Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1996:AA4341

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P94/5710
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk: P94/5710

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X B.V., belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst Directie ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 9 december 1994, ingediend door M als gemachtigde van belanghebbende en aangevuld bij schrijven van 10 maart 1995.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 25 oktober 1993, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1984.

De aanslag werd berekend naar een belastbaar bedrag van f 13.591.488. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van nihil.

1.2. De inspecteur heeft op 21 juni 1995 een vertoogschrift met zes bijlagen ingediend en concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van het beroep en subsidiair tot bevestiging van de bestreden uitspraak op nader aan te geven gronden.

1.3. Ter zitting van de Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer van 29 augustus 1995 zijn verschenen M en de inspecteur.

M heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inspecteur heeft daarvan kennis kunnen nemen en heeft daarop kunnen reageren.

1.4. Bij schrijven van 26 september 1995 heeft M een kopie van een brief van D d.d. 26 september 1995 in het geding gebracht.

1.5. Van de inspecteur is een schrijven van 29 september 1995 met drie bijlagen ontvangen.

1.6. M heeft een brief van 8 januari 1996 met twee bijlagen ingezonden als reactie op de onder 1.5. vermelde brief van de inspecteur.

1.7. Bij schrijven van 19 januari 1996 met een bijlage reageert de inspecteur op de onder 1.6. vermelde brief.

1.8. Op 12 februari 1996 is een brief van die datum met twee bijlagen van de inspecteur ontvangen.

1.9. D.d. 16 februari 1996 zendt de inspecteur een brief met een bijlage in.

1.10. Bij brief van 8 november 1996, vergezeld van afschriften van de hiervoor onder 1.4. t/m 1.9. vermelde stukken, heeft de griffier meegedeeld dat de zaak is verwezen naar behandeling in de meervoudige kamer.

1.11. Ter zitting van de Derde Meervoudige Belastingkamer van 4 december 1996 zijn verschenen M, alsmede de inspecteur.

M heeft aldaar overgelegd een afschrift van het bezwaarschrift d.d. 8 februari 1988 van N (N B.V.) en voorts:

1.12. een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) te Q per 10 februari 1993 en een uittreksel uit het Handelsregister van de KvK voor W en omstreken d.d. 23 maart 1993.

1.13. Bij schrijven van 5 december 1996 met bijlagen genummerd 1a, 1b, 1c, 2, 3a en 3b heeft de inspecteur gereageerd op het verhandelde ter zitting van 4 december 1996.

1.14. Tot de gedingstukken behoort een schrijven van 6 december 1996 van de griffier aan de inspecteur, in afschrift toegezonden aan M Op 11 december 1996 is een afschrift van het onder 1.13. vermelde schrijven aan M toegezonden.

1.15. Bij schrijven van 31 december 1996 reageert M op het onder 1.13. vermelde schrijven van de inspecteur. Afschrift van deze reactie is op 2 januari 1997 aan de inspecteur gezonden.

1.16. Ter zitting van 26 februari 1996 zijn verschenen M en de inspecteur, vergezeld van E en L.

De inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en met negen - tevoren aan het Hof en aan M toegezonden - bijlagen overgelegd. M heeft daarvan kennis kunnen nemen en heeft zich erover kunnen uitlaten.

Ter zitting van 26 februari 1997 heeft het Hof zich ervan vergewist dat beide partijen van alle bovenvermelde stukken op de hoogte zijn en zich daarover hebben kunnen uitlaten.

Alle vermelde stukken worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Aan X B.V. is met dagtekening 30 januari 1988 de onderwerpelijke aanslag vennootschapsbelasting 1984 opgelegd. Daarbij is het aangegeven bedrag van negatief f 136.727 verhoogd met een bedrag van f 13.728.215 dat in de aangifte als vervangingsreserve was opgenomen.

