Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:60

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2022
Datum publicatie
11-01-2022
Zaaknummer
21/578 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Compensatie van de pensioenschade. De Raad is van oordeel dat waar partijen het eens zijn over de netto aanspraak, het daarmee gemoeide bedrag van € 12.508,80 gewoon gebruteerd moet worden op de wijze zoals dat met netto salaris en uitkeringen gebeurt. Het bestreden besluit is op dit onderdeel onzorgvuldig voorbereid. Het is immers evident dat het bruto equivalent van een bedrag van ruim € 12.500,- netto niet een lager bedrag kan zijn, omdat dan van de vereiste inhouding van loonbelasting geen sprake is. Het lag op de weg van het college om dit te signaleren en te onderzoeken, bijvoorbeeld door dit voor te houden aan de actuaris of de eigen salarisadministratie, alvorens opnieuw te beslissen op het bezwaar. De Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 578 AW

Datum uitspraak: 6 januari 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van 23 december 2020

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van bestuur van de universiteit Leiden (het college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 29 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2659, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2019, 18/4049 bevestigd. In die uitspraak heeft de rechtbank de in bezwaar gehandhaafde toekenning aan appellant van een compensatie van € 1.244,75 bruto per maand vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.

Bij de uitspraak van 29 oktober 2020 heeft de Raad met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld.

Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 23 december 2020 (bestreden besluit) heeft het college aan appellant ter compensatie van pensioenschade een bedrag van € 8.107,- bruto toegekend.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2021. Appellant is verschenen met zijn echtgenote. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Paanakker.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

2.1.

Voor de feiten en omstandigheden waar hij bij de beoordeling van het bestreden besluit van uitgaat verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 29 oktober 2020.

2.2.

In de uitspraak van 29 oktober 2020 heeft de Raad, met de rechtbank geoordeeld dat het college met de beëindiging van de uitkering op grond van de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten 2014 (BWNU) per 8 maart 2018 onder toekenning van een compensatie van € 1.244,75 bruto per maand over de periode van 8 maart 2018 tot en met 7 juli 2019 verboden onderscheid naar leeftijd heeft gemaakt als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla). De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen, wat de Raad heeft bevestigd.

2.3.

Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 29 oktober 2020 heeft het college met het bestreden besluit aan appellant ter compensatie van de pensioenschade een bruto bedrag van € 8.107,- toegekend. Daarbij is het college uitgegaan van de gegevens zoals die door appellant zijn aangeleverd en opgesteld door zijn actuaris, de heer [A] van Pensum BV, die een berekening van de schade heeft gemaakt. In zijn brief van 15 maart 2021 heeft het college het bestreden besluit gewijzigd en het door [A] berekende bedrag van

€ 8.810,- bruto als pensioenschade geaccepteerd.

3. In beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen het bestreden besluit gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bruto compensatie

4.1.

Tussen partijen is alleen nog in geschil of met de toegekende – en inmiddels uitbetaalde – compensatie van € 8.810,- bruto is voldaan aan de gerechtvaardigde aanspraak van appellant voor wat betreft het pensioendeel, dat is de schade die betrekking heeft op de periode die aanvangt na de AOW-leeftijd van 66 jaar en vier maanden en eindigt op de sterfteleeftijd (dat is de verwachte sterfteleeftijd van mannen op basis van CBS-gegevens). De schade tussen 65 jaar en de verhoogde AOW-leeftijd (het AOW-deel) is niet in geschil.

4.2.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het college desgevraagd bevestigd dat ook het college uitgaat van de juistheid van de netto bedragen zoals die staan in het overzicht van [A]. Het college onderschrijft dat de schade van het pensioendeel netto € 12.452, - bedraagt. Daarbij is uitgegaan van een sterfteleeftijd van 86,3 jaar.

4.3.

Appellant heeft betoogd, dat de sterfteleeftijd 86,33 jaar is en dat de periode van het pensioendeel aldus exact een periode van 20 jaar omvat. Omdat [A] ten onrechte had gerekend met een sterfteleeftijd van 86,3 jaar, resulteert bij een correcte berekening het netto pensioenschadebedrag in € 12.508,80. Dit (afrondings)verschil is door het college niet bestreden.

4.4.1.

Partijen zijn het er over eens dat het college de compensatie als een bruto bedrag moet betalen. De vraag rijst hoeveel het bruto equivalent van het netto bedrag van € 12.508,80 bedraagt.

