Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1995:AA4470

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-09-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P94/4256
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1996/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk: P94/4256

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de directeur van de dienst Parkeerbeheer van de gemeente Amsterdam, de directeur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is op 2 september 1994 ter griffie een beroepschrift ontvangen, dat is aangevuld bij brief van 5 december 1994. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de directeur, gedagtekend 22 juli 1994, betreffende de naheffingsaanslag parkeerbelasting en de beschikking kosten wielklem, beide met dagtekening 24 juni 1994 en nummer ...

De naheffingsaanslag is opgelegd ter zake van het parkeren van een voertuig en bedraagt ƒ 2,-- aan parkeerbelasting en ƒ 58,50 aan kosten ter zake van het opleggen van die aanslag. Bij de beschikking kosten wielklem zijn kosten vastgesteld ter zake van het aanbrengen en verwijderen van een wielklem tot een bedrag van ƒ 60,--. De naheffingsaanslag en de beschikking zijn bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de directeur, de naheffingsaanslag en de beschikking.

De inspecteur der gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam, de inspecteur, heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 17 maart 1995 is de inspecteur verschenen. Belanghebbende heeft telefonisch medegedeeld niet te zullen verschijnen. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en deze met twee bijlagen overgelegd. De pleitnota geldt als hier opgenomen.

2. De Verordening en het Uitvoeringsbesluit

2.1. De in geding zijnde naheffingsaanslag en beschikking berusten op de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 1994 (citeertitel: Verordening Parkeerbelastingen 1994), vastgesteld bij besluit van de Gemeenteraad van Amsterdam van 3 november 1993, nummer 607, en goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 9 december 1993, nummer 93.010183 (hierna: de Verordening). De tekst van de Verordening en de daarbij behorende bijlage en toelichting zijn gepubliceerd in het Gemeenteblad van Amsterdam, verschenen 19 januari 1994, afdeling 3, nummer 3, en behoren tot de gedingstukken. Tot de gedingstukken behoort voorts het Uitvoeringsbesluit op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 1994 en de Parkeerverordening 1994, vastgesteld door Burgemeester en Wethouders van Amsterdam op 17 december 1993 en gepubliceerd in het Gemeenteblad, verschenen 26 januari 1994, afdeling 3, nummer 16 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).

2.2. Artikel 1, aanhef en letter a, van de Verordening luidt als volgt:

"Onder de naam parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij deze belastingverordening dan wel krachtens deze belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door Burgemeester en Wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;".

2.3. Artikel 6, eerste lid, van de Verordening luidt als volgt:

"1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren.".

2.4. Het Uitvoeringsbesluit luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Burgemeester en Wethouders van Amsterdam, ....

Brengen ter algemene kennis, dat zij in hun vergadering van 17 december 1993 hebben besloten: ....

dat de voldoening van de parkeerbelasting door middel van het kopen van een kaartje uit een parkeerautomaat geschiedt met inachtneming van de voorschriften die op dat kaartje zijn gesteld;".

De hier bedoelde voorschriften, die op de kaartjes uit de parkeerautomaten zijn gesteld, houden in:

"Plaats het kaartje goed leesbaar achter uw voorruit".

3. Tussen partijen vaststaande feiten

Belanghebbende heeft op 24 juni 1994 een auto geparkeerd in de a-straat te Amsterdam ter hoogte van het perceel nummer ... Voor het aldaar parkeren van een voertuig moest parkeerbelasting worden voldaan. Hij voldeed die belasting bij een parkeerautomaat en legde het door de automaat verstrekte kaartje in de auto. Bij een controle door medewerkers van de dienst Parkeerbeheer kon niet worden vastgesteld dat parkeerbelasting was voldaan, omdat het kaartje in de auto op de grond was gevallen en daardoor vanaf de buitenkant van de auto niet zichtbaar was. Het kaartje was ten tijde van de controle nog geldig.

4. Geschil

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende heeft voldaan aan de verplichting de door hem verschuldigde parkeerbelasting op aangifte te voldoen, hetgeen belanghebbende verdedigt maar de inspecteur bestrijdt.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de gedingstukken en de onder 1 opgenomen pleitnota.

Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd.

Aangenomen kan worden dat belanghebbende de door hem verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald, maar dat het parkeerkaartje in de auto op de grond is gevallen waardoor het vanaf de buitenkant van de auto niet zichtbaar was.

De dienst Parkeerbeheer legt jaarlijks ongeveer 140.000 naheffingsaanslagen parkeerbelasting op. Het aantal bezwaarschriften beloopt ongeveer 6.000 per jaar. Zo'n 15% van de bezwaarschriften (900 per jaar) betreft gevallen, waarin het gekochte kaartje niet zichtbaar in de auto aanwezig was.

