Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1996:AA4495

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P95/3774
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Amsterdam

kenmerk: P95/3774

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is een beroepschrift ontvangen op 15 september 1995, ingediend door mr M., als zijn gemachtigde en gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 18 augustus 1995, op het bezwaar tegen de aan hem met dagtekening 30 juni 1994 opgelegde aanslag in de inkomsten- belasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1992.

De aan belanghebbende opgelegde aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van f 77.377,= en is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot één berekend naar een belastbaar inkomen van negatief f 8.297,=. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 4 juli 1996 zijn verschenen belanghebbende en mr M voornoemd, alsmede mr P., namens de inspecteur.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en met twee bijlagen (aangeduid als BIJLAGE 3A en BIJLAGE 3B) overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. Van de overgelegde stukken heeft de inspecteur kennis kunnen nemen en hij heeft zich erover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft op 28 juni 1991 het pand

a straat 1 te Z in vrije staat gekocht voor

f 400.000,= kosten koper en in eigendom verworven met het oogmerk het geheel als eigen woning te gaan gebruiken. Het pand, een in de 17e eeuw gebouwd woonhuis, staat ingeschreven in het monumentenregister. Het heeft vier verdiepingen en een zolder, één toegangsdeur en één trappenhuis. Belanghebbende is op 28 juni 1991 naar het pand verhuisd en is er tijdens na te noemen bouwkundige werkzaamheden blijven wonen.

2.2. Het pand werd door de vorige eigenaar gedeeltelijk als eigen woning gebruikt en gedeeltelijk, en wel per verdieping, verhuurd. De begane grond omvatte twee kamers, waarvan er één was ontstaan door overkapping van een binnenplaats, een keuken en een badkamer met toilet en ligbad. De eerste verdieping omvatte twee kamers en een keuken met een douche. In de achterkamer bevond zich een wastafel. De tweede verdieping omvatte een kamer, een keuken met douche, en een toilet. De derde verdieping had een kamer, een keuken met wasgelegenheid en een toilet. Op de zolder stond een keukenblok. Iedere verdieping had een afsluitbare toegangsdeur en een eigen electra-groepenkast.

2.3. Belanghebbende heeft in 1991 en 1992 de volgende bouwkundige veranderingen aangebracht in het pand.

Op de begane grond is de tochtdeur in de hal vernieuwd en ongeveer 6 centimeter naar achteren verplaatst; is de scheidingswand tussen de hal en de kamer vanaf de tochtdeur weggebroken, zodat een deel van de hal en kamer één ruimte zijn gaan vormen; zijn daarin twee steunpilaren aangebracht; is de overkapping van de binnenplaats verwijderd, zodat weer een open binnenplaats is ontstaan; zijn het bad en de keukeninrichting verwijderd.

Op de eerste verdieping zijn het toilet, de wastafel en de deur naar het trappenhuis verwijderd, evenals de tussenwand die voor- en achterkamer scheidde, zodat één grote kamer is ontstaan; is de keuken aldaar gehandhaafd;

Op de tweede, derde en zolder verdieping zijn geen wijzigingen aangebracht, behalve de verwijdering van het keukenblok van de zolder.

Voorts heeft belanghebbende kosten gemaakt voor het

vernieuwen van de achtergevelkozijnen, schilderwerk aan de ramenpartij, aftimmering van het benedenkozijn, stucwerk aan het plafond in de hal, betengelen van wanden op de eerste verdieping, herstel van het plafond op de eerste verdieping, verwijdering van de vloer op de begane grond en storten van een betonvloer, sloopwerk van leidingen op de begane grond en van betimmering in de keuken, plafonds, sanitair en rioleringsbetimmering, vervanging van het toilet op de begane grond en binnenschilderswerkzaamheden. De electrische voorzieningen in het pand zijn geheel vernieuwd; er is nu één groepenkast aangebracht.

2.4. De veranderingen die belanghebbende nog overweegt aan te brengen zijn de volgende: op de begane grond wordt een keuken geplaatst, de achterkamer op de tweede verdieping wordt een logeerkamer, de sanitaire voorzieningen op de derde verdieping worden vernieuwd en op de vierde verdieping wordt een douche geïnstalleerd en of een atelier of logeerkamer ingericht.

2.5. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1992 een bedrag van

f 90.677,= aan onderhoudskosten opgevoerd. De inspecteur heeft deze kosten niet in aftrek op het inkomen toegelaten. Voor verbeteringen aan het pand gaf belanghebbende tot nu toe ongeveer f 65.000,= uit. In de aangifte 1991 vermeldde belanghebbende een bedrag van f 4.526,60 als onderhoudskosten maar dat bedrag bleef beneden de drempel voor aftrek.