4.4.2.

Het overzicht van [A] vermeldt als corresponderend bruto bedrag € 8.810,-. Omdat dit bruto bedrag (beduidend) lager is dan het netto bedrag, is het netto bedrag kennelijk niet gebruteerd. In zijn brief van 4 oktober 2021 heeft [A] desgevraagd uitgelegd dat de bruto bedragen in zijn berekening moeten worden gezien als fictieve tekorten, die lager uitvallen dan de bijbehorende netto tekorten. Dit komt omdat appellant in de periode van het AOW-deel relatief veel bruto pensioen naar voren heeft moeten halen als keuzepensioen, om te zorgen dat hij in die periode geen netto tekort zou oplopen vanwege het hogere IB-tarief dan wanneer de AOW-leeftijd niet verhoogd was. Hierdoor valt het totale bruto tekort negatief uit (een bruto overschot) voor de periode van het pensioendeel. Het is echter een fictief overschot, omdat appellant daaraan geen netto voordeel heeft overgehouden, aldus [A].

4.4.3.

Wat er ook zij van deze uitleg, de Raad is van oordeel dat waar partijen het eens zijn over de netto aanspraak, het daarmee gemoeide bedrag van € 12.508,80 gewoon gebruteerd moet worden op de wijze zoals dat met netto salaris en uitkeringen gebeurt. Het bestreden besluit is op dit onderdeel onzorgvuldig voorbereid. Het is immers evident dat het bruto equivalent van een bedrag van ruim € 12.500,- netto niet een lager bedrag kan zijn, omdat dan van de vereiste inhouding van loonbelasting geen sprake is. Het lag op de weg van het college om dit te signaleren en te onderzoeken, bijvoorbeeld door dit voor te houden aan de actuaris of de eigen salarisadministratie, alvorens opnieuw te beslissen op het bezwaar.

4.4.4.

Dit betekent dat het beroep van appellant in zoverre slaagt en het bestreden besluit moet worden vernietigd waar het de hoogte van de bruto compensatie betreft.

Advocaatkosten

5. Appellant heeft verder betoogd dat de rechtbank de factuur van 6 oktober 2017 van

€ 1.210,- aan advieskosten van zijn advocaat ten onrechte niet als proceskosten heeft aangemerkt. Volgens appellant heeft hij deze kosten ter voorbereiding van het beroep gemaakt en komen deze voor vergoeding in aanmerking. Dit betoog slaagt niet. Het geven van advies, waarop de factuur van 6 oktober 2017 ziet, voorafgaand aan een procedure is geen proceshandeling in de zin van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht. De advieskosten kunnen daarom niet onder de proceskosten worden gebracht.

Dwangsom

6. Appellant heeft tot slot betoogd dat aan hem een dwangsom moet worden toegekend. Hij heeft aan het college op 28 november 2020 een eerste ingebrekestelling verzonden en op 12 januari 2021 een tweede, aldus appellant. Dit betoog slaagt niet. Zelfs als de brief van 28 november 2020 als een ingebrekestelling zou moeten worden aangemerkt, sorteert hij geen effect. Het is immers een premature ingebrekestelling omdat de termijn voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar op grond van de uitspraak van 29 oktober 2020 pas op 10 december 2020 is verstreken. De tweede ingebrekestelling is van 12 januari 2021. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag, waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Vastgesteld moet worden dat op 13 januari 2021, de datum waarop het bestreden besluit bekend is gemaakt aan appellant, nog geen twee weken waren verstreken sinds de datum van de ingebrekestelling van 12 januari 2021. Dit betekent dat het college geen dwangsom verschuldigd is.

Conclusie

7. De Raad ziet in de gegeven omstandigheden ruimte om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 23 december 2020 te herroepen voor wat betreft de hoogte van de bruto compensatie. De Raad zal appellant ten laste van het college een bruto compensatie toekennen als hieronder is geformuleerd.

8. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 23 december 2020;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant als compensatie van de pensioenschade binnen vier weken na deze uitspraak moet betalen: het bruto equivalent als bedoeld in overweging 4.4.3 van het netto bedrag van € 12.508,80;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en J.T.H Zimmerman en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2022.

(getekend) H. Lagas

(getekend) B.H.B. Verheul