Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1996:AA4104

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P94/4974
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk:P94/4974

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de Inspecteur der directe belastingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1985 opgelegd door de inspecteur.

De aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van

ƒ 4.816.502,--.

Na bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 15 november 1990 de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 4.816.502,-- waarvan een bedrag ad

f 4.510.593,-- belast naar het tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

Van deze uitspraak is belanghebbende in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden, dat bij uitspraak van 4 juni 1993 de uitspraak van de inspecteur heeft bevestigd.

Tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld.

Bij arrest van 22 juli 1994 nr. 29.743 heeft de Hoge Raad die uitspraak vernietigd met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest.

Het Hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld desgewenst schriftelijk te reageren op het arrest. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 9 januari 1995 met bijlagen. Van de zijde van de inspecteur is gereageerd bij brief van 6 maart 1995 met bijlagen.

Ter zitting van 28 april 1995 zijn verschenen belanghebbende, de gemachtigde en drs. G als inspecteur

Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt.

Gemachtigde heeft ter zitting overgelegd:

- het jaarverslag 1993 van D Beheer B.V. te S,

- een achttal notulen van algemene vergaderingen van aandeelhouders van B B.V.,

- een copie van een brief van gemachtigde aan mr. E, belastingadviseur bij F Belastingadviseurs, gedagtekend 16 september 1994,

- een copie van een brief van H Belastingadviseurs, gedagtekend 11 november 1994, gericht aan een Belastingdienst Ondernemingen,

- een copie van een brief, gedagtekend 15 juli 1992, gericht aan de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Q.

Partijen zijn in de gelegenheid geweest zich over de overgelegde stukken uit te laten.

De inspecteur heeft ter zitting een stuk overgelegd. Gemachtigde heeft zich over het overgelegde kunnen uitlaten.

Na de zitting heeft een briefwisseling tussen Hof en partijen plaatsgehad ten aanzien waarvan het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belasting- zaken toepassing heeft gevonden.

Ter zitting van 22 maart 1996 zijn verschenen belanghebbende, de gemachtigde, alsmede drs. G als inspecteur.

Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en heeft deze overgelegd, alsmede een brief, gedagtekend 25 januari 1996, afkomstig van mr. I en gericht aan mr. J (K Belastingadviseurs).

De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en heeft deze overgelegd, alsmede een schriftelijke ambtsedige verklaring van inspecteur L.

Partijen zijn in de gelegenheid geweest zich over de overgelegde stukken uit te laten.

De Vierde Meervoudige Belastingkamer heeft haar lid mr. Groeneveld opgedragen om door haar bevolen getuigenverhoren te houden. Deze getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 8 mei 1996. De processen-verbaal van de getuigenverhoren behoren tot de gedingstukken.

Ter zitting van 31 mei 1996 zijn verschenen belanghebbende, de gemachtigde, alsmede de inspecteur.

Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, alsmede een stuk overgelegd, zijnde een brief van belanghebbende, gedagtekend 11 april 1996, met bijlage.

De inspecteur heeft kennis genomen van het overgelegde stuk en heeft zich er over kunnen uitlaten.

De inspecteur heeft overgelegd een faxbericht, gedagtekend 28 mei 1996, met bijlagen.

Gemachtigde heeft van het overgelegde stuk kennis genomen en heeft zich er over kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is in het onderhavige jaar houder van alle aandelen A Beheer B.V., welke vennootschap houdster is van 50% van de aandelen B B.V. Houdster van de overige 50% van de aandelen B B.V. is D Holding B.V.

2.2. B B.V. handelt in a-produkten. Belanghebbende en M vormen de directie van B B.V. M is tevens directeur van D Beheer B.V., de houdstervennootschap van het D-concern.

2.3. Op 16 december 1985 verkoopt A Beheer B.V. haar aandelen B B.V. voor f 3.661.000,-- aan de daartoe opgerichte besloten vennootschap C Holding B.V., waarvan belanghebbende alle aandelen houdt. Vervolgens verkoopt belanghebbende op dezelfde dag alle aandelen A Beheer B.V. aan een dochtervennootschap van de NCB bank, tegen een koopsom van f 4.605.593,--.

