Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1995:AA4031

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
93/5409
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1996/111, 3.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk: 93/5409

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 1 december 1993, ingediend door J. te H als belanghebbendes gemachtigde, en aangevuld bij brief van 5 januari 1994. Het beroep is gericht tegen de uitspraak met dagtekening 4 oktober 1993 van de inspecteur betreffende het door belang-hebbende ingediende bezwaarschrift tegen de beschikking ex artikel 70 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarbij werd besloten het in dat artikel bedoelde voordeel vast te stellen op nihil. Voormelde beschikking was met dagtekening 28 november 1991 genomen op het door belanghebbende op 10 april 1991 ingediende verzoek daartoe. Na bezwaar tegen de beschikking is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van deze uitspraak en tot vaststelling van het voordeel op ¦ 19.870,--.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en conclu-deert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 24 mei 1995 zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde, alsmede de inspecteur.

De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt.

Op 7 juni 1995 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan waarvan het proces-verbaal op 16 juni 1995 aangetekend aan partijen is verzonden.

Bij brief ter griffie ontvangen op 28 juni 1995 heeft belang-hebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht is verrekend in de door de gemachtigde bij het Gerechtshof aangehouden rekening-courantverhouding.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren op ...., is firmant van de vennootschap onder firma G. te A (hierna: de firma). In dit verband oefent belanghebbende te zamen met zijn broer, M. , een tuinbouwbedrijf uit.

2.2. Op 13 januari 1978 kocht de firma twee percelen bouwland onder A ter grootte van in totaal 2.77.65 ha. Op 15 februari 1985 werd van een van voormelde percelen, waarvan de totale oppervlakte 1.71.35 ha bedraagt, een gedeelte ter grootte van 513 m2 toegescheiden aan belanghebbende. Deze betaalde hier-voor ¦ 5.130,-- aan zijn broer. Belanghebbende heeft op deze grond zijn woonhuis laten bouwen. Grond en woning zijn in eerste instantie als privé-vermogen aangemerkt, doch later als buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen.

2.3. Tot de stukken behoort het, op 17 maart 1987 gedagteken-de, resultaat van een door de taxateur van de Inspectie der registratie en successie te Q gedaan waarde-onderzoek, waarin de vrije waarde van belanghebbendes woonhuis inclusief erf en ondergrond per 15 februari 1985 werd vastgesteld op ¦ 170.000,--.

De waarde van ondergrond en erf, waarbij is uitgegaan van een oppervlakte van 5.40 are, werd vastgesteld op ¦ 25.000,--, terwijl de agrarische waarde hiervan werd vastgesteld op ± ¦ 1.200,-- (uitgaande van ± ¦ 22.000,-- per ha).

2.4. Door de firma zijn in de jaren 1986 tot en met 1992 investeringen gedaan in onder meer machines, meerjarige plantopstanden, grond en -verbetering, bedrijfsgebouwen, auto's en tractoren tot totaalbedragen van achtereenvolgens ¦ 10.270,--, ¦ 54.936,--, ¦ 21.488,--, ¦ 29.973,--, ¦ 129.373,--, ¦ 2.423,-- en ¦ 30.695,--.

In de jaren 1987 tot en met 1992 bedroegen de netto winsten van de firma respectievelijk ¦ 118.376,--, ¦ 85.717,--, ¦ 87.325,--, ¦ 127.397,--, ¦ 91.672,-- en ¦ 87.534,--.

Op 20 mei 1988 verzocht de firma de gemeente A haar een vergunning tot het bouwen van een bedrijfsruimte te verlenen; de bouwkosten werden geschat op ¦ 138.000,--.

Sinds 1990 geniet M. een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.

2.5. In de litigieuze beschikking van 28 november 1991 is voor zover hier van belang vermeld:

"Overwegende, dat de waarde in vrij-opleverbare staat van de grond op 31 maart 1986 ¦ 25.000,-- zou hebben bedragen;

dat de waarde (in bewoonde staat) die in het economische verkeer aan de grond, zo deze geen agrarische bestemming zou hebben, op 31 maart 1986 zou moeten worden toegekend ¦ 15.000,-- bedraagt;

dat de waarde in het economische verkeer van de grond in agrarische bestemming op 31 maart 1986 ¦ 5.130,-- be-draagt;

Overwegende voorts, dat niet is gebleken dat de grond, bezien vanuit de toestand per 31 maart 1986, voor-taan/waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aang-ewend;

dat er derhalve geen sprake is van een voordeel ter zake van waardeveranderingen van gronden die verband houden met de omstandigheid dat de grond voortaan of waar-schijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefe-ning van een landbouwbedrijf zal worden aangewend;

Besluit de (latente) bestemmingswijzigingswinst vast te stellen op nihil."

3. Geschil

In geschil is of sprake is van een voordeel ter zake van waardeverandering van grond als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, door partijen aangeduid als bestemmingswijzigingswinst.

4. Standpunten van partijen

Verwezen wordt naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken en in de pleitnota is vermeld.