2.2. Bij schrijven van 8 februari 1988, door de inspecteur ontvangen op 10 februari 1988, maakt N (N B.V. te S) 'namens cliënt formeel bezwaar' tegen voormelde aanslag, onder toevoeging: 'Wij verzoeken u, zoals reeds afgesproken met K ons uit te nodigen voor een gesprek met de taxateurs teneinde overeenkomstig te bereiken over het belastbaar bedrag 1984.'

2.3. Bij schrijven van 24 mei 1988 aan de Inspecteur Vennootschapsbelasting inzake de aanslag vennootschapsbelasting 1984 van X B.V. - bijlage bij pleitnota 1.16. - verzoekt N 'de termijn tot behandeling van de in de aanhef genoemde aanslag, in overleg met K van uw inspecteur te willen verlengen tot tenminste 31-8-1988. Namens ons heeft C reeds een afspraak gemaakt voor mondeling overleg met genoemde K op 23 juni 1988.'

Op 23 juni 1988 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen voornoemde C en K. Op 29 juni 1988 heeft C nadere stukken inzake X B.V. aan de inspecteur toegezonden (zie pleitnota 1.16.)

2.4. C schrijft op 21 september 1988 aan X B.V., t.a.v. I, - bijlage 1b. bij 1.13.- inzake onder meer perikelen rond een tussen X en 'T' gesloten leningovereenkomst. Een afschrift van die brief is door C op 22 september 1988 gezonden aan N B.V.

2.5. C schrijft d.d. 4 oktober 1988 een brief aan de Inspecteur vennootschapsbelasting te P, t.a.v. K - bijlage 1c. bij 1.13. -, waarin hij een op 28 september 1988 gevoerd telefonisch onderhoud inzake de aangifte vennootschapsbelasting 1984 van X B.V. bevestigt. C schrijft dat hij, onder aanname van de juistheid van bepaalde feiten, met K is overeengekomen dat het bedrag van f 13.728.215 aan de vervangingsreserve mag worden toegevoegd.

De brief is door K niet voor akkoord getekend.

2.6. Bij schrijven van 14 november 1990 schrijft C aan de Belastingdienst Inspectie vennootschapsbelasting P - bijlage 1a. bij 1.13. -:

'Betreft: Aanslag vennootschapsbelasting 1984 ten name van X BV (..) Hierbij maken wij namens belanghebbende ter bewaring van rechten bezwaar tegen bovengenoemde aanslag. (..) Wij vragen u dan ook de aanslag nader te motiveren.'

2.7. Bij aangetekende brief van 20 mei 1992 aan M schrijft C:

'Betreft T B.V./X B.V.

Geachte M,

In aansluiting op onze bespreking d.d. 19 mei jl. bevestig ik u hierbij dat ik mij, ingevolge een verzoek van opgemelde vennootschappen bij monde van I, met ingang van 19 mei 1992 zal onthouden van iedere activiteit ten behoeve van T B.V., X B.V. en A B.V. Wij spraken af dat de bezwaar- en beroepsprocedure(s) tegen de opgelegde (navorderings-)aanslagen door u verder ter hand zullen worden genomen.'

Een afschrift van dit schrijven zond C op 20 mei 1992 aangetekend aan 'O BV/T t.a.v. I.'

Aanleiding tot de bespreking van 19 mei 1992 was een op 15 mei 1992 door de FIOD bij C ingesteld onderzoek.

2.8. Op 16 oktober 1990 had C beroepschriften ingediend (kenmerk 90/5475 en 90/5476) tegen navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting 1985 en 1986 opgelegd aan V B.V. (hierna: V). Het geschil betrof de opheffing van een in 1984 door V gevormde vervangingsreserve.

De eerste zitting vond plaats op 13 augustus 1992, alwaar M als gemachtigde van V verscheen. Een laatste (vierde) zitting vond plaats op 26 oktober 1993, alwaar I als getuige is gehoord.