3. Geschil na verwijzing

Partijen verschillen van mening over de antwoorden op de volgende twee vragen die na de verwijzing door de Hoge Raad nog ter beantwoording staan:

- werd met de deelneming B B.V. door C Holding B.V. tevens de beschikkingsmacht over het in B B.V. aanwezige vermogen en de daarin begrepen reserves verkregen?

- heeft de inspecteur het gelijkheidsbeginsel geschonden door belanghebbende, in afwijking van door de belastingdienst gesloten compromissen in vergelijkbare gevallen, geen compromis aan te bieden?

4. Standpunten van partijen en behandeling ter zitting

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken en de pleitnota's is vermeld.

Ter zitting hebben partijen daaraan toegevoegd, zakelijk weergegeven:

Zitting van 28 april 1995

Gemachtigde: In het arrest wordt een middel gegrond verklaard ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel dat voor het Hof werd aangevoerd. De Hoge Raad had ook over het vertrouwensbeginsel kunnen spreken; in casu kunnen deze twee beginselen als "onderling vervangbaar" worden aangemerkt.

In den lande zijn in weerwil van het Ministerie vele

compromissen gesloten in gelijke zaken. Buiten Amsterdam zijn veel meer compromissen gesloten dan men weet. Bij ons kantoor liggen nu 12 zaken waarin compromissen zijn gesloten. Die zaken zijn binnengekomen op mijn brief aan mr. E van F Belastingadviseurs. De casusposities zijn niet allemaal precies gelijk, maar wel vergelijkbaar en daar gaat het om.

Ik interpreteer het beroep op het gelijkheidsbeginsel aldus, dat als belanghebbende een compromissoire afdoening van een vergelijkbaar geval zou vinden, hij ook een compromis zou mogen sluiten. Eigenlijk is compromis geen juist woord voor hetgeen op basis van de feiten in dit geval moet gebeuren, dat is het 20% tarief toepassen over het hele bedrag.

Inspecteur: Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad leid ik niet af dat de Hoge Raad de pro rata benadering verwerpt. Toepassing van die benadering zou leiden tot één miljoen te belasten naar progressief tarief en de rest tegen 20%.

Ik verzoek op dat punt een oordeel van het Hof.

Er worden veel nieuwe feiten aangedragen met betrekking tot de dividendpolitiek; ik kan dat nu zo allemaal niet controleren. Het buffervermogen was in 1981 nog niet bereikt en toch werd dividend uitgekeerd, dat begrijp ik niet. Waarom kon het buffervermogen in 1993 plotseling lager zijn?

In een bijlage bij de oorspronkelijke memorie van gemachtigde staat dat 4 miljoen bij C Holding B.V. terechtkomt, dat in tegenstelling tot de pleitnota.

In 1985 vindt verhanging plaats. Er is een duidelijk verschil in dividendpolitiek vóór 1985 en daarna. Tot en met 1984 komt het dividend niet boven 21% van de winst uit. Na 1984 is het dividend steeds hoger dan 50% van de winst. In de periode tot en met 1985 werd van de 9 miljoen winst slechts 1,6 miljoen uitgekeerd. Er werd dus opgepot.

Formeel mag de directie voorstellen met betrekking tot het uit te keren dividend doen en belanghebbende was de directie.

Het doet er niet toe dat D Holding B.V. er geen belang bij had dat de koopsom van de aandelen geput zou kunnen worden, zij had een zelfstandig belang bij dividenduitkering. C Holding B.V. moet niet als een kleintje beschouwd worden, het dividend van C Holding B.V. had belang voor D Holding B.V.

Uit een stuk dat ik U hierbij overleg valt af te leiden dat M van D bereid was de privé-belangen van belanghebbende te steunen.

Ten aanzien van de reorganisatie van B B.V. merk ik op dat meer dividend had kunnen worden uitgekeerd aan D Holding B.V. en C Holding B.V. Ik zie niet in waarom daar een "tussen BV" voor nodig was.

Ten aanzien van de door gemachtigde overgelegde vergelijkbare gevallen merk ik op dat daaruit op te maken is dat er in veel gevallen naast het fiscale motief nog andere motieven waren. Er is dan geen sprake van compromissoire afdoening, maar van het recht doen op de feiten. Er zijn pas vergelijkbare gevallen als sprake is van het mixen van tarief-percentages.