Het handhaven van de parkeerbelasting zal moeilijker worden als bekend wordt, dat teruggaaf wordt verleend indien men achteraf een geldig kaartje kan tonen. In dit verband verwijs ik nog naar de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot het invoeren van parkeerbelastingen. Uit de bij de pleitnota gevoegde bladzijde 9 van die memorie, derde volle ali- nea, laatste zin, blijkt dat het betalingsbewijs duidelijk zichtbaar moet zijn om de controle te vereenvoudigen.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Het bezwaarschrift was kennelijk gericht tegen de naheffingsaanslag en de daarmee verband houdende beschikking kos- ten wielklem. De directeur heeft belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld afzonderlijke bezwaarschriften in te dienen tegen de aanslag en de beschikking. Evenmin heeft de directeur het bezwaarschrift gesplitst en op (één van) de aldus ontstane bezwaarschriften afzonderlijk uitspraak gedaan. Deze gang van zaken is in strijd met het bepaalde in de artikelen 24a en 25, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De naheffingsaanslag en de beschikking hangen evenwel samen met hetzelfde belastbare feit en indien bezwaar bestaat tegen de aanslag zal nagenoeg steeds, en zo ook in het onderhavige geval, op gelijke gronden bezwaar bestaan tegen de beschikking. Daarbij komt dat, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 235, eerste lid, van de Gemeentewet, naheffingsaanslag en wielklem nagenoeg op hetzelfde moment aan het voertuig worden aangebracht en door belastingplichtigen als één maatregel worden ervaren. Onder deze omstandigheden ziet het Hof er uit praktische overwegingen van af het bezwaarschrift alsnog te doen splitsen.

6.2. In zijn arresten van 22 februari 1984, nummers 21 979 en 22 238, BNB 1984/233 en 234, oordeelde de Hoge Raad dat volgens het stelsel van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals dit onder meer in de artikelen 10 en 19 van die wet tot uitdrukking is gebracht, de verplichting tot het doen van aangifte en de verplichting tot betaling weliswaar nauw met elkaar samenhangen maar niettemin afzonderlijke verplichtingen zijn, zodat niet valt aan te nemen dat in de artikelen 20 en 22 van die wet met de term betalen tevens het doen van aangifte wordt aangeduid. Onjuist is derhalve de opvatting dat materieel verschuldigde belasting, welke in feite is voldaan of afgedragen maar niet is opgenomen in de aangifte waartoe de belastingplichtige was gehouden, moet worden aangemerkt als belasting welke niet is betaald.

6.3. Het in 6.2 overwogene geldt mede voor parkeerbelastingen geheven bij wege van voldoening op aangifte. Het bepaalde in artikel 234, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet staat daaraan niet in de weg. Met die bepaling is kennelijk slechts beoogd vast te stellen dat voldoening op aangifte van parkeerbelasting plaatsvindt op andere wijze dan door het inleveren van een aangiftebiljet. In de geschiedenis van die bepaling zijn geen aanwijzingen te vinden voor de opvatting, dat de wetgever een inbreuk heeft willen maken op het stelsel van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in die zin dat het onderscheid tussen de verplichting tot het doen van aangifte en de verplichting tot het betalen van de belasting betekenis zou missen voor de parkeerbelasting.

6.4. Tussen partijen staat vast dat belanghebbende de door hem verschuldigde parkeerbelasting tijdig heeft betaald. Gelet op het in 6.2 en 6.3 overwogene is naheffing van die belasting dan niet toegestaan, ook al heeft belanghebbende niet voldaan aan de verplichting tot het doen van aangifte op de wijze als is bepaald in het Uitvoeringsbesluit en op het parkeerkaartje. Het gelijk is dus aan belanghebbende.

6.5. De inspecteur heeft nog aangevoerd dat het parkeerkaartje duidelijk zichtbaar in de auto aanwezig moet zijn om de controle te vereenvoudigen en dat het loslaten van dit vereiste het handhaven van de parkeerbelasting zal bemoeilijken. Het Hof is evenwel niet overtuigd van de noodzaak, om praktische redenen een inbreuk te maken op het hiervoor omschreven heffingssysteem. Uit door de inspecteur ter zitting verstrekte gegevens blijkt dat van de in Amsterdam opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting slechts ongeveer 0,6% in bezwaar wordt bestreden door alsnog een geldig parkeerkaartje over te leggen. Het gaat hier dus om betrekkelijk gering percentage. Voorts stelt de inspecteur dat het niet mogelijk is om aan de hand van een achteraf overgelegd kaartje vast te stellen voor welk belastbaar feit de belasting is betaald. Kennelijk doelt hij hier op de mogelijkheid dat een parkeerder een geldig kaartje van een andere parkeerder overneemt. Dienaangaande verdient opmerking dat de bewijslast, dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan, in eerste aanleg op de inspecteur rust. De omstandigheid, dat bij controle geen geldig parkeerkaartje is waargenomen, kan in het algemeen als toereikend bewijs dienen. De belastingplichtige heeft echter de mogelijkheid tegenbewijs te leveren, bijvoorbeeld door het alsnog overleggen van een geldig parkeerkaartje. De rechter heeft de vrijheid aan dat tegenbewijs de waarde toe te kennen die hem goeddunkt. De enkele omstandigheid dat de parkeerautomaten kaartjes produceren waarop geen nadere gegevens - zoals het kenteken van de auto - staan afgedrukt, behoeft aan de bewijskracht van die kaartjes niet af te doen. Gelet op meerbedoeld heffingssysteem kan van de belastingplichtige niet het bewijs worden gevergd dat het parkeerkaartje goed leesbaar - al dan niet achter de voorruit - in de auto aanwezig was.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de directeur, de naheffingsaanslag en de beschikking en

- gelast de directeur het betaalde griffierecht ad ƒ 40,-- aan belang-hebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 8 september 1995 door Mrs. Rensema, Groeneveld en Onnes, in tegenwoordigheid van Mr. Polman als griffier.

De beslissing zal in het openbaar worden uitgesproken ter zitting van 15 september 1995 om 10.00 uur.

De voorzitter van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR nummer 31657 (red.)]