Bij de behandeling van deze procedures bleek dat V en X B.V. beide betrokken waren bij de verkoop van de economische eigendom van onroerende zaken in 1984 en dat zij beide op vergelijkbare wijze een vervangingsreserve hadden gevormd. Tevens bleek dat de inspecteur de aanslag vennootschapsbelasting 1984 van X B.V. op dat punt had gecorrigeerd, dat daartegen bezwaar was gemaakt en dat daarop, hoewel inmiddels reeds zeer lange tijd was verstreken, nog geen uitspraak was gedaan.

De voorzitter van de Derde Meervoudige Belastingkamer heeft daarop de inspecteur gemaand die uitspraak op korte termijn te doen, opdat ook X B.V. haar bezwaren tegen de opheffing van die vervangingsreserve aan het Hof zou kunnen voorleggen.

2.9. Met dagtekening 25 oktober 1993 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar van X B.V. tegen de onderhavige aanslag.

De uitspraak is op die datum gezonden aan C. Een afschrift is gezonden aan het Gerechtshof te Amsterdam.

2.10. In een vergadering van aandeelhouders van X B.V., gehouden op 18 mei 1993, is besloten tot liquidatie van X B.V. en is O B.V., waarvan I bestuurder is, als vereffenaar aangewezen (zie brief M d.d. 6 februari 1996, bijlage bij 1.8.).

2.11. C zendt de uitspraak aan de inspecteur terug bij schrijven van 28 oktober 1993 - bijlage bij 1.2. - onder mededeling dat hij, sinds het aantreden van M als gemachtigde bij V, niet als gemachtigde van X B.V. en andere in de uitspraak genoemde vennootschappen fungeert. Naar C aanneemt treedt M ook als gemachtigde van de door de inspecteur genoemde vennootschappen op.

C zendt een kopie van dit schrijven naar O B.V. t.a.v. I.

2.12. Bij schrijven van 29 oktober 1993 zendt de inspecteur de uitspraak aan M (bijlage bij 1.2.).

Bij schrijven van 25 april 1994 zendt M de toegezonden stukken retour onder mededeling dat X B.V. hem niet gemachtigd heeft inzake de kwestie rond de aanslag vennootschapsbelasting 1984 (bijlage bij 1.2.).

2.13. De inspecteur heeft een kopie van de uitspraak tevens gezonden aan O, p/a I, U-straat 1, 9999 AA U.

Bij een eindcontrole bij X B.V., ingesteld door L, is deze kopie in de administratie van X B.V. aangetroffen, alsmede een kopie van een begeleidend handgeschreven briefje, luidend: 'toezending uitspraak bezwaarschrift inzake X'.

Tevens is aldaar aangetroffen de aan het slot van 2.11. genoemde kopie, toegezonden door C.

Deze stukken zijn door de inspecteur in het geding gebracht nadat het Hof ter zitting van 4 december 1996, bevestigd bij schrijven van 6 december 1996, de inspecteur had gemachtigd nadere inlichtingen in te winnen of onderzoek te verrichten teneinde bewijs bij te brengen voor de stelling dat de uitspraak op het bezwaarschrift en/of de toelichting daarop is ontvangen door X B.V.

2.14. Met ingang van 1 januari 1987 is J Ltd. benoemd tot directrice van X B.V. Directeur van J Ltd, is F, werknemer van H Ltd. F gaf jaarlijks een 'power of attorney' aan I.

I tekende onder meer namens J Ltd. op 28 okotober 1987 de aangifte vennootschapsbelasting 1986 van X B.V. Ook de aangifte vennootschapsbelasting 1994 was door I ondertekend.

2.15. I is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch strafrechtelijk veroordeeld als feitelijk leidinggevende van X B.V. in de jaren 1984 t/m 1988.

M trad in die procedure op als advocaat van I. Ter zitting van 2 november 1994 voor de rechtbank te Breda is de aanslag vennootschapsbelasting 1984 van X B.V. ter sprake gekomen en heeft de inspecteur meegedeeld dat die uitspraak reeds in oktober 1993 was gedaan.

