Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1996:AA4349

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-11-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P95/3987
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Amsterdam

kenmerk P95/3987

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is een beroepschrift ontvangen op 2 oktober 1995 gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 23 augustus 1995 betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994.

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van f 45.511 en is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 42.196.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 22 oktober 1996 zijn verschenen belanghebbende en zijn echtgenote, tot bijstand vergezeld van A (Directeur van B), alsmede de inspecteur.

Belanghebbende heeft ter zitting een schriftelijke verklaring doen overleggen van voornoemde A, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. De inspecteur heeft ervan kunnen kennisnemen en hij heeft zich erover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1945, is gehuwd met X-Y. Hij was in 1994 als beheerder/plaatsvervangend bedrijfsleider werkzaam bij C, waar zijn loon

f 64.995 (bruto) bedroeg.

2.2. Belanghebbende en zijn echtgenote hadden in 1994 al enige jaren in het kader van een studentenuitwisselingsprogramma steeds 16 tot 18 jarige kinderen uit een Zuid-Amerikaans land in hun gezin opgenomen. Het betrof doorgaans een verblijf van ongeveer elf maanden.

2.3. In 1994 waren D, geboren 17 mei 1976, afkomstig uit Equador, en E, geboren 17 september 1976, afkomstig uit Puerto Rico, in het gezin van belanghebbende opgenomen.

Hun verblijf vond plaats in het kader van een uitwisselingsprogramma voor jongeren tussen 15 en 25 jaar van de vereniging B te F (verder: B).

2.4. B is een door de Inspecteur der registratie en successie aangewezen -zogenoemde algemeen maatschappelijk belang dienende- instelling als bedoeld in artikel 24, lid 4, van de Successiewet 1956.

2.5. Tot de stukken van het geding behoort een (onder 1. vermelde) schriftelijke verklaring van A, directeur van B, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

* B voert uitwisselingsprogramma's uit voor jongeren tussen de 15 en 25 jaar.

* Doel van deze programma's is het bewerkstelligen van op het individu gericht interculturele leerervaringen.

* (...) Deze jongeren worden door B ondergebracht bij gastgezinnen.

* De gastgezinnen worden geacht gedurende dit jaar de jongeren kost en inwoning te bieden alsmede de opvoedende taken en de dagelijkse zorg van de natuurlijke ouders over te nemen.

* Gastouders worden geacht op te treden als ouders, in de breedste zin van het woord, regels te stellen en te handhaven. De natuurlijke ouders wordt sterk afgeraden om, gedurende dit jaar, ongevraagd, opvoedende taken te vervullen of inzake hun houding of gedrag regels te stellen aan de studenten of de gastouders.

* Hoewel de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor deelnemers aan ons ontvangend programma berust bij, zijn de gastouders belast met de dagelijkse zorg en opvoeding.

* Gastouders zijn gedurende het jaar dat zij optreden als gastgezin, automatisch lid van de vereniging.

2.6. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur het belastbaar inkomen als volgt berekend:

- aangegeven belastbaar inkomen f 38.286

- kosten levensonderhoud pleegkinderen

(D en E, verblijf in 1994) f 3.315

- kosten levensonderhoud pleegkinderen

(G en H, verblijf in 1992) f 3.110

- drempel overige buitengewone lasten f 800

- vastgesteld belastbaar inkomen f 45.511

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de door belanghebbende gemaakte kosten in verband met het verblijf in zijn gezin in 1994 van D en E als uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van pleegkinderen moeten worden aangemerkt.

Voorts heeft belanghebbende een beroep gedaan op toepassing van het gelijkheidsbeginsel en van het vertrouwensbeginsel.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Het standpunt van de inspecteur komt er -kort gezegd- op neer dat een kind dat in het kader van een uitwisselingsprogramma gedurende een beperkte tijd in Nederland in een gastgezin is geplaatst niet als een pleegkind kan worden aangemerkt, aangezien de ouders, die als eerste verantwoordelijk blijven voor de opvoeding van hun kind, te allen tijde kunnen ingrijpen en het verblijf in het gastgezin op ieder tijdstip kunnen beëindigen. Ook gezien het tijdelijk karakter van het verblijf wordt niet voldaan aan de opvoedingseis.

Met betrekking tot de toepassing van het gelijkheidsbeginsel heeft belanghebbende -naar het Hof begrijpt- gesteld dat, nu de inspecteurs van de Belastingdienst Ondernemingen P en van de Belastingdienst Particulieren P in dezelfde plaats en zelfs hetzelfde kantoorgebouw gevestigd zijn, en zij voor de toepassing van artikel 46 van de Wet in het zelfde ambsgebied bevoegd zijn, de wijze waarop hij door de inspecteur te dezen behandeld is ook mag vergelijken met de handelwijze van de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen P met betrekking tot toepassing van artikel 46 van de Wet.

Voornoemde directeur van B, A, heeft ter zitting nog medegedeeld dat naar zijn weten de afgelopen tien jaren heel veel gastouders de buitengewone lastenaftrek hebben gekregen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Op grond van artikel 46, lid 1, onderdeel a, sub 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (verder: de Wet) zijn -voorzover hier van belang- buitengewone lasten de op de belastingplichtige drukkende uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van pleegkinderen die jonger dan 27 jaar zijn, mits die kinderen in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden.

