Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
16/3274 PW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermogen in Turkije. Vermogensonderzoek Utrecht niet in strijd met discriminatieverbod. Risicoprofiel voor onderzoek met geboorteplaats buiten Nederland als selectiecriterium levert “verdacht” onderscheid op. Rechtmatige toepassing van de bijstandswetgeving vormt zeer zwaarwegende reden voor het gemaakte onderscheid. Het toegepaste middel staat in een redelijke verhouding tot dat doel.

2. Oplegging boete. Verlaging boete in verband met draagkracht appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3274 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 april 2016, 15/5197 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 5 juni 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met de zaak 16/1562 PW plaatsgevonden op 16 januari 2018. Namens appellante is verschenen mr. Gürses. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh en mr. P.R. Kuus. In de hiervoor genoemde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 9 juli 2008 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van het project ‘Vermogen in het buitenland’ (project) dat op 1 september 2014 is gestart, heeft het college een risicoprofiel opgesteld voor onderzoek. Geselecteerd zijn personen die (1) een geboorteplaats buiten Nederland hebben, en (2) sinds 2010 één of meerdere keren langer dan de toegestane periode - meer dan 28 dagen - met vakantie in het buitenland zijn geweest, en (3) een lopende uitkering ontvangen. Uit de aldus geselecteerde bijstandsgerechtigden heeft het college een steekproef getrokken. Appellante paste in het profiel en viel in de steekproef.

1.3.1.

Onder verwijzing naar het project heeft een handhavingsspecialist van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht (handhavingsspecialist) in oktober 2014 informatie opgevraagd bij appellante, onder meer over bezittingen, zoals een woning in binnen- of buitenland, inkomsten uit verhuur en adresgegevens van een eventuele eigen woning.

[naam dochter] (S), een dochter van appellante, heeft op 21 oktober 2014 informatie verstrekt over het verblijfsadres van appellante tijdens vakanties in Turkije, het TC Kimliknummer van appellante verstrekt en medegedeeld dat appellante niet in het bezit is van iets waarvan S papieren kan inleveren. Omdat appellante niet alle gevraagde gegevens had verstrekt, heeft het college appellante bij brief van 21 oktober 2014 opnieuw om deze gegevens verzocht. Bij besluit van 5 november 2014 heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van 16 oktober 2014 opgeschort, op de grond dat zij niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt. Hierbij is appellante in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken. Appellante heeft op 10 november 2014 de gevraagde gegevens verstrekt.

1.3.2.

In opdracht van het college en met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF) heeft vervolgens het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau Attaché) een onderzoek verricht naar bezit van onroerende zaken van appellante in Turkije. Het IBF heeft de bevindingen van dit onderzoek, neergelegd in een rapportage vermogensonderzoek, bij brief van 6 februari 2015 toegezonden aan het college. Uit de rapportage vermogensonderzoek komt het volgende naar voren. Appellante heeft bij de afdeling onroerende zaakbelasting (OZB) van de deelgemeente [naam gemeente] van de stad [naam stad] belastingaangifte gedaan voor een woning, die appellante volgens de belastingaangifte vanaf 28 december 1999 in bezit heeft. De woning betreft een appartement en bevindt zich in de wijk [naam wijk] in een wooncomplex genaamd [naam wooncomplex], de kadastrale ligging daarvan is [ligging]. Bij een bezoek aan dat adres heeft de bewoner verklaard dat hij appellante kent en het appartement van appellante huurt. Hij woont daar sinds twee jaar. Hij betaalt 300 Turkse Lira (TL) huur per maand en stort dit bedrag op haar bankrekening. Hij hoorde dat appellante het appartement twee maanden daarvoor aan een dochter van appellante, [naam L] (L) had verkocht. Een taxateur heeft op 5 december 2014 de woning getaxeerd op 80.000 TL, wat omgerekend neerkomt op € 28.996,-.

1.3.3.

