Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:2328

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2022
Datum publicatie
03-11-2022
Zaaknummer
21/1509 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. WIA-beoordeling. Geen deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De verzekeringsarts heeft onvoldoende gemotiveerd dat appellant in de FML niet (verdergaand) beperkt kan worden geacht op de punten toetsenbord bedienen en muis hanteren en werken met toetsenbord en muis. De arbeidsdeskundige heeft de geschiktheid van de (binnen de functie van receptionist) geselecteerde functienummers onvoldoende gemotiveerd. Verder onvoldoende gemotiveerd, dat van appellant gelet op zijn opleidingsniveau en werkervaring kan worden verwacht dat hij eenvoudig PC-werk kan verrichten. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 1509 WIA-T

Datum uitspraak: 27 oktober 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
26 maart 2021, 20/1595 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2022. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Klijnstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als algemeen medewerker en groepsleider van

een fietsrijwielherstelplaats voor 35,86 uur per week. Op 7 september 2016 heeft appellant zich ziek gemeld met klachten van handen en enkels bij artrose en hemochromatose.

1.2.

Op 1 december 2017 heeft appellant een aanvraag ingediend om met toepassing van een verkorte wachttijd in de zin van artikel 23, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering. Bij besluit van 20 februari 2018 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen, omdat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

1.3.

Op 19 juni 2018 heeft appellant een aanvraag op grond van de Wet WIA gedaan. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het Uwv bij besluit van 25 juli 2018 het tijdvak waarin appellant jegens haar ex-werkgever, de gemeente Amsterdam, recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken tot 4 september 2019. Bij besluit van 5 februari 2019 heeft het Uwv het door de gemeente Amsterdam daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

In het kader van de WIA-aanvraag heeft appellant op 8 augustus 2019 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 augustus 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 13 september 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 4 september 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 februari 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 februari 2020, een gewijzigde FML van 13 februari 2020 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 februari 2020 ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een van de eerder geduide functies vervangen en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 7,96%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat de medische situatie van appellant op zorgvuldige wijze is onderzocht en geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Met de door appellant genoemde klachten is voldoende rekening gehouden in de FML van 13 februari 2020. Ten aanzien van de handen zijn beperkingen aangenomen op de punten knijp/grijpkracht, het maken van schroefbewegingen, repetitieve hand/vingerbewegingen en trillingsbelasting. In bezwaar zijn beperkingen op de punten tastzin en boven schouder actief zijn toegevoegd. Wat de hardhorendheid betreft heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 23 juli 2020 geconcludeerd dat appellant de hoorzitting kon volgen en communicatie met hem mogelijk was zonder stemverheffing. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook afdoende gemotiveerd dat geen sprake is van een situatie die moet leiden tot het aannemen van een urenbeperking. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen. Naar het oordeel van de rechtbank moet appellant in staat worden geacht de geduide functies van baliemedewerker (SBC-code 315150), receptionist (SBC-code 315120) en telefonisch verkoper (SBC-code 315173) te vervullen. De rechtbank volgt de opvatting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 17 februari 2020 dat appellant gezien zijn genoten opleiding in staat moet worden geacht zich Word en Excel eigen te maken. In dit rapport en het rapport van 23 april 2020 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep eveneens toegelicht dat en waarom de functies voor appellant passend zijn. De vereisten van de functie gaan de belastbaarheid van appellant zoals opgenomen in de FML niet te boven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat uit de overgelegde brief van de reumatoloog van 30 juni 2021 blijkt dat hij lijdt aan hemochromatose met secundair hieraan een ernstige artrose en zeer vergevorderde destructie van meerdere gewrichten, het meest uitgesproken in meerdere handgewrichten, beide polsen en beide enkels. Verder is volgens de reumatoloog sprake van chondrocalcinose, als gevolg van de hemochromatose, waarbij appellant geregeld aanvallen heeft met hierbij gezwollen gewrichten van de handen, voeten en knieën. In de overgelegde brief van de reumatoloog van 5 april 2022 heeft deze volgens appellant bevestigd dat zijn brief van 30 juni 2021 ook geldig is voor de datum in geding. Appellant heeft betoogd dat hij ten gevolge van deze aandoeningen beperkt is in vrijwel alle hand- en vingerbewegingen. In ieder geval is hij ernstig beperkt ten aanzien van de punten 4.3.2 tot en met 8 (hand- en vingergebruik), 4.5 en 4.6 (gebruik van toetsenbord en muis), 4.13 (duwen of trekken) en 4.14 (tillen of dragen). Ook is volgens appellant een urenbeperking aangewezen. Ter zitting heeft appellant herhaald dat ten onrechte geen beperking is aangenomen voor zijn hardhorendheid en dat hij verdergaand beperkt is op het punt lopen tijdens het werk. Appellant heeft verder aangevoerd dat de geduide functies ongeschikt zijn. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 februari 2020 blijkt dat van appellant gezien zijn opleidingsniveau en werkervaring op diverse gebieden verwacht kan worden dat hij eenvoudig administratief werk met een PC kan verrichten, terwijl hij nooit eerder met een computer heeft gewerkt. Voor de geduide functies is meer dan afgerond basisonderwijs nodig, zodat niet verondersteld kan worden dat appellant de bekwaamheden kan verwerven.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de belastbaarheid van appellant per 4 september 2019 juist is weergegeven in de FML van 13 februari 2020 en of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch en arbeidskundig opzicht geschikt zijn.