5.2. Tussen partijen is in geschil of D en E pleegkinderen waren in de zin van voornoemd wetsartikel.

In de Wet is evenwel geen omschrijving van het begrip pleegkind gegeven. Het Hof zal voor de uitleg van dit begrip te rade gaan bij:

- het vóór 1 januari 1980 voor de kinderaftrekregeling (artikel 56, lid 3 (oud), van de Wet) bestaande begrip pleegkind waar sprake was van een pleegkind indien het kind werd onderhouden en opgevoed als was het een eigen kind.

- artikel 19, lid 2, van de Successiewet 1956 waarvoor zover hier van belang- als pleegkinderen worden aangemerkt zij die (vóór hun een en twintigste jaar) door de pleegouder als een eigen kind zijn onderhouden en opgevoed.

- Burgerlijk wetboek, Boek 1, artikelen 247 en 248 betreffende onder meer degene die een kind verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over dat kind toekomt. Onder verzorging en opvoeding worden -ingevolge voornoemd artikel 247, lid 2- mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.

5.3. Het vorenstaande in aanmerking nemend is naar het oordeel van het Hof voor de toepassing van artikel 46, lid 1, onderdeel a, sub 1, van de Wet in ieder geval sprake van een pleegkind indien dat kind wordt verzorgd en opgevoed als was het een eigen kind. Daarbij dient beoordeeld te worden of de pleegouder -alleen of te zamen met een ander- de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind draagt en de ontwikkeling van diens persoonlijkheid bevordert. Naar 's Hofs oordeel kan te dezen van opvoeden eerst sprake zijn indien de relatie tussen pleegouder en pleegkind in voldoende mate duurzaam is. Een verblijf met een kortstondig karakter doet in het algemeen geen opvoedingsrelatie ontstaan. Anderzins is én blijft een pleegkind dat, zoals een eigen kind, in voldoende mate duurzaam door een ouder is verzorgd en opgevoed, een pleegkind in de zin van de Wet.

5.4. In onderhavig geval staat vast dat de betreffende kinderen ongeveer elf maanden in belanghebbendes gezin verbleven.

Het Hof acht aannemelijk dat in casu een relatie tussen belanghebbende en de kinderen is ontstaan die in voldoende duurzaam was. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aannemelijk gemaakt dat hij

-hoofdzakelijk te zamen met zijn echtgenote- de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van de -in casu minderjarige of nauwelijks meerderjarige- kinderen droeg, en dat hij hun persoonlijkheidsontwikkeling heeft bevorderd, een en ander op een wijze als waren het zijn eigen kinderen. Hij heeft mitsdien de kinderen verzorgd en opgevoed als waren het eigen kinderen. De kinderen kunnen mitsdien als pleegkinderen worden aangemerkt.

Daaraan doet niet af dat ook de eigen ouders van de kinderen vanuit hun vaderland wellicht nog enige invloed op verzorging en opvoeding hadden, en dat ze -in omstandigheden- het verblijf van hun kind in Nederland konden beëindigen. Evenmin doet daaraan af dat B het verblijf van de kinderen in Nederland begeleide en superviseerde, mede nu belanghebbende lid van die vereniging was.

5.5. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de betreffende kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden.

Op grond van artikel 46, lid 2, van de Wet in verbinding met artikel 9, lid 1, van de Uitvoeringregeling inkomstenbelasting 1990 kunnen de kosten van zodanig onderhoud dan in aanmerking worden genomen tot een bedrag van f 880 per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar is, en f 675 per kalenderkwartaal indien het kind ouder is dan 18 jaar. Zulks leidt tot een aftrek wegens onderhoudkosten voor D van f 1.760 en voor E f 1.555, te zamen f 3.315.

5.6. Belanghebbende heeft het Hof nog verzocht om te verklaren dat de door hem bij de aangifte voor het onderhavige jaar in aftrek gebrachte kosten van levensonderhoud ad f 3.110 voor G en H, die in 1992 in zijn gezin verbleven, welke kosten door de inspecteur werden gecorrigeerd en welke correctie door hem niet wordt bestreden, alsnog in 1992 in mindering op het inkomen over dat jaar mogen worden gebracht.

Het Hof heeft evenwel niet de bevoegdheid over een niet in het geding betrokken belastingjaar een de inspecteur bindend oordeel te geven.

5.7. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk aan belanghebbende. Het belastbaar inkomen moet nader worden berekend op

(f 45.511 min f 3.315 is) f 42.196.

De overige stellingen van belanghebbende behoeven geen behandeling meer.

6.Proceskosten

Nu belanghebbende in het gelijk wordt gesteld, acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Met inachtneming van het Besluit proceskosten fiscale procedures wordt het bedrag van de proceskosten gesteld op f 30 voor reiskosten, en op f 150 voor drie uren verletkosten, te zamen f 180.

7. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur,

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 42.196,

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van f 180 aan proceskosten en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te vergoeden,

- gelast de inspecteur het griffierecht ad f 75 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 22 november 1996 door mr. Kwantes, in tegenwoordigheid van A. Boon als griffier.

De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het lid van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR nummer 33131 (red.)]