Ter zitting hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

belanghebbende:

Dezerzijds wordt uitgegaan van de in de beschikking vermelde bedragen, aangezien daaraan een taxatie ten grondslag ligt en mag worden verondersteld dat de taxateur weet welke uitgangs-punten hij moet hanteren.

De inspecteur laat de vraag of wel of niet een beschikking moet worden afgegeven afhangen van de omstandigheden op 31 maart 1986. Naar mijn idee is die zienswijze achterhaald: als er op die datum een waardeverschil is, dan is er kennelijk sprake van een naderende bestemmingswijziging. Dit zo zijnde, is het van geen enkel belang meer wanneer die winst wordt gerealiseerd.

de inspecteur:

Het "iets", waarop de pleitnota, tweede alinea, doelt, dat op een naderende verandering van de bestemming wijst, behoeft niet te zijn gelegen in de planologische sfeer. Het kan ook gaan om overbrengen naar privé in verband met staking en dergelijke.

Het arrest BNB 1994/313 is mij bekend. De inspecteur had daar kennelijk iets anders bedoeld dan de Hoge Raad eruit afleid-de.

Er is geen sprake van een nadere bestemmingswijziging. Het gaat in casu om de volstrekt denkbeeldige situatie dat het aan een niet-agrariër zou worden verkocht. De conclusie mag niet zijn dat er sprake is van een aankomende bestemmingswij-ziging.

Belanghebbende moet aantonen dat bestemmingswijziging aan-staande is. In het vertoogschrift is dienaangaande een aantal feiten genoemd. Het bedrijf bleef gewoon bestaan met alle overlast van dien.

Het is een nihil-beschikking. De bedragen die daarin zijn genoemd, hadden de bedragen moeten zijn van WEV en Wevab. Die bedragen zijn gelijk. ¦ 1.200,-- is de Wevab van cultuurgrond en ¦ 25.000,-- is de Wevab van bouwgrond. De waarde van de bouwgrond zonder agrarische bestemming daarvan zou niet veel hoger zijn dan ¦ 25.000,--, omdat het agrarische bedrijf eromheen gewoon blijft voortbestaan. Er is echter geen waardeverschil.

Het door belanghebbende voorgestane bedrag op zichzelf is niet in geschil.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 70, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) worden niet tot de winst gerekend voordelen ter zake van waardeveranderingen van gronden die verband houden met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend, voor zover die voordelen zijn ontstaan voor 1 april 1986. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van evenbedoelde wettelijke bepaling hebben deze voordelen betrekking op de waardestijging van de grond die door bestemmingswijziging van de grond is of zal ontstaan en zijn die voordelen gelijk aan het verschil van de op 31 maart 1986 aan de grond toe te kennen waarde in het economische verkeer (verkoopwaarde) en de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming.

5.2. Het Hof stelt voorop dat het op de weg van belanghebben-de ligt aannemelijk te maken dat, en zo ja in hoeverre, in het onderhavige geval van een voordeel als hier bedoeld sprake is.

5.3. Belanghebbende heeft in dit verband aangevoerd dat uit de in het geding zijnde beschikking blijkt dat sprake is van een vrijgestelde bestemmingswijzigingswinst van ¦ 19.870,--.

5.4. De inspecteur heeft daartegenover aangevoerd dat er op 31 maart 1986 geen enkele kans bestond op spoedige aanwending van de grond buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf en dat niemand, al dan niet agrariër, voor de grond meer zou hebben geboden dan de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming. Voorts heeft de inspecteur ter zitting hieraan toegevoegd dat de omstandigheid dat het in de beschikking genoemde bedrag van ¦ 25.000,-- als waarde in vrij opleverbare staat van de grond op 31 maart 1986 niet meer dan een imaginaire waarde repre-senteert, de waarde namelijk die er zou zijn, als de grond geen agrarische bestemming zou hebben.

5.5. Gelet op hetgeen over en weer is aangevoerd, heeft belanghebbende naar 's Hofs oordeel tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de waarde in het economische verkeer van de in geding zijnde grond op 31 maart 1986 hoger was dan de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van die grond.

5.6. Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat hij aan de onderscheidene in de bestreden beschikking genoemde bedragen het vertrouwen heeft ontleend dat sprake was van een bestemmingswijzigingswinst van ¦ 19.870,--, vermag het Hof belanghebbende hierin niet te volgen. Het in de onderwerpelijke beschikking neergelegde besluit van de inspecteur houdt immers in dat hij de (latente) bestemmings-wijzigingswinst vaststelt op nihil.

5.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat de inspecteur het in artikel 70, eerste lid, van de Wet bedoelde voordeel terecht op nihil heeft gesteld.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgelegd in raadkamer van 6 september 1995 ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 7 juni 1995 door mrs Dutmer, voorzitter, Bijl en De Vries, leden, in tegenwoordigheid van mr Maat als griffier.

De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

[Zie ook arrest HR nummer 31879 red.]