlijk: voor de loonheffing gaat het om 5 miljard gulden per jaar en voor de premies werknemersverzekeringen om 2 miljard gulden per jaar. Te dezen is, gelet op een en ander, geen taak weggelegd voor de rechter. Hooggeleerde schrijvers onderstrepen dat hier uitsluitend de wetgever aan het woord behoort te zijn. De invoering per 1 januari 1997 van artikel 45 van de Urlb geeft er blijk van dat de wetgever zijn taak verstaat.

4.5. Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende toegevoegd:

Voor 1997 kan geen sprake zijn van vakantieloon. De uitbe-taling in mei 1997 heeft uitsluitend betrekking op het vakantiegeld. De fysieke vakantiebon komt nog steeds voor in de agrarische sector. De bon omvat vakantieloon en vakantietoeslag. Ook bij het RBS-systeem gaat het om regis-tratie per maand. De waardering van de vakantie-uitkering naar 75% van de nominale waarde geldt voor ongeveer 200.000 werknemers. Het bonnenwaarderingssysteem geldt niet voor het kantoorpersoneel in de betrokken bedrijfstakken. Bij vergelijking dient van alle werknemers te worden uitgegaan. De overgangsregeling van artikel 45 van de Urlb kent welis-waar geen eindtermijn, maar uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat wordt gestreefd naar afschaffing van de bijzondere regeling voor vakantiebonnen. De grote financië-le belangen nopen tot overleg en tot spreiding in de tijd. Oplossingen kunnen langs verschillende wegen worden gevon-den. Het inmiddels geëntameerde overleg moet dit verder uitwijzen.

5. Boordeling van het geschil

5.1. Vaststaat dat de loonheffing van vakantie-uitkeringen in de vorm van een vakantiebon wordt geheven over 75% van de nominale waarde van de aanspraak belichaamd in de vakan-tiebon en dat de loonheffing van vakantie-uitkeringen in de vorm van geld wordt geheven over het nominale bedrag van de uitkering.

Voorts staat vast dat de vakantie-uitkering in de vorm van een vakantiebon in de loonheffing wordt betrokken telkens ten tijde van de uitreiking van de bon bij het periodieke week- of maandloon en wel te zamen met het periodieke loon in één bedrag volgens de daarvoor sedert 1990 in het leven geroepen loonbelastingtabellen waarvan de tabel die, in geval over 20 dagen of meer per jaar loon wordt ontvangen in de vorm van vakantiebonnen, uitgaat van 235 dagen loon in een jaar; en dat de vakantie-uitkering in de vorm van geld voor wat betreft het vakantieloon in de loonheffing wordt betrokken volgens de witte loonbelastingtabel die uitgaat van 260 dagen loon in een jaar en voor wat betreft de vakantietoeslag volgens de witte tabel voor bijzondere beloningen die uitgaat van eenmalige betalingen per jaar.

Ten slotte staat vast dat het systeem van de verstrekking van vakantiebonnen aan werknemers goeddeels heeft plaatsge-maakt voor de toekenning van aanspraken aan werknemers volgens het RBS-systeem, een registratiesysteem van door de werknemer verworven rechten op vakantie-uitkeringen die op bepaalde momenten in een jaar kunnen worden verzilverd.

5.2. Ten aanzien van de onder 5.1. genoemde feiten is in geschil of met betrekking tot de loonheffing van vakantie-uitkeringen in het onderhavige jaar nog een toereikende rechtvaardiging aanwezig is voor een verschil - 75% versus 100% - bij de waardering van de vakantie-uitkeringen, afhankelijk van de wijze waarop de uitkeringen aan een werknemer ter beschikking worden gesteld, nu de gronden voor dit verschil sedert 1990 naar aard en omvang zijn verdwenen, althans zijn gemitigeerd en het arrest van de Hoge Raad van 16 september 1992, BNB 1993/21, betreffende het jaar 1987 in zoverre zijn betekenis heeft verloren.

Buiten geschil is dat in het verleden - vóór 1990 - de werknemer die zijn vakantie-uitkering in de vorm van vakan-tiebonnen ontving door de toenmalige wijze van loonheffing financieel nadeel ten opzichte van de overige werknemers zou hebben ondervonden, indien zijn nadeel niet zou zijn gecompenseerd door de wijze van waarderen van zijn aan-spraak.

5.3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat met de invoering in 1990 van de aparte loonbelastingtabellen voor werknemers die hun vakantie-uitkering in de vorm van ver-zilverbare vakantiebonnen of RBS-rechten ontvangen, de rechtvaardiging voor vorenbedoeld verschil in waardering is komen te vervallen, zulks ofwel omdat met de invoering van die tabel de voorheen bestaande verschillen en het daaruit voor de bedoelde werknemers voortvloeiende financiële nadeel zijn verdwenen, ofwel omdat de voorheen bestaande verschillen en het corresponderende financiële nadeel door de invoering van de aparte loonbelastingtabellen zozeer zijn afgenomen dat met handhaving van het verschil in waardering een overduidelijke, onevenredige ongelijke behandeling van vakantie-uitkeringen is ontstaan.

