Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:2363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2022
Datum publicatie
08-11-2022
Zaaknummer
21 / 3419 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft het verzoek om erkenning van aansprakelijkheid en toekenning van schadevergoeding terecht afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat ten tijde van het dienstverband sprake is geweest van buitensporige werkomstandigheden die, objectief gezien, tot arbeidsongeschiktheid van appellant hebben geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 3419 AW

Datum uitspraak: 20 oktober 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2021, 20/4939 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Economische Zaken en Klimaat (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. Hoendermis hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hoendermis. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. den Bremer, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

1.2.

Appellant was in 2007 via een uitzendbureau vier maanden werkzaam voor [naam organisatie] ( [naam organisatie] ), [naam functie] , onderdeel van het huidige ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Bij besluit van 26 juli 2007 is appellant met ingang van 1 september 2007 tijdelijk aangesteld voor de duur van acht maanden.

1.3.

Bij besluit van 10 maart 2008 is het aanstellingsbesluit van 26 juli 2007 gewijzigd: de aanstelling is aangegaan voor een duur van twintig maanden in plaats van acht maanden. Er was sprake van een schrijffout en de minister heeft daarvoor verwezen naar het arbeidsvoorwaardengesprek.

1.4.

Bij ongedateerde brief heeft de minister het voornemen geuit appellant met ingang van 1 januari 2009 ontslag te verlenen. Tot de ontslagdatum is appellant vrijgesteld van werk. Bij besluit van 30 september 2008 heeft de minister appellant ontslag verleend met ingang van 1 januari 2009.

1.5.

Bij brief van 29 oktober 2018 heeft appellant de minister verzocht om erkenning van aansprakelijkheid en toekenning van een schadevergoeding voor psychische problemen die hij in de periode van september 2007 tot en met 31 december 2008 gedurende zijn dienstbetrekking bij [naam organisatie] heeft opgelopen. Bij brief van 30 oktober 2019 heeft de minister het voornemen geuit om het verzoek af te wijzen. Appellant heeft hiertegen een zienswijze ingediend.

1.6.

Bij besluit van 20 december 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 juni 2020 (bestreden besluit), heeft de minister het verzoek om erkenning van aansprakelijkheid en toekenning van schadevergoeding afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat ten tijde van het dienstverband sprake is geweest van buitensporige werkomstandigheden die, objectief gezien, tot arbeidsongeschiktheid van appellant hebben geleid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Een ambtenaar heeft recht op vergoeding van de schade die hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt doordat het bestuursorgaan zijn zorgplicht niet is nagekomen. De daarvoor geldende maatstaven zijn vermeld in de uitspraak van de Raad van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072.

4.1.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8837) ziet de zorgplicht van het bestuursorgaan ook op het voorkomen van werkomstandigheden die psychisch ziekmakend zijn. Daarbij kan niet van het bestuursorgaan worden verlangd dat het de ambtenaar op voorhand bescherming biedt tegen alle denkbare wrijvingen en (samenwerkings)problemen die zich op de werkvloer kunnen voordoen.

4.1.3.

De in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren die de schade zouden hebben veroorzaakt, moeten worden geobjectiveerd. Wanneer de gestelde schade in sterkere mate van psychische aard is, zal volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:930) in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die – objectief bezien – een buitensporig karakter dragen in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden. De beoordeling hiervan vergt een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten.

4.2.

Appellant heeft betoogd dat zich buitensporige omstandigheden hebben voorgedaan tijdens zijn dienstverband. Appellant is van mening dat zijn leidinggevende zich onbetamelijk en onheus heeft geuit in het functioneringsgesprek van 3 juli 2008. Daarnaast moeten naar zijn oordeel de omstandigheden bij het verkrijgen van de werkgeversverklaring ook aangemerkt worden als buitensporig. Dit betoog slaagt niet. Dat het functioneringsgesprek spanningen bij appellant heeft veroorzaakt, mede omdat hij de periode daarvoor arbeidsongeschikt was en een tijdelijke aanstelling had, is voorstelbaar, maar dat alleen is nog geen reden om buitensporige omstandigheden aan te nemen. Uit het verslag van het functioneringsgesprek en de andere gedingstukken is niet gebleken dat de leidinggevende appellant tijdens het gesprek onheus heeft bejegend of een zodanige houding tegenover appellant heeft aangenomen dat die omstandigheden als buitensporig zijn aan te merken. De wijze waarop de leidinggevende haar kritiek op het functioneren van appellant heeft geuit, overschrijdt naar het oordeel van de Raad niet wat in een ambtelijke verhouding aanvaardbaar is. Daarvoor is onvoldoende de stelling van appellant dat die kritiek niet is onderbouwd, nog daargelaten of die stelling in dit geval ook houdbaar is. Ook is niet gebleken dat de omstandigheden rondom het afgeven van de werkgeversverklaring een buitensporig karakter hadden. Zoals de minister ook tijdens de behandeling ter zitting heeft meegedeeld, werd destijds bij tijdelijke aanstellingen vaker langer nagedacht over het wel of niet afgeven van een werkgeversverklaring. Dat de leidinggevende van appellant onderaan de werkgeversverklaring heeft vermeld dat aan de verklaring geen rechten kunnen worden ontleend kan niet als een buitensporige omstandigheid worden aangemerkt. Daarbij komt dat de leidinggevende de tekst van de werkgeversverklaring in een latere verklaring nog verduidelijkt heeft.

4.3.

Nu niet is voldaan aan de eis dat de werkzaamheden van appellant of de omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht – objectief beschouwd – een buitensporig karakter hadden, komt de Raad niet toe aan de vraag of er tussen de werkomstandigheden en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwezig is.
4.4. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2022.

(getekend) H. Lagas

(getekend) I. van der Hout