Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:57

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2022
Datum publicatie
11-01-2022
Zaaknummer
21/304 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 304 ZW

Datum uitspraak: 6 januari 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 december 2020, 19/6181 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door mr. G. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als ontbijtmedewerker voor ongeveer 19 uur per week. Daarnaast ontving appellant aanvullend een uitkering op grond van de Werkloosheidswet voor zijn werkzaamheden als lab technicus voor 37 uur per week. Met ingang van 11 mei 2018 heeft appellant zich ziek gemeld met knieklachten (na een val op het werk). Nadien heeft appellant ook psychische klachten gemeld. Het dienstverband is per 14 januari 2019 van rechtswege beëindigd. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 10 mei 2019 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 mei 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werkzaamheden te verrichten, vervolgens een vijftal functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 100% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 3 juni 2019 vastgesteld dat appellant met ingang van 4 juli 2019 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 september 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

Wat betreft de medische grondslag heeft de rechtbank overwogen dat in de beroepsgronden van appellant geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Volgens de rechtbank heeft het Uwv afdoende gemotiveerd waarom een urenbeperking per de datum in geding niet van toepassing is. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen volgt dat de medische situatie van appellant op de datum in geding anders was dan ten tijde van de eerdere beoordeling in het kader van de ZW. Volgens de rechtbank is geconstateerd dat door de behandeling bij appellant een verbetering is opgetreden en het slapen is gereguleerd met slaapmedicatie. Appellant maakt bij het onderzoek geen duidelijk vermoeide indruk meer en heeft een adequate daginvulling. Volgens de Standaard verminderde arbeidsduur is er volgens de rechtbank slechts een urenbeperking aan de orde in strikt omschreven gevallen, te weten: bij een energetische beperking als gevolg van ziekte en gebrek, een beperkte beschikbaarheid in verband met een noodzakelijke medische behandeling of vanuit preventief oogpunt ter voorkoming van een verslechtering van de medische toestand van de betrokkene. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk toegelicht dat deze omschreven gevallen niet van toepassing zijn. Appellant heeft zijn stellingen ook niet onderbouwd met concrete en verifieerbare medische informatie. Wat betreft de rapportage van Salude heeft het Uwv zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat een beoordeling van de belastbaarheid van appellant in het kader van de Participatiewet niet op één lijn gesteld kan worden met de medische beoordeling in het kader van de ZW. De rechtbank ziet in wat appellant heeft aangevoerd daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de toelichting door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verzekeringsartsen de psychische beperkingen van appellant op zorgvuldige wijze en in voldoende mate in kaart hebben gebracht. Het is niet gebleken dat appellant hiermee tekort is gedaan. De door appellant in beroep overgelegde medische informatie van GZ-psycholoog Mourik (Indigo) leidt volgens de rechtbank niet tot het oordeel dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat. De brief van 11 juni 2019 is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar bij zijn oordeelsvorming betrokken. Wat betreft de brief van GZ-psycholoog Van der Mijn van 28 november 2019 verwijst de rechtbank naar het aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 maart 2020, waarin terecht is opgemerkt dat de brief geen nieuwe medische feiten en gezichtspunten bevat ten opzichte van de reeds bekende informatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit deze brief niet volgt dat de psychische belastbaarheid van appellant verkeerd is ingeschat. De rechtbank volgt appellant evenmin in zijn betoog dat hij als gevolg van zijn rugklachten geen functies kan verrichten waarin hij de gehele dag of een groot deel hiervan moet staan. Appellant heeft deze klachten niet naar voren gebracht op de spreekuren van de verzekeringsartsen. Beperkingen die met deze klachten verband houden zijn door beide verzekeringsartsen ook niet vastgesteld. Daarbij komt dat de door appellant overgelegde medische informatie van zijn fysiotherapeut geen onderbouwing vormt voor langdurige fysieke arbeidsbeperkingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 7 augustus 2020 navolgbaar toegelicht dat uit de informatie van de fysiotherapeut volgt dat appellant recidiverende aspecifieke lage rugklachten heeft, die vooral optreden na incidentele overbelasting. Globaal krijgt hij hiervoor eenmaal per jaar een kortdurende behandeling, waarna telkens (nagenoeg) volledig herstel optreedt. Nergens blijkt uit de informatie van de fysiotherapeut dat er objectiveerbare afwijkingen aan de rug van appellant zijn gevonden. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen.