Een en ander is, naar belanghebbende stelt, in strijd met het in artikel 26 van het IVBPR neergelegde gelijkheidsbe-ginsel. Aan deze stelling verbindt belanghebbende de con-clusie dat de uitbetaling van vakantiegeld en de uitbeta-ling van vakantieloon, evenals nog steeds geschiedt bij de verstrekking van vakantiebonnen, voor slechts 75% van de nominale waarde aan de loonheffing behoren te worden onder-worpen.

5.4. Bij de beoordeling van de stelling van belanghebbende moet worden vooropgesteld dat hij geen inzicht heeft gege-ven in de concrete omvang van het voorheen bestaande finan-ciële nadeel voor de vakantiebon ontvangende werknemer, ook niet in de concrete omvang van de compenserende werking van de waardering beneden nominaal van diens vakantie-uitkering en evenmin in de omvang van de wijziging in een en ander ten gevolge van de wettelijke aanpassingen van de loonhef-fing met ingang van 1990. Daarnaast valt in het oog te houden dat de Wet op de loonbelasting 1964 (de Wet) in artikel 13 een bijzondere regeling kent voor het in aanmer-king nemen van niet in geld genoten loon, onder meer inhou-dende dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de waardering van aan-spraken.

Gelet hierop, stelt belanghebbende in wezen aan de orde de vraag of de ministeriële regeling met betrekking tot de waardering van vakantiebonnen voldoet aan daaraan op grond van het bepaalde in artikel 26 van het IVBPR te stellen eisen, bezien in het licht van de loonheffing van vakantie-uitkeringen in de vorm van geld.

In artikel 10 van de Urlb was in het tweede lid, onderdeel c, tot 1 januari 1997 bepaald dat de regelmatig bij de betaling van het (periodieke) loon verstrekte vakantiebon-nen in afwijking van de regel dat een aanspraak moet worden gewaardeerd op de bedragen die bij een derde (zouden) moeten worden gestort om de aanspraak gedekt te houden, wordt gewaardeerd op 75% van de nominale waarde van die bonnen. Vóór 1990 gold een waardering op 60%. Met ingang van 1 januari 1997 is de afwijkende regeling voor de waar-dering van vakantiebonnen in de tijd gefixeerd en geldt deze afwijkende regeling blijkens artikel 45 van de Urlb nog slechts voor reeds vóór 31 december 1996 bestaande "vakantiebonovereenkomsten".

5.5. Partijen zijn het erover eens dat de wetgever reeds een geruim aantal jaren wordt geconfronteerd met het vraag-stuk van de loonheffing van vakantie-uitkeringen. Langs verschillende wegen is getracht onevenwichtigheden in de loonheffing van vakantie-uitkeringen in de vorm van vakan-tiebonnen terug te dringen. Met ingang van 1990 zijn aparte loonbelastingtabellen voor vakantiebongerechtigde werkne-mers in het leven geroepen en is de waarderingsnorm voor vakantiebonnen opgetrokken van 60% naar 75%. Daarbij heeft de wetgever te kennen gegeven de waarderingsnorm van 75% onevenwichtig te achten ten opzichte van de loonheffing, geldend voor vakantie-uitkeringen in geld, doch heeft hij een waardering op 75% voorshands gehandhaafd ten einde extra loonkosten en inkomenseffecten in de sectoren waarin wordt gewerkt met vakantiebonnen, te voorkomen. Een staps-gewijze verhoging van het percentage - na evaluatie - werd daarbij aangekondigd (Tweede Kamer 1988-1989, 20595, nr.8, memorie van antwoord, blz. 48, respectievelijk nr. 13 nota naar aanleiding van het eindverslag, blz. 58). Vervolgens

is de afwijkende waarderingsregel als overgangsmaatregel met ingang van 1997 beperkt tot bestaande "vakantiebonover-eenkomsten".

Belanghebbende is evenwel van mening dat de wetgever ten onrechte wacht met de afschaffing van de waarderingsnorm voor vakantiebonnen. De inspecteur bestrijdt de opvatting van belanghebbende met erop te wijzen dat "het tijd vergt om ... een instituut dat jarenlang bestaat en in een belangrijke sector van de maatschappij ingang heeft gevon-den ... zodanig bij te stellen dat aan ieders wensen volle-dig is tegemoet gekomen".

5.6.1. Naar het oordeel van het Hof is in de eerste plaats van belang dat het in artikel 26 van het IVBPR verwoorde gelijkheidsbeginsel, dat ook van toepassing is op fiscale regels als de onderhavige, in het algemeen niet in de weg staat aan het treffen van verschillende wettelijke rege-lingen voor verschillende feitelijke situaties zoals de waardering van aanspraken en het moment waarop deze worden genoten versus direct in geld ontvangen loon. Dat te dezen sprake is van feitelijk gelijke situaties heeft belangheb-bende in zoverre niet aannemelijk gemaakt. Het treffen van verschillende wettelijke regelingen voor beide situaties is derhalve in beginsel geoorloofd.

