Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1996:AA4504

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P94/3630
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 25
Wet op de ondernemingsraden 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 1996/244
NJ 1998, 680
JAR 1996, 244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk: P94/3630

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Achtste Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is een beroepschrift ontvangen op 25 juli 1994, dat is aangevuld bij brief met bijlagen van 31 oktober 1994. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 15 juni 1994, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1991.

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van f 100.194,--. Na bezwaar heeft de inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot één berekend naar een belastbaar inkomen van f 99.074,--.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 23 juni 1995 zijn verschenen belanghebbende, vergezeld van A als haar gemachtigde, en de inspecteur. Partijen hebben ieder een pleitnota voorgedragen en deze met een bijlage overgelegd. Het Hof rekent deze stukken tot de gedingstukken. Partijen hebben kennis kunnen nemen van de bijlage bij de pleitnota van de wederpartij en hebben zich daarover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende was in 1991 in loondienst werkzaam als adviseur. De werkgever stelde haar in dat jaar ten behoeve van het verrichten van arbeid een personenauto ter beschikking. De kosten van deze auto kwamen voor rekening van de werkgever. De door de werkgever voor de auto betaalde leaseprijs overschreed het door hem bepaalde maximumbedrag voor werknemrs met een jaarbeloning als die van belanghebbende. Om die reden betaalde zij in 1991 aan de werkgever door middel van een maandelijkse inhouding op haar salaris een bijdrage van f 1.120,-- in de kosten van de auto.

2.2. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag geen voordeel ter zake van de door de werkgever beschikbaar gestelde auto tot het inkomen van belanghebbende gerekend en heeft voorts de bijdrage van belanghebbende in de kosten van deze auto niet op dat inkomen in mindering gebracht.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil

a. of het zogenoemde autokostenforfait toepassing had moeten vinden bij het berekenen van de arbeidsinkomsten van belanghebbende;

b. of, indien dit forfait toepassing mist, de bijdrage in de kosten van de auto die belanghebbende aan haar werkgever heeft betaald als negatief loon in aanmerking kan worden genomen;

c. of, indien van negatief loon geen sprake is, die bijdrage als beroepskosten in aftrek kan worden toegelaten.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.2. Ter zitting heeft belanghebbende nog het volgende aan haar stellingen toegevoegd.

De onderhavige auto was in 1990 ook al bij mij in gebruik. Ten aanzien van dat jaar heb ik op verzoek van de inspecteur de kilometer-administratie overgelegd. De forfaitaire bijtelling wegens privégebruik van de auto is toen achterwege gebleven en de eigen bijdrage in de kosten van de auto is tot de aftrekbare kosten gerekend.

Voor 1991 heeft de inspecteur niet naar de kilometer-administratie gevraagd. Aan de hand van mijn agenda kan ik de juistheid ervan aantonen. Ik heb in dat jaar slechts twee weken vakantie opgenomen.

De resolutie BNB 1992/362 is in beroep niet meer aan de orde.

4.3. De inspecteur heeft ter zitting nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd.

Voor het jaar 1990 is de kilometer-administratie van belanghebbende aanvaard en is de eigen bijdrage tot de beroepskosten gerekend. Abusievelijk is die administratie voor 1991 niet opgevraagd. Dit verzuim kan niet leiden tot navordering, aangezien een nieuw feit ontbreekt. Niettemin had de forfaitaire bijtelling moeten plaatsvinden. Indien moet worden aangenomen dat belanghebbende geen privékilometers met de auto heeft gereden zijn er geen inkomsten in natura en is er dus ook geen besparing.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Aangezien de onderhavige personenauto door de werkgever in verband met het verrichten van arbeid aan belanghebbende ter beschikking is gesteld, dient het op de voet van artikel 42, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 te bepalen bedrag tot haar looninkomsten te worden gerekend. Op grond van het vijfde lid van dat artikel is het derde lid evenwel niet van toepassing indien blijkt, dat de auto op jaarbasis minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. Belanghebbende stelt dat deze uitzondering zich hier voordoet omdat de auto uitsluitend voor zakelijke doeleinden en voor woon-werkverkeer wordt gebruikt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij een kilometer-administratie overgelegd. Het Hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de stelling van belanghebbende te twijfelen en acht haar geslaagd in het door haar op dit punt te leveren bewijs. Dit geldt temeer omdat de inspecteur die stelling ten aanzien van 1990 heeft aanvaard na inzage van de voor dat jaar opgemaakte kilometeradministratie, en onaannemelijk is dat de wijze van gebruik van de auto ten opzichte van 1990 zou zijn gewijzigd. Met betrekking tot het eerste geschilpunt is dus het gelijk aan belanghebbende.

5.2. De door belanghebbende in 1991 aan de werkgever betaalde bijdrage van f 1.120,-- in de kosten van de haar ter beschikking gestelde auto hield uitsluitend verband met het feit, dat de leaseprijs van die auto hoger was dan het door de werkgever bepaalde maximumbedrag voor werknemers met een jaarbeloning als die van belanghebbende. Enig verband tussen de hoogte van de bijdrage en de omvang van het eventuele privégebruik van de auto door belanghebbende was niet aanwezig. Hieruit vloeit voort dat die bijdrage niet stond tegenover een door belanghebbende genoten beloning in natura, bestaande uit privégebruik van de auto. Onder deze omstandigheden dient de bijdrage van belanghebbende voor het gehele bedrag te worden aangemerkt als een negatieve inkomste uit arbeid. Aangezien zij de auto in 1991 niet voor privédoeleinden heeft gebruikt behoeft voorts geen door haar ter zake van zodanig gebruik genoten voordeel in aanmerking te worden genomen. Het genot van een duurdere auto dan de werkgever uit zakelijk oogpunt wenselijk achtte is niet in de persoonlijke sfeer genoten en kan om die reden niet als een belastbaar voordeel worden aangemerkt.

5.3. Ook met betrekking tot het tweede geschilpunt is dus het gelijk aan belanghebbende. Het derde geschilpunt behoeft niet meer te worden besproken.

6. Proceskosten

Nu het gelijk aan belanghebbende is zal het Hof, gelet op het bepaalde in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, de inspecteur veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij dat besluit opgenomen tarief op 1 (verschijnen mondelinge behandeling) x f 710,-- x 0,25 (wegingsfactor) = f 177,50.

7. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 99.074,--,

- veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte kosten van het geding tot een bedrag van f 177,50 en gelast de Staat dit bedrag aan belanghebbende te vergoeden en

- gelast de inspecteur het gestorte griffierecht van f 75,-- aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 25 oktober 1996 door Mr. Onnes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van Mr. Polman als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Voornoemd lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR nummer 32842 (red.)]