Bij brief van 3 maart 2015 heeft de handhavingsspecialist, onder verwijzing naar het project, appellante uitgenodigd voor een gesprek op 9 maart 2015, met het verzoek een aantal nader genoemde bescheiden aan te leveren onder meer met betrekking tot het vermogen en bezittingen in Turkije vanaf 7 oktober 2015 en inkomsten uit Turkije. Appellante is verschenen, bijgestaan door L. Appellante heeft tijdens het gesprek onder meer verklaard dat zij geen bezittingen heeft in Turkije. L heeft tijdens het gesprek onder meer het volgende verklaard. De woning, die sinds 28 december 1999 op naam van appellante staat, is van haar. Zij is jong getrouwd en had een eigen zaak in [plaatsnaam 1]. Haar ex-echtgenoot was gokverslaafd en ter bescherming heeft L de woning op naam van haar moeder gezet. L kon de woning niet eerder van de naam van haar moeder halen, omdat ze eerder geen contact hadden.

1.3.4.

De handhavingsspecialist heeft appellante vervolgens bij brief van 26 maart 2015 verzocht om nadere gegevens te verstrekken, waaronder gegevens waaruit blijkt sinds wanneer appellante de woning in bezit heeft, hoe appellante de woning gefinancierd heeft en gegevens over inkomsten uit verhuur. In reactie hierop heeft L bij e-mailbericht van 2 april 2015 afschriften van vliegtickets overgelegd en medegedeeld dat zij de andere gegevens die worden gevraagd, niet heeft.

1.3.5.

De handhavingsspecialist heeft alle bevindingen van het onderzoek neergelegd in een rapport van 9 april 2015.

1.4.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij twee afzonderlijke besluiten van 11 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 september 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 9 juli 2008 in te trekken, de over de periode van 9 juli 2008 tot en met 28 februari 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 93.680,54 van appellante terug te vorderen en aan appellante een boete op te leggen van € 23.940,-. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het bezit van de woning en door geen melding te maken van inkomsten uit verhuur van de woning. Appellante heeft geen melding gemaakt van het bezit van de woning en zij heeft, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de woning van L is. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand per 9 juli 2008 niet worden vastgesteld. De boete is vastgesteld op 100% van het benadelingsbedrag over de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 februari 2013. Het college is hierbij uitgegaan van opzet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de opgelegde boete, en het bedrag van de boete vastgesteld op € 17.960,-. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet heeft aangetoond dat appellante willens en wetens de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, maar dat wel sprake is van grove schuld. De boete wordt daarom vastgesteld op 75% van het benadelingsbedrag.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het deel van het bestreden besluit dat ziet op de intrekking en terugvordering in stand is gelaten en voor zover daarbij de boete is bepaald op € 17.960,-.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Intrekking en terugvordering

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 9 juli 2008 tot en met 11 mei 2015.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat het college bij het onderzoek in het kader van het project heeft gehandeld in strijd met het verbod van discriminatie als neergelegd in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) door een groep mensen onder de loep te nemen die geboren zijn te [plaatsnaam 2] en/of die langer dan 28 dagen in Turkije hebben verbleven.

4.3.

Ingevolge artikel 53a van de PW is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Zoals de Raad vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2481), is een bijstandverlenend orgaan in beginsel bevoegd om met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing en wegens het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen, bij het toepassen van de algemene onderzoeksbevoegdheid risicoprofielen toe te passen. Daarbij mag echter niet in strijd worden gehandeld met het discriminatieverbod zoals onder meer opgenomen in artikel 14 van het EVRM en in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM.

4.4.

Het project is beschreven in het ‘Projectplan: Vermogen in het buitenland’ van juli 2014 (projectplan). Met betrekking tot het projectplan en de hierop ter zitting door het college gegeven toelichting wordt het volgende vastgesteld. Voor de onderzoeksopzet heeft het college gekeken naar de opzet van het project in de gemeente Schiedam. In totaal 950 bijstandsgerechtigden, geboren in een groot aantal landen, voldeden aan de onder 1.2 genoemde selectiecriteria (groep van 950), wat ongeveer 10% is van het totaal aantal bijstandsgerechtigden in Utrecht. In overleg met het IBF zijn bijstandsgerechtigden uit landen waar geen onderzoek kan worden verricht, uit het bestand gehaald. Vervolgens is digitaal en aselect een steekproef getrokken van 200 bijstandsgerechtigden (groep van 200). Deze steekproef is representatief, in die zin dat de verhouding tussen de bijstandsgerechtigden afkomstig uit de verschillende, kort gezegd, geboortelanden in de groep van 200 gelijk is aan de verhouding tussen de bijstandsgerechtigden uit die geboortelanden in de groep van 950. Om pragmatische redenen is niet de gehele groep van 950 aan een onderzoek onderworpen. Van de groep van 200 kwamen er 12 uit Europa, 2 uit de Nederlandse Antillen, 21 uit Suriname, 124 uit Turkije, 31 uit Marokko en 10 uit de rest van de wereld. Naar de 31 Marokkaanse bijstandsgerechtigden kon ten tijde van het project geen onderzoek in Marokko plaatsvinden. Het IBF heeft naar alle overige (169) bijstandsgerechtigden van de groep van 200 vermogensonderzoek in het buitenland verricht. Op basis van de van het IBF ontvangen informatie heeft de afdeling Handhaving vervolgens in 102 zaken nader onderzoek gedaan.