Na het arrest gepubliceerd in de BNB onder nummer 1968/80 is in een paar gevallen gekozen voor een mix-tarief. Vanaf ongeveer 1980 is door het Ministerie naar buiten gebracht dat dat niet meer kon. Er zijn honderden gevallen waarin belastingeenheden aan het Ministerie vragen wat er moet gebeuren. Mix-tarieven worden dan niet toegestaan. Misschien is in een paar kleine gevallen het mix-tarief toch toegepast; dat is dan foutief gebeurd. Er is twee maal een inspecteur op het departement ontboden, omdat hij compromis gesloten zou hebben in strijd met het beleid.

Ik wijs er nogmaals op dat inspecteur L in zijn brief van juni 1991 uitdrukkelijk ontkent dat hij eventueel een compromis zou willen sluiten.

Zitting van 22 maart 1996

Gemachtigde: Ten aanzien van de schriftelijke verklaring van inspecteur L die de inspecteur heeft overgelegd, kan ik opmerken dat de woorden " dit kan niet zijn gezegd", niet betekenen dat het niet gezegd is. L stelt niet dat het niet gezegd is.

Bij de schriftelijke verklaring van I dient te worden bedacht dat die wordt afgelegd vijf jaar na de weergave van dezelfde feiten in het beroepschrift, pagina 10, onder punt 6. Het ligt voor de hand dat de latere verklaring minder feitelijk en meer kwalificerend is. Het is beter de eerdere verklaring tot uitgangspunt te nemen.

Ten aanzien van het bestaan van een samenwerkende groep rust de bewijslast op de inspecteur. Hij moet bewijzen dat er een fraus legis situatie is.

De inspecteur heeft de toezegging gedaan dat het 20% tarief zou worden toegepast als wij met voorbeelden zouden komen van gelijke gevallen waarin tegen dat tarief belast werd. De Hoge Raad legt bij een toezegging als criterium aan hoe de belastingplichtige de uitlating van de inspecteur mocht opvatten.

De heer J heeft namens belanghebbende met de inspecteur gesproken. De heer J was de opvolger van I.

In juni 1991 schreef de inspecteur een brief waarin hij weigerde aan een compromissoire oplossing mee te werken. De toenmalige gemachtigde I heeft daarop gereageerd in zijn beroepschrift aan het Hof Leeuwarden van 5 augustus 1991.

Toepassing van het gelijkheidsbeginsel brengt mee dat belanghebbende aanspraak kan maken op toepassing van een tarief van 20%. Het compromis is weliswaar niet nader ingevuld, maar de toezegging belanghebbende te behandelen conform de compromissoire afdoening elders van gelijke gevallen brengt dat mee. Eigenlijk beroept belanghebbende zich niet zo zeer op toepassing van het gelijkheidsbeginsel als wel op toepassing van het vertrouwensbeginsel. In de vergelijkbare zaken zijn compromissen gesloten tegen tarieven liggende tussen het aanmerkelijk belangtarief en het progressieve tarief.

Inspecteur: Tegenover de door gemachtigde aangevoerde verklaring van I stel ik de verklaring van inspecteur L, die daarmee in strijd is.

Het doel van de verhanging was het apart zetten, veilig stellen van vermogen. Belanghebbende verwachtte dus dat winstreserves in zijn vennootschap terecht zouden komen, die daar beveiligd zouden zijn tegen de bedrijfsrisico's.

Gemachtigde voert nu het vertrouwensbeginsel aan dat geschonden zou zijn door de inspecteur. Naar mijn mening geeft het arrest van de Hoge Raad alleen ruimte voor de beoordeling of het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Ik heb overigens nog geen gelijk geval gezien.

Als de inspecteur op grond van zijn uitlatingen zou zijn gehouden een compromis te sluiten, is de vraag wat dan de inhoud van dat compromis zou moeten zijn. Een compromis impliceert een van twee kanten water in de wijn doen. Nergens ligt iets vast over de inhoud van het te sluiten compromis.

Indien het Hof oordeelt dat de inspecteur gehouden is een compromis te sluiten, moet de inspecteur de opdracht krijgen alsnog over een compromis te onderhandelen. De zaak moet dan terugverwezen worden. Ik zal die opdracht loyaal uitvoeren, ik acht dat niet in strijd met het door de Staatssecretaris uitgedragen beleid.

