Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1995:AA4572

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P93/4055
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1995/437
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk: P93/4055

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van AX en BX respectievelijk wonende te P en te Q, belanghebbenden,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst/Registratie en successie, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbenden is een beroepschrift ontvangen op 10 september 1993, ingediend door mr H. als hun gemachtigde en gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 30 juli 1993 betreffende de aan belanghebbenden opgelegde en op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in het schenkingsrecht, aanslagnummer 1. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 29 maart 1994.

De aanslagen zijn berekend naar verkrijgingen van elk f a,-- en zijn bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de aanslagen. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 15 september 1994 zijn verschenen A. als substituut-gemachtigde van belanghebbenden, tot bijstand vergezeld van C., alsmede mr O. namens de inspecteur.

De gemachtigde van belanghebbenden heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Op 25 maart 1985 zijn belanghebbenden door hun vader, X, ieder materieel bevoordeeld met een bedrag van f a,-. Belanghebbenden noch hun vader hebben van deze schenkingen aangifte gedaan of om uitreiking van een aangiftebiljet voor het recht van schenking verzocht.

2.2. Op 7 oktober 1986 is de moeder van belanghebbenden, X-Y, overleden. Van haar nalatenschap is aangifte gedaan voor het recht van successie op 30 juni 1987.

2.3. X, de vader van belanghebbenden, is overleden op 9 oktober 1988.

2.4. Bij het regelen van de aanslagen in het successierecht verschuldigd wegens de verkrijgingen uit de nalatenschap van de moeder van belanghebbenden, is de inspecteur op 22 augustus 1989 op de hoogte geraakt van het feit dat belanghebbenden door hun vader zijn bevoordeeld. De aanslagen in het successierecht, verschuldigd wegens de nalatenschap van de moeder zijn gedagtekend 18 september 1989.

2.5. Op 31 oktober 1989 heeft de inspecteur aan belanghebbenden een aangiftebiljet voor het recht van schenking uitgereikt. Voor het indienen van dit biljet is uitstel verleend, welk uitstel verliep op 1 april 1990. De aangifte voor het recht van schenking is getekend op 17 april 1990 en ter inspectie ontvangen op 20 april 1990.

2.6. De aan belanghebbenden opgelegde aanslagen in het recht van schenking zijn gedateerd 2 april 1993. De aanslagen zijn op het aanslagbiljet niet aangeduid als navorderingsaanslagen en hadden de uiterlijke vorm van een aanslag.

3. Geschil

In geschil is de beantwoording van de volgende vragen:

- is er sprake van een aanslag of van een navorderingsaanslag?;

- is, indien sprake is van een aanslag, deze opgelegd binnen de termijn van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen?;

- is, indien sprake is van een navorderingsaanslag, een zogenaamd nieuw feit noodzakelijk en zo ja, was er dan een nieuw feit aanwezig?

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en de pleitnota.

4.2. Ter zitting heeft de gemachtigde nog verklaard dat hij de exacte datum van inschrijving van de akte van overlijden van de vader in de registers van de burgelijke stand niet kan noemen.

Door de verwijzing in artikel 52 van de Successiewet 1956 naar artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geldt ook het vereiste van een nieuw feit en daarover beschikt de inspecteur niet. Als te laat - maar binnen de termijn van drie jaren - aangifte wordt gedaan dan kan de inspecteur alleen een aanslag opleggen. Er kan ook wel worden nagevorderd maar die navorderingsaanslag heeft dan te gelden als een primitieve aanslag. Het belang voor belanghebbenden is dan dat na het verstrijken van de termijn van drie jaar geen aanslag meer kan volgen. De ratio van artikel 52, tweede lid van de Successiewet 1956 is dat er onbeperkt kan worden nagevorderd als er geen aangifte is gedaan en als er geen verzoek is gedaan om uitreiking van een aangiftebiljet.

Ik bestrijd dat de onderhavige aanslagen bedoeld waren als navorderingsaanslagen.