Daarop heeft M op 9 december 1994 het onderwerpelijke beroep ingesteld.

2.16. De ontvanger heeft in 1990 beslag gelegd op de onroerende zaak B-straat 1 te R, waarvan X B.V. juridisch eigenaar is.

Inzake de rechtmatigheid van dit beslag is een civiele procedure gevoerd die heeft geleid tot Hoge Raad 22 septemebr 1995, nr. 15754 (opgenomen in NJ 1996, 706).

3. Geschil

Tussen partijen is primair in geschil of het beroep tijdig is ingesteld.

4. Standpunten van partijen

Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

Tijdens de zittingen is daaraan toegevoegd, zakelijk weergegeven:

4.1. door M:

4.1.1. (zitting 29 augustus 1995:)

Het cassatieberoep in de procedure inzake de navorderings-aanslag vennootschapsbelasting 1985 van V is niet doorgezet in verband met het ontbreken van een materieel belang.

4.1.2. (zitting 4 december 1996:)

Tijdens de zitting in de strafzaak I/X van 2 november 1994 heeft de inspecteur spontaan meegedeeld dat de onderhavige uitspraak reeds was gedaan.

Het oorspronkelijke bezwaarschrift was ingediend door N. De uitspraak had daarom niet aan C moeten worden toegezonden.

Sinds 1987 was J Ltd. als bestuurder van X aangesteld; uittreksels uit het Handelsregister bevestigen dat.

De bij de eindcontrole bij X aangetroffen stukken ken ik niet en evenmin onder welke omstandigheden deze stukken in het bezit van de insepcteur zijn gekomen. Ik kan niet zonder meer medewerking verlenen aan het alsnog inbrengen van die stukken. (Hof: na schorsing is de inspecteur gemachtigd tot het instellen van nader onderzoek, zie 2.13. slot hiervoor).

4.1.3. (zitting 26 februari 1997:)

Een schriftelijke machtiging van C ontbreekt. C is door N ingeschakeld; de conclusie dat C gemachtigd was, is onjuist.

I was gelet op de inhoud van de 'power of attorney' slechts belast met aan- en verkoop en beheer. Andere bevoegdheden zijn uitdrukkelijk uitgesloten. Hij heeft als getuige verschillende verklaringen afgelegd, soms dat hij beheerder was en soms dat hij directeur of bestuurder was. Een algemene volmacht van I als bestuurder ontbreekt.

De inspecteur had de uitspraak in oktober 1993 moeten zenden aan X B.V. of naar J als bestuurder van X.

Ik heb in 1993 niet de schijn gewekt dat ik gemachtigd was. Integendeel, ik heb de toegezonden uitspraak, zij het laat, geretourneerd.

4.2. door de inspecteur:

4.2.1. (zitting 29 augustus 1995:)

In deze procedure is er wel een materieel belang omdat beslag is gelegd op een pand van X B.V. te R.

De bedoeling was alle beslissingen aan te houden tot na afloop van het strafrechtelijk onderzoek. Inzake de navorderings-aanslag van V was dat niet mogelijk.

C heeft steeds verklaard dat hij gemachtigde was van X B.V. Het is niet gebruikelijk om naast een mondelinge machtiging een schriftelijke machtiging te vragen. Er is nooit gemeld dat die machtiging was ingetrokken. Ik heb een kopie van de uitspraak ook naar X gestuurd. Ik meen me te herinneren dat die uitspraak eerst is toegezonden aan het adres K-straat te Z en toen onbestelbaar is teruggekomen. Daarop is de uitspraak met een kort begeleidend briefje gezonden aan het adres van I in G en die is niet teruggekomen. Die stukken zijn aldaar bij een eindcontrole aangetroffen; ik wil ze alsnog in geding brengen.