4.5.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in het project een nagenoeg gelijkluidend risicoprofiel heeft gehanteerd als aan de orde was in de uitspraak van 14 april 2015 inzake Schiedam (ECLI:NL:CRVB:2015:1229 - uitspraak Schiedam), met dien verstande dat het college uit het bestand van bijstandsgerechtigden die voldeden aan de drie onder 1.2 genoemde selectiecriteria ook nog een steekproef heeft getrokken om de onderzoekspopulatie te verkleinen. In de uitspraak Schiedam ging het om een risicoprofiel voor onderzoek waarbij bijstandsgerechtigden werden geselecteerd die (1) op 1 januari 2011 ouder waren dan 50 jaar, en (2) een lopende bijstandsuitkering hadden, en (3) uit een ander land afkomstig waren dan uit Nederland, en (4) een vakantiemelding hadden van 30 dagen of langer in één of meer kalenderjaren vanaf 1 januari 2009. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, door het risicoprofiel als hiervoor vermeld toe te passen en op grond daarvan onderzoek in het buitenland te doen, niet heeft gehandeld in strijd met het verbod van discriminatie. In wat appellante heeft aangevoerd over onder meer de uitspraak Schiedam ziet de Raad geen aanleiding om in het geval van appellante tot een ander oordeel te komen dan in die uitspraak. De overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid behoeven wel enige nuancering. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6.1.

Artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

“1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.”

4.6.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180), is volgens constante rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een verschil in behandeling voor de toepassing van onder meer artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is, dat wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. De verdragsstaten beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of en in welke mate verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De omvang van deze beoordelingsmarge is primair afhankelijk van de aard van het gemaakte onderscheid. Zo is het onderscheid naar bijvoorbeeld woonplaats, zoals in de hier genoemde uitspraak van 12 december 2014 is overwogen, geen “verdacht” onderscheid, zodat ten aanzien van een dergelijk onderscheid de verdragsstaat een ruime “margin of appreciation” toekomt. Dit geldt te meer in dit geval, waar het gaat om een maatregel op het terrein van de sociale zekerheid. Volgens constante rechtspraak van het EHRM is verschil in behandeling uitsluitend op grond van nationaliteit alleen dan toegelaten als daarvoor “very weighty reasons” (zeer zwaarwegende redenen) bestaan (arrest Andrejeva v. Latvia [GC], 18 februari 2009, no. 55707/00, § 87, ECHR 2009). In het arrest British Gurkha Welfare Society and Others v. the United Kingdom van

15 september 2016, no. 44818/11, ECHR 2016/246, heeft het EHRM in een zaak waarin een verschil in behandeling op grond van uitsluitend nationaliteit aan de orde was, geoordeeld dat (ook) in het kader van de “very weighty reasons-toets” in ogenschouw moet worden genomen dat Staten in het algemeen een ruime “margin of appreciation” toekomt waar het gaat om een maatregel op het terrein van de sociale zekerheid.

4.7.1.

Het college heeft door het gebruik van het gehanteerde risicoprofiel met de drie onder 1.2 genoemde selectiecriteria een onderscheid gemaakt tussen bijstandsgerechtigden en hen verschillend behandeld. Een bepaalde groep bijstandsgerechtigden met een geboorteplaats buiten Nederland is onderworpen aan een niet-regulier onderzoek, terwijl de in Nederland geboren bijstandsgerechtigden met dezelfde kenmerken niet in dit onderzoek zijn betrokken. Is een risicoprofiel, zoals thans in geding, beperkt tot bijstandsgerechtigden met een geboorteplaats buiten Nederland, dan gaat het om een onderscheid naar nationale of maatschappelijke afkomst. Dit onderscheid wordt als een “verdacht” onderscheid aangemerkt. Een zodanig onderscheid dient te worden gerechtvaardigd door zeer zwaarwegende redenen.