4.3. De inspecteur heeft ter zitting nog verklaard dat de aangifte voor het recht van successie van X-Y op 30 juni 1987 is ingekomen en 22 augustus 1989 is geregeld. Eerst toen kreeg hij, doordat het dossier van de inmiddels overleden schenker erbij werd gehaald, wetenschap van de onderhavige schenkingen. In de aangifte van de moeder stond niets van de schenkingen vermeld. Hij had dan ook op 31 oktober 1989 een aangiftebiljet voor het recht van schenking uitgereikt. Om uitreiking daarvan was niet eerder verzocht. In dat geval is toepassing van artikel 52 van de Successiewet 1956 mogelijk. De aanslagen moeten - ook al is het een ongewone gang van zaken en achteraf geredeneerd - worden gezien als navorderingsaanslagen. In artikel 52, tweede lid van de Successiewet 1956 zit een soort straf besloten voor het niet verzoeken van een aangiftebiljet. Bij artikel 52, tweede lid is geen nieuw feit nodig.

Het is beleid geen verhoging op te leggen als partijen meewerken en alsnog aangifte hebben gedaan. Als er geen aangifte is gedaan kan ook worden nagevorderd op grond van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het nieuwe feit is dan de regeling van de aangifte voor het recht van successie op 22 augustus 1989 ter zake van het overlijden van de moeder.

De aanslagregeling heeft lang geduurd omdat er sprake was van a) grote werkdruk en personeelsproblemen en b) het niet ging om een eenvoudige berekening, aangezien twee nalatenschappen afgewerkt moesten worden.

Hij wist niet wanneer de akte van overlijden van de schenker is ingeschreven. Hij was uitgegaan van het bericht van de burgelijke stand, dat een maand na het overlijden op 1 november 1988 werd ontvangen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. In het onderhavige geval heeft de inspecteur gesteld dat hij bij de behandeling van de successie-aangifte van X-Y kennis kreeg van een schenking waarvoor nog geen aangifte was gedaan. Naar hij ter zitting heeft medegedeeld is die aangifte door hem op 22 augustus 1989 geregeld en heeft hij in aan-sluiting daarop op 31 oktober 1989 een aangiftebiljet voor het recht van schenking uitgereikt, welk biljet - na verleend uitstel - op 20 april 1990 op de inspectie is ontvangen. De inspecteur heeft derhalve eerst na het overlijden van X op 9 oktober 1988 kennis gekregen van de schenkingen en hij had mitsdien op grond van het bepaalde in artikel 66, eerste lid, aanhef en onder 2e van de Successiewet 1956 uiterlijk tot kort na 9 oktober 1991 de bevoegdheid om aanslagen op te leggen en uiterlijk tot 9 oktober 1993 de bevoegdheid om navorderings-aanslagen op te leggen.

De op 2 april 1993 gedagtekende belastingaanslagen kunnen derhalve slechts in stand blijven indien zij kunnen worden aangemerkt als navorderingsaanslagen.

5.2. Belanghebbenden hebben gesteld dat indien sprake is van navorderingsaanslagen er sprake moet zijn van een zogenaamd nieuw feit en dat dit in casu ontbreekt, omdat de inspecteur ten tijde van het vervallen van zijn bevoegdheid om aanslagen op te leggen reeds beschikte over alle gegevens die nodig waren om aanslagen op te leggen. Immers de inspecteur heeft - blijkens het vorenoverwogene - zijn bevoegdheid om aanslagen op te leggen verloren kort na 9 oktober 1991 terwijl de uitgereikte aangifte, welke alle gegevens voor het opleggen van aanslagen bevatte, is ingediend op 20 april 1990.

Belanghebbenden zien hierbij naar het oordeel van het Hof over het hoofd dat de inspecteur ten tijde van de indiening van de aangifte reeds de bevoegdheid had om een navorderingsaanslag op te leggen gelet op het bepaalde in artikel 52, tweede lid, van de Successiewet 1956 en dat noch de schenker noch de begiftigden heeft voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 6, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelas-tingen juncto artikel 10, derde en vierde lid van de Uitvoeringsbeschikking Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964.

5.3. Nu aan de vereisten voor het opleggen van navorderings-aanslagen in casu is voldaan merkt het Hof de belastingaan-slagen aan als terecht opgelegde navorderingsaanslagen, hoewel zij in verband met de door de inspecteur gebezigde vorm voor wat betreft de daartegen aan te wenden rechtsmiddelen als aanslagen hebben te gelden.

5.4. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep niet gegrond is en dat de uitspraak van de inspecteur moet worden bevestigd.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Aldus vastgesteld in raadkamer van 23 februari 1995 door mrs Holdert, van Ballegooijen en Boersma, in tegenwoordigheid van mr Brands als griffier.

De voorzitter verleent machtiging tot publicatie door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR nummer 31151 (red.)]