2.2.

Wat betreft de arbeidskundige beroepsgronden van appellant is de rechtbank uitgegaan van het aanvullend rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 juli 2020. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hierin afdoende heeft gemotiveerd dat de functie van wikkelaar geschikt is. Die motivering komt erop neer dat er geen sprake is van multitasking, omdat de taken op een logisch samenhangende volgorde na elkaar en niet tegelijkertijd hoeven te worden uitgevoerd. Gezien de functiebeschrijvingen komt de rechtbank deze uitleg plausibel voor. Voorts is navolgbaar toegelicht dat het bedienen van de wikkelmachine weliswaar een aantal min of meer gelijktijdige handelingen vereist – bedienen van het pedaal, strak houden van een koperdraad en controleren van het wikkelproces – maar dat ook hierbij sprake is van handelingen die een samenhangend geheel vormen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant in staat moet worden geacht tot het verrichten van deze werkzaamheden, ondanks zijn beperkingen ten aanzien van het verdelen van zijn aandacht. Ook het aspect ’vasthouden van de aandacht’ is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd. In de FML staat dat de normaalwaarde niet mag worden overschreden. Dit bekent dat appellant in staat moet worden geacht om de aandacht gedurende minstens een half uur te richten op één informatiebron. Uit de motivering van zowel de primaire verzekeringsarts als de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgt dat er geen sprake is van een overschrijding, omdat in de functie voor een afgeronde deelactiviteit de verwerking van de daarvoor vereiste informatie kortere tijd in beslag neemt dan een half uur. Het zijn deelhandelingen die elkaar steeds opvolgen in een routinematige functie. Dat het gaat om werkzaamheden die volgens de functiebeschrijving zeer nauwkeurig en zeer geconcentreerd moeten worden uitgevoerd, doet hier volgens de rechtbank niet aan af.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant, samengevat, zijn standpunt gehandhaafd dat hij door rugklachten, psychische klachten en slaapproblemen meer beperkt is dan door het Uwv aangenomen en dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten. Volgens appellant heeft het Uwv tot op heden geen deugdelijke onderbouwing gegeven voor de stelling dat zijn psychische klachten zijn afgenomen als gevolg waarvan onder andere geen urenbeperking meer zou gelden. Appellant verwijst naar informatie van Indigo van 11 januari 2021, waaruit blijkt dat er geen sprake is van een afname van de klachten en dat hij nog steeds een behandeling volgt binnen het traject chronisch gericht op het leren leven met een kwetsbaarheid of aandoening. Een van de klachten die in dat traject op de voorgrond staat is vermoeidheid evenals doorslaapproblemen. Indien de slaapmedicatie afdoende zou werken, dan zouden de slaapproblemen niet meer door Indigo worden vermeld rondom de datum in geding. Volgens appellant is het niet aannemelijk dat zijn klachten in 2019 en ook sindsdien verbeterd zijn. Wat betreft de rugklachten heeft appellant eveneens zijn standpunt gehandhaafd dat hij bij lang staan klachten heeft en hij verwijst daarvoor naar het in beroep overgelegd dossier van de fysiotherapeut. Appellant meent dat de langere voorgeschiedenis van rugklachten laat zien dat de rug een zwakke plek is en dat het aannemelijk is, anders dan het Uwv stelt, dat hij geen functie kan uitoefenen waarbij de gehele dag gestaan moet worden, zodat de geselecteerde functies ongeschikt zijn. Appellant heeft voorts zijn standpunt gehandhaafd dat in de functie van wikkelaar wel degelijk sprake is van multitasking en de functie derhalve niet geschikt is. Nu zijn belastbaarheid verkeerd is ingeschat verzoekt appellant de Raad om een deskundige te benoemen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere stukken overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De Raad sluit zich geheel aan bij wat de rechtbank in rechtsoverweging 4.7 tot en met 4.10 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen en bij wat het Uwv in verweer in hoger beroep heeft gesteld. Daar wordt het volgende nog aan toegevoegd.