4.7.2.

In het kader van de intensiteit van de rechtvaardigingstoets hecht de Raad betekenis aan het feit dat het onderscheid in het kader van het onderzoek naar de rechtmatige toepassing van de bijstandswetgeving wordt gemaakt en niet in het kader van een aanspraak op een materieel recht. Met het in 4.7.1 omschreven verschil in behandeling wordt het recht op bijstand dat personen ingevolge artikel 11 van de PW hebben, in beginsel niet aangetast, zolang er aan de voorwaarden wordt voldaan. In die context moet de “very weighty reasons-toets” worden geplaatst en leidt dat, gezien de aard van het gemaakte onderscheid, tot een minder strikte toets dan wanneer sprake zou zijn van een aantasting van een materieel recht. Hierbij wordt van belang geacht dat uit de rechtspraak van het EHRM wordt afgeleid dat niet elk “verdacht” onderscheid leidt tot eenzelfde strenge rechtvaardigingstoets (vergelijk. het onder 4.6.2 genoemd arrest British Gurkha Welfare Society and Others v. the United Kingdom).

4.7.3.

In het licht van vorenstaand toetsingskader is voor de beoordeling van de rechtvaardiging van het onderscheid van betekenis dat het onderzoek dat ten aanzien van de bijstandsgerechtigden die behoren tot het door het college gehanteerde risicoprofiel in een ander land wordt uitgevoerd, ten aanzien van hen en alle andere bijstandsgerechtigden vrijwel voortdurend en vrijwel ongemerkt in Nederland wordt uitgevoerd, zodat van verschillende behandeling in zoverre in zeer beperkte mate sprake is.

4.7.4.

Zoals de Raad al heeft overwogen in de uitspraak Schiedam, zijn vermogensonderzoeken in het buitenland kostbaar en is het voor het bijstandverlenend orgaan nog meer zaak om bij de inzet van de algemene onderzoeksbevoegdheid in het buitenland zo gericht mogelijk te werk te gaan en daarop een risicoprofiel af te stemmen. Die afstemming dient daarom ook te mogen geschieden ten aanzien van de vraag in welk land onderzoek zal plaatsvinden. Van het bijstandverlenend orgaan kan immers, gelet op de kosten, niet worden verlangd dat het ten aanzien van al zijn bijstandsgerechtigden onderzoek doet in alle landen ter wereld.

4.7.5.

Verder is sprake van een verschil - in dit geval tussen bijstandsgerechtigden die in Nederland zijn geboren en bijstandsgerechtigden met een geboorteplaats buiten Nederland - dat relevant is voor de controle op de juiste opgave van middelen door de bijstandsgerechtigde. Een betrokkene die een geboorteplaats buiten Nederland heeft, kan immers een gedeelte van zijn leven buiten Nederland hebben doorgebracht en daardoor de mogelijkheid hebben gehad om inkomens- en vermogensbestanddelen in het buitenland te verwerven, waar voor de in Nederland geboren bijstandsgerechtigde die mogelijkheid veelal niet heeft bestaan. Ook is het mogelijk dat een in het buitenland geboren bijstandsgerechtigde familie heeft in zijn geboorteland, van wie hij door vererving vermogen in het buitenland kan verwerven, waar de in Nederland geboren bijstandsgerechtigde bij vergelijkbare verwerving vermogen in Nederland verkrijgt. Het al dan niet hebben van een geboorteplaats buiten Nederland van een bijstandsgerechtigde kan dus een gegeven zijn dat van belang is voor de vraag of de controle op vermogen en inkomen van de betrokkene vooral op middelen binnen Nederland moet worden gericht of dat controle ook moet worden gericht op middelen in een ander land, en zo ja, welk land.

4.7.6.

Een ander aspect van belang is dat het college bij de toepassing van het criterium geboorteplaats buiten Nederland geen nader onderscheid heeft gemaakt naar één of meer specifiek(e) geboorteland(en) buiten Nederland. Zou het onderzoek zich wel tot slechts één specifiek geboorteland hebben beperkt, dan zou dat vanwege het stigmatiserend effect in beginsel niet toelaatbaar zijn in het kader van de toets aan het discriminatieverbod.

4.7.7.

