Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:71

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2022
Datum publicatie
11-01-2022
Zaaknummer
21/2009 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdelijke aanstelling van rechtswege beëindigd. Tijdelijke aanstelling is niet van rechtswege overgegaan in een aanstelling voor onbepaalde tijd. Er is geen sprake van drie tijdelijke aanstellingen, ook niet van tijdelijke aanstellingen die meer dan 36 maanden hebben geduurd en ook niet van het verrichten van dezelfde werkzaamheden gedurende 36 maanden. Dat laatste volgt alleen al uit het feit dat de functies die appellante in de relevante periode heeft gehad, in verschillende salarisschalen zijn ingedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 2009 AW

Datum uitspraak: 7 januari 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 april 2021, 20/3287 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Buitenlandse Zaken (minister)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de minister heeft mr. G. Hehenkamp, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. J.J. Blanken, advocaat, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Blanken. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hehenkamp.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

2.1.

Appellante is van 5 januari 2016 tot 1 maart 2018 via een intermediair als gedetacheerd medewerker werkzaam geweest bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in de functie van [functie 1] bij de [dienstonderdeel 1] (salarisschaal 8).

2.2.

Bij besluit van 16 januari 2018 heeft de minister appellante aangesteld in tijdelijke dienst voor de periode van 1 maart 2018 tot en met 29 februari 2020. Appellante is geplaatst in de functie van [functie 2] bij de [dienstonderdeel 2] (salarisschaal 7). De reden voor de tijdelijke aanstelling is volgens het besluit gelegen in het feit dat voor deze functie slechts tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt wordt gedaan.

2.3.

Bij besluit van 26 februari 2019 heeft de minister appellante tot het moment dat haar aanstelling van rechtswege zou eindigen, op 29 februari 2020, geplaatst in de functie van [functie 3] (salarisschaal 7).

2.4.

Bij besluit van 13 november 2019 heeft de minister appellante laten weten dat haar tijdelijke aanstelling van rechtswege eindigt op 29 februari 2020. Bij besluit van 24 maart 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Zoals de Raad eerder heeft overwogen geldt daarbij wel de voorwaarde dat het bestuursorgaan met het besluit om de aanstelling niet voort te zetten niet in strijd komt met het geschreven of het ongeschreven recht. De minister heeft zich, gelet op het bepaalde in artikel 19, zesde en zevende lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellante in de relevante periode niet dezelfde werkzaamheden heeft verricht. Dit betekent, omdat appellante eerst via een uitzendbureau bij het ministerie werkte, dat op 1 januari 2020 geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te oordelen dat de minister heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap door het primaire besluit voor 1 januari 2020 te nemen. De minister heeft er voorts op gewezen dat de ketenregeling van artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek geen andere uitkomst geeft, omdat ook daar geldt dat de op elkaar volgende arbeidsovereenkomsten ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. De rechtbank heeft verder nog overwogen dat het vertrouwensbeginsel en het fair play beginsel niet zijn geschonden en dat niet is gebleken dat appellante onevenredig in haar belangen is geschaad.

4. Met het hoger beroep wil appellante bereiken dat de minister haar alsnog een aanstelling voor onbepaalde tijd moet verlenen.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1.

Appellante heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat haar tijdelijke aanstelling van rechtswege is overgegaan in een aanstelling voor onbepaalde tijd, omdat zij al per 5 januari 2019 drie jaar bij het ministerie werkte en steeds (min of meer) dezelfde werkzaamheden heeft verricht.

5.2.

Appellante heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de minister haar aanstelling ten onrechte niet heeft omgezet in een aanstelling voor onbepaalde tijd. Daartoe heeft zij betoogd dat de minister niet zorgvuldig heeft gehandeld, omdat ten tijde van de ontslagaanzegging al bekend was dat op het moment van het aflopen van de aanstelling niet langer het Algemeen Rijksambtenarenreglement maar de Wet Normalisering rechtspositie ambtenaren (WNRA) zou gelden. Volgens appellante zou haar laatste tijdelijke aanstelling onder de WNRA geconverteerd worden in een aanstelling voor onbepaalde tijd. Verder heeft appellante gewezen op het bij haar met een e-mailbericht van haar voormalige leidinggevende van 14 februari 2019 gewekte vertrouwen dat haar tijdelijke aanstelling zou worden omgezet in een aanstelling voor onbepaalde tijd. Appellante heeft er ten slotte nog op gewezen dat de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm verder gaat dan goed werkgeverschap. De minister had daarom meer aandacht moeten schenken aan haar persoonlijke omstandigheden en ook daarom de tijdelijke aanstelling moeten omzetten in een aanstelling voor onbepaalde tijd.

5.3.

De Raad volgt deze standpunten van appellante niet. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in de kern een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden uitvoerig en adequaat besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en neemt deze over. In aanvulling hierop overweegt de Raad nog het volgende.

5.4.

In artikel 19, zesde lid, van het RDBZ is bepaald dat een aanstelling voor bepaalde tijd geldt als een aanstelling voor onbepaalde tijd als sprake is geweest van drie tijdelijke aanstellingen met tussenpozen van niet meer dan drie maanden of als de tijdelijke aanstellingen in totaal en met inbegrip van de tussenpozen langer dan 36 maanden hebben geduurd. In artikel 19, zevende lid, van het RDBZ is vervolgens bepaald dat het zesde lid van overeenkomstige toepassing is als deels op een andere titel dan een aanstelling, bijvoorbeeld een detachering, dezelfde werkzaamheden zijn verricht. In het geval van appellante wordt aan geen van deze eisen voldaan. Er is geen sprake van drie tijdelijke aanstellingen, ook niet van tijdelijke aanstellingen die meer dan 36 maanden hebben geduurd en ook niet van het verrichten van dezelfde werkzaamheden gedurende 36 maanden. Dat laatste volgt alleen al uit het feit dat de functies die appellante in de relevante periode heeft gehad, in verschillende salarisschalen zijn ingedeeld.

5.5.

De Raad overweegt verder dat appellante haar stelling dat de minister – al dan niet vooruitlopend op de inwerkingtreding ervan per 1 januari 2020 – de WNRA had moeten toepassen en haar met toepassing van artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had moeten geven, niet heeft onderbouwd. De Raad overweegt dat deze stelling al daarom niet kan slagen. De Raad wijst verder op het onder 1 weergegevene waaruit volgt dat de WRNA niet op dit geschil tussen appellante en de minister van toepassing is. De Raad overweegt in dit verband verder nog dat er geen geschreven of ongeschreven rechtsregel is die de minister verbood om voor de inwerkingtreding van de WNRA het besluit te nemen om de tijdelijke aanstelling van appellante niet te verlengen of om te zetten in een aanstelling (of arbeidsovereenkomst) voor onbepaalde tijd.

5.6.

Ten slotte merkt de Raad over het beroep op het vertrouwensbeginsel op dat dit al niet kan slagen, nu in het e-mailbericht van de voormalige leidinggevende van appellante van 14 februari 2019 bij de overplaatsing van appellante naar [functie 3] een uitdrukkelijk voorbehoud is gemaakt waar het gaat om de omzetting van de tijdelijke aanstelling in een aanstelling voor onbepaalde tijd. Vermeld is immers dat die omzetting alleen zal plaatsvinden “als het goed bevalt en de formele hoepeltjes, zoals assessment, zijn genomen”.

5.7.

Uit 5.4 tot en met 5.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2022.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M. Buur