4.2.2. (zitting 4 december 1996:)

Op 2 november 1994 heb ik in de strafzaak voor de Rechtbank in Breda meegedeeld dat de aanslag vennootschapsbelasting 1984 van X B.V. onherroepelijk vaststond.

Nadat N het bezwaar had ingediend, is vervolgens C als gemachtigde opgetreden. Die heeft op 14 november 1990 ook zelf formeel bezwaar aangetekend.

De in oktober 1993 aan O verzonden kopie van de uitspraak is niet teruggekomen en is in de administratie van X aangetroffen. I was gevolmachtigd om op te treden als bestuurder van X.

4.2.3. (zitting 26 februari 1997:)

Uit alle in geding gebrachte stukken blijkt dat I een veel grotere bevoegdheid had dan in de 'power of attorney' is vastgelegd.

5. Beoordeling van het geschil

5.1.1. Met dagtekening 8 februari 1988 is door N (N B.V.) 'formeel bezwaar' gemaakt tegen de aanslag vennootschapsbelasting 1984, opgelegd aan X B.V., waarbij hij verzoekt uitgenodigd te worden voor een gesprek met K 'zoals reeds afgesproken' (zie 2.3.).

Op 24 mei 1988 verzoekt N om uitstel van behandeling en kondigt hij aan dat 'namens ons' C mondeling overleg zal voeren met K (zie 2.4.).

Vervolgens zijn door C besprekingen gevoerd met de behandelend inspecteur, heeft C stukken ingediend bij de inspecteur en heeft C op 14 november 1990 een (naar later is gebleken: tweede) bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschaps-belasting 1984 namens X B.V. ingediend 'ter bewaring van rechten' (zie het overzicht bij de pleitnota 1.16. en onder 2.6.).

Niet is gesteld of gebleken dat N zich nog met de inspecteur heeft verstaan nadat C ten tonele was verschenen, en evenmin dat C heeft gesteld of de indruk heeft gewekt dat hij namens N optrad. Ook onderhield C rechtstreeks kontakten met I namens X B.V. (zie overzicht bij de pleitnota 1.16)

5.1.2. Op grond van deze feiten en omstandigheden mocht de inspecteur ervan uitgaan dat uitsluitend C vanaf juni 1988, althans vanaf 14 november 1990, optrad als gemachtigde van belanghebbende in de bezwaarprocedure.

5.1.3. Geen rechtsregel- en met name ook niet het toenmalige artikel 41 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - gebiedt dat de volmacht van C schriftelijk diende te zijn vastgelegd of dat de inspecteur overlegging van een dergelijke schriftelijke volmacht van C had moeten verlangen.

5.1.4. Bij brief van 20 mei 1992 heeft C aan M en aan O B.V. t.a.v. I medegedeeld dat hij zich verder van activiteiten ten behoeve van onder meer X B.V., waaronder bezwaar- en beroepsprocedures, zou onthouden (zie 2.7.).

Door of namens X B.V. is daarvan geen melding gemaakt aan de inspecteur.

5.2. Gelet op het onder 5.1. overwogene heeft de inspecteur de uitspraak op het bezwaarschrift terecht aan C als gemachtigde van X B.V. toegezonden.

5.3.1. Nadat C de inspecteur ervan in kennis had gesteld dat hij sinds het aantreden van M (in mei 1992) niet als gemachtigde optrad en hij de uitspraak aande inspecteur had teruggezonden, heeft de inspecteur de uitspraak dan wel kopieën daarvan toegezonden aan M, naar C aanneemt de nieuwe gemachtigde, en aan O t.a.v. I. Vast staat dat de door de inspecteur toegezonden stukken door de geadresseerden zijn ontvangen (zie 2.13.).

5.3.2. Bij schrijven van 25 april 1994 heeft M de hem toegezonden uitspraak aan de inspecteur teruggezonden onder mededeling dat hij in deze kwestie niet door X gemachtigd was.