3. Geschil en standpunten van partijen

In geschil is de vraag of belanghebbende aftrekbare kosten van onderhoud van een monumentenwoning heeft gemaakt, zoals hij stelt, dan wel kosten tot stichting van een nieuwe bron van inkomen, zoals de inspecteur verdedigt. Voor de standpunten van partijen wordt overigens verwezen naar de gedingstukken en de pleitnota.

Ter zitting heeft belanghebbende nog verklaard dat hij geschaad is door het alsnog innemen van de na te noemen subsidiaire stellingname van de inspecteur. Hij verklaarde voorts dat de scheidingswand tussen de hal en de kamer op de begane grond ongeveer 1,40 meter hoog was en dat daarboven een open verbinding was.

De inspecteur heeft ter zitting nog verklaard dat hij subsidiair verdedigt dat belanghebbende zijn uitgaven niet juist heeft verdeeld over de categorieen onderhoudskosten en verbeteringsuitgaven. De ter zitting namens de inspecteur verschenen ambtenaar heeft de stelling eerst bij de mondeling behandeling van de zaak betrokken omdat hij het dossier niet eerder heeft kunnen inzien.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof is van oordeel dat het onderwerpelijke pand, gelet op zijn inrichting, geschikt is om in zijn geheel als één woonhuis te worden bewoond door een gezin, met de mogelijkheid van verhuur van kamers of verdiepingen. Belanghebbende heeft in dat pand in 1991 en 1992 bouwkundige veranderingen aangebracht die de inspecteur heeft aangemerkt als het stichten van een nieuwe bron. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 13 april 1994, BNB 1994/168 heeft overwogen, behoeft de verandering van een pand dat voor een deel in gebruik is voor kamerverhuur en voor een ander deel voor eigen bewoning in een eengezinswoning niet zo ingrijpend te zijn dat de daaraan verbonden kosten niet ten dele kunnen worden beschouwd als onderhoudskosten en ten dele als kosten van verbetering, maar uitsluitend als kosten voor het tot stand brengen van een nieuwe woning.

4.2. Het Hof is van oordeel dat de werkzaamheden die belanghebbende heeft doen verrichten naar haar aard en bedoeling niet zodanig ingrijpend zijn geweest dat gesproken moet worden van een radicale vernieuwing. De bouwkundige veranderingen op de begane grond zijn nauwelijks, en die op de eerste verdieping zijn niet ingrijpend te noemen. De inrichting van de begane grond en van de eerste verdieping is niet wezenlijk veranderd. Een groot deel van het pand, te weten de tweede, derde en vierde verdieping, is niet of nauwelijks in de verbouwing betrokken geweest. Met betrekking tot het gebruik kan evenmin van een wezenlijke verandering worden gesproken. Het pand fungeerde voor de werkzaamheden als woonruimte en is na de werkzaamheden een woning gebleven. Ook naar de omvang heeft het pand geen wezenlijke verandering ondergaan. Hieraan doet niet af dat de overkapping van de binnenplaats is verwijderd, zodat deze plaats niet meer als kamer kon worden gebruikt. Het oordeel dat geen sprake is van ingrijpende bouwkundige werkzaamheden acht het Hof nog bevestigd door het feit dat het pand tijdens deze werkzaamheden bewoond is geweest. Het Hof komt tot de slotsom dat de verrichte werkzaamheden er vooral toe hebben gestrekt om het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen en aldus de ingetreden achteruitgang op te heffen.

4.3. Het Hof laat de subsidiaire, eerst tijdens de mondeling behandeling van de zaak geproduceerde, stelling van de inspecteur dat belanghebbende een onjuiste verdeling tussen kosten van verbetering en onderhoudskosten heeft gemaakt, als zijnde tardief ingebracht buiten beschouwing. De inspecteur had deze stelling eerder kunnen en moeten betrekken. Zijn stelling vraagt om een nader feitelijk onderzoek, met name dient daarvoor alsnog een specificatie van de kosten te worden geproduceerd en door partijen te worden toegelicht. De klacht van belanghebbende dat de inspecteur aldus doende zijn processuele positie en tevens een doelmatige procesgang schaadt, treft doel. De inspecteur heeft geen zakelijke reden aangevoerd voor het eerst ter zitting betrekken van deze stellingname.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2 (proceshandelingen) x f 710,= (waarde per punt) x 2 (wegingsfactor), ofwel f 2.840,=

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de uitspraak van de inspecteur, vermindert de aanslag tot één berekend naar een belastbaar inkomen van nihil, gelast de inspecteur aan belanghebbende het gestorte griffierecht van f 75,= te vergoeden, en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat aan deze kosten tot een bedrag van f 2.840,= aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op door mrs Van Ballegooijen, Boersma en Wolt, in tegenwoordigheid van mr Pechler, gerechtsauditeur, en mr Brands als griffier. De beslissing is ter openbare zitting op die datum uitgesproken.

De voorzitter van de kamer verleent machtiging tot publicatie van de uitspraak door de griffier in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR nummer 32756 (red.)]