Ten slotte heeft het college het onder 4.7.1 bedoelde verschil in het risicoprofiel verfijnd met één ander kenmerk, te weten vakantiegedrag. Zoals is overwogen in de uitspraak Schiedam, is het verschil in vakantiegedrag relevant, omdat degenen die over inkomens- en vermogensbestanddelen beschikken in het buitenland, om die te beheren en te onderhouden of daarvan gebruik te maken, vaker langdurig naar de plaats zullen gaan waar die middelen zich bevinden.

4.7.8.

Wat onder 4.7.1 tot en met 4.7.7 is overwogen, leidt, evenals in de uitspraak Schiedam, tot de conclusie dat de verschillen tussen de kenmerken van de bijstandsgerechtigden die behoren tot het door het college gehanteerde risicoprofiel en zij die daar niet toe behoren samen voldoende relevant en objectief zijn om de keuze te maken de algemene onderzoeksbevoegdheid ten aanzien van hen wel onderscheidenlijk niet te richten op een bepaald ander land.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat de rechtmatige toepassing van de bijstandswetgeving een zeer zwaarwegende reden vormt voor het gemaakte onderscheid en dat het toegepaste middel in een redelijke verhouding staat tot dat doel, gelet op de hoge kosten van controle en handhaving en de grote verschillen die bestaan tussen controlemogelijkheden in Nederland en daarbuiten.

4.9.

Anders dan appellante heeft betoogd, bestaan voor de stelling dat het college bij het uitvoeren van de steekproef alleen personen uit [plaatsnaam 2] heeft gecontroleerd, gelet op het onder 4.4 weergegeven onderzoek, geen aanknopingspunten.

4.10.

Uit 4.3 tot en met 4.9 volgt dat de onder 4.2 opgenomen beroepsgrond niet slaagt.

4.11.

De beroepsgrond dat het IBF geen gegevens bij de afdeling OZB kan verkrijgen zonder dat appellante daarvoor een machtiging afgeeft, zodat het IBF de gegevens op een andere, vermoedelijk onrechtmatige wijze, moet hebben verkregen slaagt evenmin, reeds omdat appellante deze beroepsgrond niet heeft onderbouwd.

4.12.

De beroepsgrond dat het college door het verstrekken van het TC Kimliknummer van appellante aan de ambassade en aan de afdeling OZB in strijd heeft gehandeld met artikel 8 van het EVRM, slaagt ook niet. Appellante heeft de stelling dat door de afgifte van het TC Kimliknummer aan de ambassade en de afdeling OZB een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op haar recht op eerbiediging van haar privéleven met geen enkele toelichting, ook niet ter zitting van de Raad, onderbouwd.

4.13.

Appellante betwist dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en voert daartoe aan dat de woning niet haar eigendom is geweest, maar de eigendom van dochter L. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.13.1.

Uit de onder 1.3.2 vermelde rapportage vermogensonderzoek blijkt dat appellante bij de afdeling OZB van de deelgemeente [naam gemeente] van de stad [naam stad] belastingaangifte heeft gedaan voor een woning, die appellante vanaf 28 december 1999 in bezit heeft.

4.13.2.

Zoals is overwogen in de uitspraak van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3136, wordt in Turkije voor de OZB de eigenaar van een onroerende zaak als belastingplichtige aangemerkt. Indien onroerende zaken in een register OZB op naam van een betrokkene staan genoteerd is derhalve de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.13.3.

Appellante is daarin niet geslaagd. Appellante heeft een eigendomsbewijs (tapu senedi) van de woning overgelegd, waaruit blijkt dat de woning volledig op haar naam geregistreerd stond en op 20 oktober 2014 door verkoop op naam van L is geregistreerd. Hieruit volgt dat appellante de woning kon verkopen en aldus daarover heeft beschikt.

4.13.4.

De door appellante overgelegde schriftelijke verklaring van L van 8 juni 2015, waarin staat dat de woning van L is en niet van appellante en dat L destijds de woning op naam van appellante heeft gezet omdat zij getrouwd was met een gokverslaafde man, werpt geen ander licht op de beschikkingsmacht van appellante. Deze verklaring is na het intrekkingsbesluit opgesteld en appellante heeft deze verklaring niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Ditzelfde geldt ook voor de schriftelijke verklaring van de huurder van de woning van

8 oktober 2015. Deze verklaring is eveneens na het intrekkingsbesluit opgesteld. De opmerking van de huurder in die verklaring, dat hij dacht dat het appartement van appellante was omdat de beheerder dat had gezegd, is niet geloofwaardig, omdat hij in eerste instantie tegen de buitendienstmedewerker van de ambassade heeft verklaard dat hij de huur op de rekening van appellante stortte en dat hij gehoord heeft dat het appartement twee maanden daarvoor aan een dochter van appellante, L, was verkocht. De opmerking in de verklaring van 8 juni 2015 dat hij de huur op de rekening van L stort, staat haaks op zijn verklaring die hij tegenover de buitendienstmedewerker heeft afgelegd. Een verklaring voor deze discrepantie heeft appellante niet gegeven.