5.3.3. Nu de inspecteur aldus bleek dat M niet de gemachtigde van belanghebbende was en hem namens X geen mededeling is gedaan van een andere gemachtigde, mocht de inspecteur ervan uitgaan dat reeds rechtsgeldig uitspraak was gedaan door de toezending aan X B.V. zelve in oktober 1993.

5.3.4. Niet is gesteld of gebleken dat N in oktober 1993 nog optrad als gemachtigde van X B.V.

5.3.5. M stelt dat de uitspraak in dat geval had moeten worden toegezonden aan J Ltd., die sedert 1987 als directrice van X B.V. in het Handelsregister was vermeld, ten bewijze waarvan uittreksels uit het Handelsregister van februari en maart 1993 zijn overgelegd (zie 1.12.).

Als adres van de onderneming is in het Handelsregister vermeld K-straat 1 te Z, het toenmalige adres van O en I.

Tegenover de belastingdienst heeft I zich door de ondertekening van aangiften namens J Ltd. als de feitelijk leidinggevende van X B.V. gedragen. Ook tegenover de toenmalige gemachtigde C trad I als feitelijk leidinggevende op.

Niet is gesteld of gebleken dat F, directeur van J Ltd., zich jegens de inspecteur ooit als feitelijk leidinggevende heeft gepresenteerd.

In zijn pleitnota van 29 augustus 1995 (blz.4) sprak ook M nog over 'I, directeur van X B.V.'.

De inspecteur mocht er daarom vanuit gaan dat de feitelijke leiding van X B.V. berustte bij I, op persoonlijke titel of als bestuurder van O B.V., en dat hij in die hoedanigheid kennis heeft kunnen nemen van de in oktober 1993 toegezonden uitspraak.

De omstandigheid dat die bevoegdheid niet is neergelegd in de overgelegde 'power of attorney', staat daaraan niet in de weg.

5.3.6. Daarenboven geldt het volgende.

Blijkens de bijlage bij het onder 1.8. vermelde schrijven (zie 2.10) is op 19 mei 1993 door de vergadering van aandeelhouders besloten tot liquidatie van X B.V. en is O B.V., waarvan I bestuurder is, aangewezen als vereffenaar.

Ingevolge artikel 2 : 19, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt door de vereffenaar opgaaf van het besluit tot liquidatie gedaan aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven. De door M overgelegde uittreksels uit het Handelsregister dateren van vóór 19 mei 1993.

Ingevolge artikel 2 : 23a BW heeft de vereffenaar, behoudens uitzonderingen waarvan in casu niet is gebleken, dezelfde bevoegdheden, plichten en aansprakelijkheden als een bestuurder.

Ook hieruit volgt dat I, als bestuurder van O B.V., in oktober 1993 op rechtsgeldige wijze door de inspecteur in kennis is gesteld van de uitspraak op het namens X B.V. ingestelde bezwaar.

5.4. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat de inspecteur in oktober 1993 de uitspraak op het bezwaarschrift aanvankelijk terecht aan C heeft toegezonden en dat, toen vervolgens bleek dat deze niet meer als gemachtigde optrad, de uitspraak ter kennis is gebracht van X B.V.

Nu X B.V. te dien tijde geen andere gemachtigde had aangewezen, lag het op haar weg binnen de wettelijke termijn van twee maanden zelf een beroepschrift tegen de uitspraak in te dienen bij het Hof.

Er bestaat mitsdien geen goede grond waarop dient te worden geoordeeld dat de beroepstermijn toen nog niet is aangevangen.

5.5. Het beroepschrift is eerst op 9 december 1994 ingediend. Belanghebbende dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep.

Nu X B.V. reeds eind oktober 1993 in het bezit was van (een afschrift van) de uitspraak van de inspecteur, is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk is gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar beroep.

De uitspraak is vastgesteld op 9 april 1996 door Mrs. Smit, Schaap en Van Sonderen, in tegenwoordigheid van Mr. Geel-Cieraad als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR nummer 33345 (red.)]