Het is voor mij nieuw dat een toezegging zou zijn gedaan door de inspecteur. Ik lees nergens iets over een toezegging van een 20% tarief.

Aan het putcriterium is in casu voldaan. De totale winst ligt besloten in A Beheer B.V., de bank kan daarover beschikken en dat is voldoende.

Op de voet van artikel 14, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken is proces-verbaal opgemaakt van de hierna volgende mondelinge verklaring van belanghebbende ter zitting: " Op vrijdag 9 november 1990 heb ik met mr. I een bezoek gebracht aan de Belastingdienst Grote Ondernemingen R. Namens de belastingdienst waren aanwezig de heren L en N. De laatste was inspecteur te P. Het was een heel verhaal. De heer L begon te zeggen tegen I: je moet niet zeuren, 9 keer heb je gewonnen, 1 keer niet. Ik heb toen gezegd het gaat niet om een spelletje maar om iets dat voor mij van groot belang is. Ik heb gehoord dat er ook ná 11 juli 1990 op verschillende plaatsen in het land compromissen zijn gesloten in overeenkomstige gevallen. L heeft toen tegen mij gezegd: als U dát kunt bewijzen wil ik ook wel meewerken aan een compromis. Als L zegt dat het anders is dan liegt hij. Dat er niet meer schriftelijk gereageerd is op de brief van de inspecteur van 7 juni 1991 is wel begrijpelijk, want het was toen duidelijk dat de inspecteur niet meer wilde meewerken aan een compromis, omdat hij teruggefloten was door de leiding van de belastingdienst. Een concreet compromisvoorstel is niet gedaan, noch door mij noch door de inspecteur.".

Zitting van 31 mei 1996

Inspecteur: Ik stel dat er in deze zaak geen sprake is van door de inspecteur gewekt vertrouwen als door belanghebbende gesteld. I had de inhoud van zijn gesprekken met de inspecteur beter aan zijn cliënt moeten overbrengen.

Gesteld dat er wel sprake zou zijn geweest van gewekt vertrouwen, dan constateer ik dat er geen gelijke gevallen door belanghebbende zijn geproduceerd die in de compromissoire sfeer zijn afgedaan.

Ik wijs er op dat inspecteur L heeft ontkend wat de getuigen J en O, de voormalige en huidige belastingadviseur van belanghebbende, hebben verklaard.

Ik bestrijd dat inspecteur L als getuige minder betrouwbaar zou zijn, omdat hij van een eerdere schriftelijke verklaring is teruggekomen. Dat pleit juist voor zijn eerlijkheid. Van zijn andere verklaringen is hij niet teruggekomen. Inspecteur N herinnert zich ook niet een uitlating van L als door belanghebbende gesteld. Dat kan ook niet, want L heeft dit niet gezegd.

Er is in het verleden zijdens belanghebbende geen concreet compromisvoorstel gedaan. Daar moet dus - indien het Hof dat nodig oordeelt - over onderhandeld worden. De toenmalige adviseur van belanghebbende heeft wel gezegd dat het compromis zou inhouden dat de fiscus geen claimverlies lijdt, maar dat zegt niets. Het Hof kan partijen wel een richting aangeven.

5. Beoordeling van het geschil

5.1.1. De Hoge Raad heeft met betrekking tot het onder 3 als eerste omschreven geschilpunt het volgende overwogen:

"Nu het hier gaat om een belang van 50 percent in de vennootschap wier aandelen zijn verkocht, zodat niet aanstonds duidelijk is of met de deelneming de beschikkingsmacht over het in de vennootschap aanwezige vermogen en de daarin begrepen reserves werd verkregen, en het Hof niet heeft vastgesteld dat sprake was van een samenwerkende groep aandeelhouders, kan niet worden beoordeeld of het Hof aan het samenstel van rechtshandelingen terecht de in het arrest van 11 juli 1990, nr. 26.306, BNB 1990/293, neergelegde wetstoepassing heeft verbonden.".

5.1.2. Naar 's Hofs oordeel staat in het kader van het eerste geschilpunt na verwijzing door de Hoge Raad ter beoordeling of C Holding B.V. via haar 50% deelneming in B B.V. kon beschikken over het in laatstgenoemde vennootschap aanwezige vermogen en de daarin begrepen reserves ter voldoening daaruit van de koopsom voor die deelneming.