4.14.

Appellante heeft ter zitting van de Raad aangevoerd dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld, omdat de waarde van de woning is getaxeerd door een makelaar en de inkomsten uit huur volgen uit de verklaring die de huurder tegenover de buitendienstmedewerker van de ambassade heeft afgelegd. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

4.14.1.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.14.2.

Appellante is daarin niet geslaagd. De door de makelaar vastgestelde waarde van de woning op 5 december 2014 ziet niet op de waarde per 9 juli 2008 en de waardeontwikkeling van de woning daarna. De door de huurder op 27 november 2014 afgelegde verklaring tegenover de buitendienstmedewerker van de ambassade waarin de huurder verklaart dat hij ongeveer twee jaar de woning huurt en 300 TL huur per maand betaalt, beslaat niet de gehele te beoordelen periode en appellante heeft niet met verifieerbare stukken onderbouwd dat dat bedrag per maand aan huur is betaald. Bovendien volgt uit 4.13.3 dat appellante de woning op 20 oktober 2014 heeft verkocht aan L. Niet bekend is welk bedrag appellante in verband met de verkoop heeft ontvangen. Het op de tapu senedi vermeldde verkoopbedrag van TL 50.000 kan immers niet zonder meer als de daadwerkelijke verkoopprijs worden aangemerkt. Vergelijk de uitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1790.
4.15. Appellante heeft aangevoerd dat de terugvordering niet redelijk en onevenredig is. De terugvordering heeft ingrijpende gevolgen voor haar dagelijks leven, terwijl evident is dat appellante geen draagkracht heeft.

4.15.1.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW is het college gehouden de te veel betaalde bijstand terug te vorderen. Op grond van artikel 58, achtste lid, van de PW kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Naar vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5042) kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van de terugvordering voor de betrokkene. In wat appellante heeft aangevoerd over haar financiële omstandigheden zijn geen dringende redenen gelegen als hiervoor bedoeld.

4.15.2.

Nu het recht op bijstand over de (gehele) te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld, is geen sprake van een situatie als bedoeld in de uitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1688, zodat de beroepsgrond dat de terugvordering onevenredig is niet slaagt.

Boete

4.16.

Uit 4.14.1 tot en met 4.14.3 volgt dat het college, nu appellante geen melding heeft gemaakt van het bezit van de woning in Turkije en de huurinkomsten, ook heeft aangetoond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.17.

Ter zitting hebben beide partijen te kennen gegeven dat als de Raad oordeelt dat het college heeft aangetoond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, de boete kan worden vastgesteld op 12 x 10% van de voor appellante geldende bijstandsnorm ten tijde van deze uitspraak (€ 992,12), dus op € 1.190,54. In aanmerking genomen dat tussen partijen niet langer in geschil is dat sprake is van normale verwijtbaarheid en appellante een inkomen heeft ter hoogte van of minder dan de voor haar geldende bijstandsnorm, en gelet op de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, is in het geval van appellante een boete van € 1.190,54 passend en geboden.

4.18.

Uit 4.17 volgt dat het hoger beroep slaagt voor zover dat ziet op de hoogte van de boete, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij de boete is vastgesteld op € 17.960,-. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het boetebesluit van 11 mei 2015 herroepen en de boete vaststellen op € 1.190,54. Voor het overige zal de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante in hoger beroep en in bezwaar. Deze kosten worden begroot € 1.002,- in bezwaar en op € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 2.004,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtbank het bedrag van de

boete heeft vastgesteld op € 17.960,-;

  • -

    herroept het besluit van 11 mei 2015 dat ziet op de boete;

  • -

    stelt het bedrag van de boete vast op € 1.190,54 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde gedeelte van het besluit van 3 september 2015;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.004,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) S.A. de Graaff

UM