5.6.2. Voor zover belanghebbende zijn standpunt doet steu-nen op de omstandigheid dat artikel 13 van de Wet en de artikelen 10 respectievelijk 45 van de Urlb niet van toe-passing zijn op RBS-rechten omdat deze rechten niet als aanspraak kunnen worden beschouwd, verwerpt het Hof dit standpunt. Immers onder een aanspraak is te verstaan, gelijk de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 16 september 1992, BNB 1993/20, een voorziening krachtens welke aanspraken worden verworven om op een toekomstig tijdstip in het genot te worden gesteld van een of meer uitkeringen waarbij kenmerkend is dat de getroffen voorzie-ning zich ertoe leent dat de werkgever de daaruit voort-vloeiende aanspraken dekt door daarvoor in eigen beheer een fonds op te bouwen of daarvoor stortingen te doen bij derden. Ook de bij derden ondergebrachte RBS-rechten vol-doen aan deze omschrijving.

5.6.3. Bij het geoorloofd treffen van twee verschillende wettelijke regelingen moet wel het ontstaan van een overd-uidelijk onevenredig nadeel in een van beide, overigens financieel en anderszins vergelijkbare situaties voor de betrokkenen - in casu alle vakantie-uitkering genietende werknemers - worden vermeden. Dat sprake zou zijn van een overduidelijk onevenredig financieel nadeel heeft belang-hebbende niet met concrete berekeningen geadstrueerd. Ook door de inspecteur zijn geen concrete berekeningen in geding gebracht. Wel is zijnerzijds toegegeven dat in vergelijking met de situatie vóór 1990 in mindere mate aanleiding bestaat voor een lagere dan nominale waardering van de vakantiebonnen en dat het nog bestaande liquidi-teitsnadeel voor de ontvanger van vakantiebonnen op slechts enkele procentpunten is te stellen. De hiervoor onder 5.5. vermelde aankondiging van de verdere verhoging van het percentage dan van 60% naar 75% geeft daarvan eveneens blijk. Voorts zijn de zich voordoende verschillen - meerde-re loonheffingstabellen; loonheffing al dan niet eindhef-fing - in hun financiële gevolgen complex van aard.

5.6.4. Zo het financiële nadeel voor de werknemer met een vakantie-uitkering in de vorm van geld al als onaanvaard-baar onevenredig zou moeten worden beschouwd, is naar 's Hofs oordeel niettemin thans nog geen plaats voor ingrijpen van de rechter. Waar de wetgever niet aanstonds heeft besloten tot een verdere verhoging dan van 60% naar 75%, heeft hij dat gemotiveerd met een verwijzing naar de grote gevolgen die zulks zou hebben op het terrein van de loonk-osten en inkomenseffecten in de sectoren waarin met vakan-tiebonnen wordt gewerkt, ter rechtvaardiging van het be-sluit om het percentage - na evaluatie - stapsgewijze te verhogen en aldus op termijn te komen tot het (nagenoeg) vermijden van financiële ongelijkheid met betrekking tot de loonheffing van alle vakantie-uitkeringgenietenden. Onder deze omstandigheden is er voor de rechter voorshands geen taak weggelegd om, noodzakelijkerwijs met een zekere ruw-heid, de bestaande wettelijke regelingen op één bepaald punt te amenderen. Een zodanige terughoudendheid van de rechter geldt in het bijzonder ook het door belanghebbende voorgestelde ingrijpen van de rechter, inhoudende dat de waarderingsnorm van artikel 10 respectievelijk 45 van de Urlb voor alle vakantie-uitkering genietende werknemers van toepassing wordt verklaard, zonder de aanwezige verschillen met ontvangers van vakantiebonnen in acht te nemen. Het is, in elk geval onder de zich voordoende omstandigheden, niet aan de rechter een wettelijke regeling met een zoveel omvattend ingrijpen op te rekken tot gevallen waarvoor de regeling niet in het leven is geroepen.

5.7. Van indirecte discriminatie - omdat vakantiebonnen nagenoeg alleen aan mannelijke werknemers zouden worden verstrekt - kan te dezen niet worden gesproken, nog afge-zien van de vraag welk gevolg voor dit geding daaraan zou moeten worden verbonden.

5.8. Het gelijk is mitsdien aan de inspecteur.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur in stand blijft en van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve recht-spraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

De uitspraak is vastgesteld op 7 oktober 1997 door mrs. Dutmer, voorzitter, Schaap en Van der Ouderaa, leden, in tegenwoordigheid van mr. Pechler als griffier. De beslis-sing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR nummer 33848 (red.)]