5.1.3. Indien de aandeelhouders van B B.V., zijnde D Holding B.V. en C Holding B.V. ieder voor 50%, ten tijde van de vervreemding van de deelneming B B.V. door A Beheer B.V. aan C Holding B.V. zodanig samenwerkten dat de redelijke verwachting gewettigd was dat C Holding B.V. de koopsom van de deelneming zou kunnen putten uit B B.V., valt vorenbedoeld oordeel uit in bevestigende zin.

5.1.4. Met betrekking tot de evenbedoelde samenwerking hecht het Hof in het bijzonder betekenis aan de volgende punten:

- M was evenals belanghebbende directeur van B B.V., maar vervulde feitelijk een commissarisrol bij die vennootschap. Belanghebbende had de dagelijkse leiding in handen en had slechts eens in de twee of drie maanden contact met M (memorie na verwijzing van gemachtigde, p.5),

- In de periode 1986 tot en met 1991 werd f 8,3 miljoen dividend uit de jaarlijkse winsten van B B.V. uitgekeerd aan de aandeelhouders (pleitnotities gemachtigde voor de zitting van 28 april 1995, p.6),

- Voormelde "dividendpolitiek" was een voortzetting van die van vóór 1986, nadat eenmaal het noodzakelijk geachte "buffervermogen" in B B.V. werd bereikt (t.a.p.).

Het Hof leidt uit voormelde punten, in onderlinge samenhang beschouwd, af dat de aandeelhouders van B B.V. op het stuk van de dividendpolitiek samenwerkten, in dier voege dat op ruime schaal dividend werd gedeclareerd, nadat vóór 1985 het noodzakelijk geachte "buffervermogen" werd bereikt.

Voorts acht het Hof aannemelijk dat het D-concern er geen enkel belang bij had belanghebbende, die feitelijk de leiding had over B B.V. en aldaar profijtelijk zaken deed, te dwarsbomen in een fiscaal voordelige structurering van zijn belang bij die vennootschap, mits de zaken van de vennootschap en van D Holding B.V. daar geen schade van zouden ondervinden.

Gesteld noch gebleken is dat ten tijde van de vervreemding te verwachten was dat het "buffervermogen" binnen afzienbare tijd hoger gesteld zou moeten worden. Andere beletselen voor het samenstel van rechtshandelingen, dat thans ten aanzien van één punt door dit Hof beoordeeld dient te worden, zijdens B B.V. of het D-concern zijn evenmin gesteld of gebleken.

Het Hof acht voor de hand liggend dat de accountant van B B.V. van voormelde samenwerking tussen de aandeelhouders

op de hoogte was en in overeenstemming daarmee een bepaalde hoogte van het dividend suggereerde, welke suggestie door de directie, krachtens haar statutaire bevoegdheid, in een dividendvoorstel werd verwerkt. Hetgeen de gemachtigde in afwijking van voormelde oordelen heeft gesteld verwerpt het Hof derhalve.

5.1.5. Aan het onder 5.1.2. omschreven vereiste van samenwerking tussen D Holding B.V. en C Holding B.V. is derhalve voldaan.

5.2.1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft in zijn uitspraak van 4 juni 1993 overwogen: "Belanghebbende heeft voorts nog aangevoerd, dat sprake zou zijn van een ongelijke behandeling te zijnen aanzien nu in vergelijkbare gevallen nog vele compromissen zijn gesloten na publicatie van de zogenaamde kasgeldarresten.".

5.2.2. In het beroepschrift in cassatie tegen voormelde uitspraak heeft belanghebbende als derde cassatiemiddel aangevoerd: " Het hof heeft belanghebbende ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de inspecteur gehandeld heeft in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en wel het gelijkheidsbeginsel, door belanghebbende geen compromis aan te bieden respectievelijk het besprokene rondom het compromis gestand te doen. Belanghebbende heeft destijds de inspecteur aangeboden om de zaken met naam en toenaam te noemen waarin wel compromissen zijn gesloten, zulks in het kader van de door de inspecteur onderschreven gedachte dat ten behoeve van belanghebbende eveneens een compromis afgesloten had dienen te worden indien in vergelijkbare gevallen inderdaad compromissen zouden zijn gesloten. De inspecteur weigerde in tweede instantie niettemin een compromis aan te gaan. Ter zitting heeft belanghebbende in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel zijn specifieke bewijsaanbod herhaald.

