Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:80

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2022
Datum publicatie
13-01-2022
Zaaknummer
20/1195 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigeren een WIA-uitkering toe te kennen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van ernstige somatische of psychiatrische aandoeningen die met medisch objectieve stoornissen in de energiehuishouding gepaard gaan. Evenmin is sprake van een aandoening waarbij op voorhand moet worden gesteld dat appellant minder uren inzetbaar zou zijn. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1195 WIA

Datum uitspraak: 10 januari 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 februari 2020, 19/3573 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 15 december 2021. Namens appellant is verschenen mr. Molenaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als cargo officer voor 40 uur per week. Op 17 februari 2017 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld met fysieke klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant op 11 december 2018 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 december 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 4,18%. Bij besluit van 2 januari 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 15 februari 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 juli 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 6 juni 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 1 juli 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in verband met de knieklachten van appellant extra beperkingen aangenomen en vastgelegd in een FML van 6 juni 2019. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens nieuwe functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 4,20%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringskundig onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is. Het Uwv heeft verder voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies, rekening houdend met de beperkingen van appellant, vallen binnen zijn belastbaarheid zoals vastgesteld in de FML van 6 juni 2019 en dus geschikt zijn voor appellant. Dit betekent dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stand kan houden.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het verzekeringskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant niet onderzocht. Ook heeft deze arts ten onrechte geen informatie ingewonnen bij de orthopedisch chirurg over de knieoperatie op 15 mei 2019 en de revalidatie daarna. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder onvoldoende beperkingen aangenomen. Binnen drie maanden na de datum in geding was sprake van verlies van benutbare mogelijkheden vanwege de knieoperatie. Nadien moest appellant revalideren. Verder heeft appellant een cannabisverslaving, die volgens DSM V moet worden aangemerkt als psychiatrische aandoening. In verband met de knieoperatie en de revalidatie daarna had ook een urenbeperking moeten worden aangenomen. Ter onderbouwing heeft appellant een uitdraai van het dossier van zijn huisarts ingebracht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 februari 2021 ingebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 15 februari 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, eigen onderzoek en informatie van de behandelende sector. Er zijn geen aanknopingspunten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat bij het onderzoek relevante medische informatie is gemist. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet meer inzichten zou hebben opgeleverd over de medische situatie van appellant op de datum in geding. In een rapport van 1 februari 2021 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog toegelicht dat een lichamelijk onderzoek in de bezwaarprocedure geen toegevoegde waarde had, omdat de medische situatie drie weken na de knieoperatie niet op datum in geding aanwezig was. Bovendien was met de bevindingen bij het onderzoek van de verzekeringsarts op 11 december 2018 en de medische gegevens van de orthopeed een consistent en duidelijk medisch beeld op en rond datum in geding naar voren gekomen. Geen aanleiding bestaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen. Appellant wordt ook niet gevolgd in zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een gedetailleerd operatieverslag had moeten opvragen bij de orthopeed en had moeten informeren in welke mate appellant was aangewezen op een revalidatieperiode. De operatie noch de gestelde revalidatieperiode nadien zien op de datum in geding.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, wordt onderschreven. Van een situatie waarin uit het verzekeringskundig onderzoek blijkt dat appellant benutbare mogelijkheden heeft maar deze mogelijkheden naar verwachting binnen drie maanden zal verliezen, zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van het Schattingsbesluit, is geen sprake. Ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts op 11 december 2018 was nog geen sprake van een nieuwe knieoperatie binnen drie maanden na dit onderzoek. De operatie aan de knie op 15 mei 2019 valt ook niet binnen dit tijdsbestek. Appellant had eventueel rondom de datum van de knieoperatie een melding van verslechtering van zijn gezondheidssituatie kunnen doen. Bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding speelt de latere knieoperatie echter geen rol.

4.5.

Ook bestond voor de verzekeringsartsen geen aanleiding om op de datum in geding beperkingen aan te nemen in verband met de cannabisverslaving van appellant. Dat in een latere WIA-procedure van appellant door een verzekeringsarts van het Uwv in 2021 wel beperkingen op cognitieve, affectieve en geheugenaspecten zijn aangenomen, betekent niet dat deze beperkingen op de datum in geding ook aanwezig waren. Dat blijkt ook niet uit de rapporten van de verzekeringsartsen. De cannabisverslaving van appellant was bij de verzekeringsartsen bekend. Tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van

11 december 2018 is geen psychiatrische stoornis geobjectiveerd. Appellant had wel klachten van spanningen, maar dit waren normale klachten passend bij psychosociale stressoren en de omstandigheden waarin hij verkeerde. Dit blijkt zowel uit de anamnese als uit het oriƫnterend psychiatrisch onderzoek van verzekeringsarts, waarin geen ernstige psychiatrische symptomatologie en geen opvallende cognitieve tekortkomingen zijn geconstateerd. In bezwaar, beroep en hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat op de datum in geding sprake was van afwijkingen of stoornissen in de psychische functies.

4.6.

De verzekeringsartsen kunnen voorts worden gevolgd in het standpunt dat op de datum in geding geen medische indicatie voor een urenbeperking bestond. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van ernstige somatische of psychiatrische aandoeningen die met medisch objectieve stoornissen in de energiehuishouding gepaard gaan. Appellant heeft pijnklachten waarmee rekening wordt gehouden door de fysieke belasting te verminderen. Evenmin is sprake van een aandoening waarbij op voorhand moet worden gesteld dat appellant minder uren inzetbaar zou zijn. Ook is er geen sprake van een verminderde beschikbaarheid in verband met behandeling.

4.7.

Appellant heeft in hoger beroep geen medische stukken ingebracht die een ander licht op zijn medische situatie op de datum in geding werpen. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 1 februari 2021 terecht stelt, komt uit de uitdraai van het huisartsendossier, die appellant heeft overgelegd, geen ander medisch beeld naar voren dan reeds bekend en beschreven. Hiermee is in de FML van 6 juni 2019 al rekening gehouden bij het aannemen van de beperkingen ten aanzien van omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen.

4.8.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van J.J.C. Vorias als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2022.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) J.J.C. Vorias