4.3.

De in hoger beroep overgelegde stukken, waaronder nadere informatie van Indigo van 11 januari 2021 en van 26 augustus 2021, de beoordeling van de verzekeringsarts van 12 maart 2021, de leerwerkovereenkomsten van november 2020 tot en met augustus 2021 en zijn arbeidsovereenkomst van 26 augustus 2021 van 20 uur per week bij de Kringloop, geven geen aanleiding voor een andersluidend oordeel dan de rechtbank. De stukken hebben geen betrekking op de datum in geding, te weten 4 juli 2019. Wat betreft de inhoud van de brief van Indigo van 11 januari 2021 wordt nog geoordeeld dat deze grotendeels overeenkomt met de eerdere brieven van Indigo van 11 juni 2019 en van 28 november 2019. In zijn rapport van 4 maart 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep al gereageerd op de in beroep overgelegde informatie van Indigo en gemotiveerd waarom die informatie geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Uit de brief van Indigo van 26 augustus 2021 blijkt alleen dat appellant sinds 2018 onder behandeling is. Wat betreft de beoordeling van de verzekeringsarts van 12 maart 2021, blijkt dat de klachten van borderline en ADHD zijn toegenomen, dat de psychische draagkracht van appellant (op dat moment) beduidend is afgenomen en dat de huidige toegenomen psychische problemen in combinatie met de slaapproblematiek zorgen voor een beduidend verstoorde energiebalans waardoor appellant momenteel slechts maximaal vier uur per dag belastbaar is.

4.4.

De door appellant ter zitting gegeven nadere toelichting op de beroepsgronden bevat evenmin aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gedaan. Ten aanzien van het feit dat in 2018 en in 2021 wel een urenbeperking van 20 uur per week is aangenomen wordt het volgende overwogen. Op grond van vaste rechtspraak (waaronder de uitspraken van de Raad van 4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039 en 27 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2949) kan er niet aan voorbij worden gegaan dat een FML die bedoeld is om de re-integratiemogelijkheden van een betrokkene in kaart te brengen, een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Aan de FML van 23 november 2018 kan dan ook niet de waarde worden toegekend die appellant daaraan toegekend wil zien. Ook aan de beoordeling van de verzekeringsarts van 12 maart 2021, welk in het kader van de toekenning van een indicatie banenafspraak is opgesteld, waaruit blijkt dat appellant voor maximaal voor 20 uur per week belastbaar is, kan niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan toegekend wil zien. Ook deze beoordeling is bedoeld om appellant (begeleid) te laten re-integreren in arbeid en heeft dus een ander doel dan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Ook het feit dat appellant in november 2020 is begonnen met het verrichten van werkzaamheden voor acht uur per week in het kader van een leerwerkovereenkomst, geeft geen aanleiding om tot een ander standpunt te komen wat betreft de duurbelastbaarheid van appellant. Een leerwerkovereenkomst is bedoeld om een deelnemer (werk)ervaring te laten opdoen met het oog op het verwerven van kennis en vaardigheden. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de verzekeringsarts in onderhavig geding een oordeel heeft gegeven over de datum 4 juli 2019. Voorts is niet gebleken dat er op de datum in geding sprake was van dusdanige vermoeidheidsklachten en/of slaapproblematiek op grond waarvan er een noodzaak was tot het aannemen van een urenbeperking vanwege recuperatiebehoefte. Dit blijkt niet uit het dagverhaal noch uit de stukken van Indigo.

4.5.

Omdat er geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling, wordt het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen afgewezen.

4.6.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel, zoals weergegeven in de overwegingen 5 tot en met 5.3 van de aangevallen uitspraak, dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 10 september 2019 en 29 juli 2020 voldoende inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellant in staat is om de geselecteerde functies te vervullen, waarbij nog uitvoerig is ingegaan op de door appellant ingediende bezwaren.

4.7.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2022.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) E.X.R. Yi