Het hof is hieraan geheel voorbij gegaan. Slechts de ontkenning van de inspecteur dat dergelijke compromissen werden gesloten was voor het hof voldoende om het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet te honoreren.

Het hof overweegt voorts dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake zou zijn van een begunstigend beleid.

De overwegingen van het hof kunnen de beslissingen niet dragen daar het hof ongemotiveerd het bewijsaanbod afslaat en slechts afgaat op de van de inspecteur verkregen informatie.".

5.2.3. De Hoge Raad heeft mede op dit punt de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden gecasseerd, met de overweging:

"Middel 3 houdt in dat het Hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan een door belanghebbende ter zitting, in verband met de door hem gestelde schending door de Inspecteur van het gelijkheidsbeginsel, gedaan bewijsaanbod met betrekking tot door de belastingdienst na 11 juli 1990 gesloten compromissen in vergelijkbare gevallen. Dit middel is gegrond.".

5.2.4. Gemachtigde heeft in de onderhavige procedure na verwijzing door de Hoge Raad invulling gegeven aan zijn bewijsaanbod door het produceren van voorbeelden van door de belastingdienst gesloten compromissen in, naar zijn inzicht, vergelijkbare gevallen.

5.2.5. Gemachtigde stelt thans dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel van belanghebbende eigenlijk een beroep op het vertrouwensbeginsel is. Belanghebbende beroept zich namelijk er op dat de inspecteur hem heeft toegezegd zijn geval compromissoir af te doen, indien hij aan kon tonen dat vergelijkbare gevallen na 11 juli 1990 door de belasting- dienst compromissoir afgedaan werden.

5.2.6. In het licht van het gestelde in het beroepschrift, alsmede in het beroepschrift in cassatie, acht het Hof het gestelde als voormeld juist. Het Hof heeft getuigen doen horen door een raadsheer-commissaris in het kader van het bewijs dat de inspecteur zich heeft uitgelaten zoals door belanghebbende gesteld, althans zich zodanig heeft uitgelaten dat belanghebbende dit mocht opvatten zoals door hem gesteld.

De raadsheer-commissaris heeft als getuigen gehoord, achtereenvolgens: O, I, J, L en N.

5.2.7. Indien de onder 5.2.6. bedoelde verklaringen en de verklaring van belanghebbende, zoals weergegeven onder "Standpunten van partijen" worden gewogen komt het Hof, waarbij de verklaring van belanghebbende als gelijkwaardig is aangemerkt aan de onder ede afgelegde verklaringen, tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de inspecteur zich jegens belanghebbende heeft uitgelaten als gesteld. Evenmin is aannemelijk geworden dat de inspecteur zich zodanig heeft uitgelaten dat belanghebbende dit mocht opvatten als door hem gesteld.

5.2.8. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende op grond van het vertrouwensbeginsel geen recht kan doen gelden op een compromissoire afdoening van de zaak.

5.3. Voor het geval belanghebbende tevens een beroep wilde doen op het gelijkheidsbeginsel in de zin die daaraan gebruikelijk toekomt, verwerpt het Hof ook dit beroep.

Niet aannemelijk is geworden dat de inspectie P en/of de Belastingdienst Grote Ondernemingen S beleidsmatig compromissen aangingen in met de zaak van belanghebbende vergelijkbare gevallen na de publicatie van de arresten van 11 juli 1990. Evenmin is aannemelijk geworden dat landelijk beleidsmatig zo te werk werd gegaan.

Ten slotte is niet aannemelijk geworden dat beoordeeld vanuit de inspectie P c.q. de Belastingdienst Grote Ondernemingen S c.q. het land, de meerderheid van de met de zaak van belanghebbende vergelijkbare gevallen na de publicatie van de arresten van 11 juli 1990 compromissoir werd afgedaan.

5.4. Uit het voorgaande volgt dat het gelijk aan de inspecteur is.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 30 augustus 1996 door mrs. Rensema, Groeneveld en Onnes, in tegenwoordigheid van mr. Polman als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is verhinderd

de uitspraak mede te

ondertekenen.

[Zie ook arrest HR nummer 32639 (red.)]