Medische grondslag

4.2.

Appellant heeft terecht aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de diagnose chondrocalcinose ten onrechte niet kenbaar bij zijn herbeoordeling heeft betrokken. Uit de door de verzekeringsarts opgevraagde informatie van de reumatoloog van 13 augustus 2019 blijkt dat op dat moment en dus voor de datum in geding bij appellant de diagnose chondrocalcinose in beide polsen was gesteld, van welke diagnose de verzekeringsarts bij zijn beoordeling ook is uitgegaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft (in zijn rapport van 12 april 2022) dan ook ten onrechte gesteld dat de chondrocalcinose voor het eerst wordt beschreven in de brief van de reumatoloog van 14 juli 2020 en in 2019 nog niet bekend was en de diagnose ten onrechte om die reden niet bij zijn heroverweging betrokken. Dit onderdeel van de medische grondslag van het bestreden besluit is ondeugdelijk gemotiveerd.

4.3.

De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 13 februari, 20 april, 23 juli, 11 september, 6 oktober 2020 en 18 januari 2021 voldoende heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat appellant (verdergaand) beperkt te achten op de punten horen (2.2), lopen tijdens het werk (4.19) en evenmin om een urenbeperking aan te nemen. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht die twijfel zaait over dit door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingenomen standpunt. Dit betoog van appellant slaagt dan ook niet.

4.4.

De Raad volgt appellant verder in zijn betoog dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij in de FML niet (verdergaand) beperkt kan worden geacht op de punten toetsenbord bedienen en muis hanteren (4.5) en werken met toetsenbord en muis (4.6). Niet in geschil is dat bij appellant in 2016 de diagnose hemochromatose is gesteld met secundair hieraan een artrose. Evenmin in geschil is dat dit een progressieve ziekte is. Uit de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend reumatoloog (in het bijzonder de brief van 14 juli 2020, waarin een vergelijking wordt gemaakt tussen de in 2017 en 2019 gemaakte echo’s) volgt genoegzaam dat sprake is van een progressieve destructie van de handgewrichten en beide polsen. Dit wordt bevestigd in de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van de reumatoloog van 30 juni 2021, gelezen in samenhang met de overgelegde brief van 5 april 2022, waarin deze arts zich op het standpunt stelt dat appellant op de datum in geding niet zonder pijnklachten langdurig typbewegingen kon maken. Het rapport van de verzekeringsarts en beroep van 12 april 2022 geeft de Raad geen aanleiding dit standpunt van de reumatoloog niet te volgen. Aannemelijk is daarom dat appellant op de datum in geding niet in staat was tot het werken met toetsenbord en muis dagelijks ongeveer 4 uur. Appellant is dan ook ten onrechte op punt 4.6 licht beperkt geacht. In het verlengde hiervan acht de Raad eveneens onvoldoende gemotiveerd dat appellant onbelemmerd met twee handen en tien vingers kan werken en er geen aanleiding bestaat een beperking aan te nemen op het punt toetsenbord bedienen en muis hanteren (4.5).

Arbeidskundige grondslag

4.5.

Gelet op wat in 4.4 is overwogen kunnen de geduide functies van baliemedewerker (SBC-code 315150) en telefonisch verkoper (SBC-code 315173) zonder nadere motivering in medisch opzicht niet geschikt geacht worden voor appellant. Daarin is immers sprake van dagelijks gedurende ongeveer 4 uren toetsenbordgebruik en daarmee in beginsel van een overschrijding van de belastbaarheid van appellant op punt 4.6. Of de geduide functie van receptionist (SBC-code 315120), waarin sprake is van dagelijks gedurende ongeveer 2 uren toetsenbordgebruik, nog geschikt is dient eveneens nader te worden beoordeeld en gemotiveerd door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

4.6.

De Raad volgt appellant in zijn betoog dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geschiktheid van de (binnen de functie van receptionist met SBC-code 315120) geselecteerde functienummers 9341.0165.036 en 9341.0165.035 onvoldoende heeft gemotiveerd. In die functienummers geldt de ervaringseis: “Eenvoudig administratief werk met een PC kunnen verrichten.” Uit de Basisinformatie CBBS (p. 67) volgt: “De ervaringseis moet duidelijk onderscheiden worden van de opleidingseis. Let er in dit verband op dat het feit dat een cliënt een bepaalde opleiding gevolgd heeft of heeft gefunctioneerd op een bepaald opleidingsniveau niet automatisch inhoudt dat dan ook aan de ervaringseis is voldaan. Indien een cliënt veertig jaar geleden een MULO-diploma heeft behaald kunnen we niet als vanzelfsprekend aannemen dat er op het voor onze beoordeling relevante moment sprake is van luister- en spreekvaardigheid in de Engelse taal. Daar is nader onderzoek voor nodig.

Voor een ervaringseis geldt dat men daaraan moet voldoen en niet dat men, gelet op bijvoorbeeld het aanwezig geachte niveau, deze ervaring kan verkrijgen.” Appellant betwist dat hij ooit met een computer heeft gewerkt en dat hij over basale computerervaring beschikt.

Gelet op de voornoemde toelichting in de Basisinformatie CBBS acht de Raad de door de arbeidsdeskundige bezwaar in zijn rapport van 17 februari 2020 gegeven motivering, dat van appellant gelet op zijn opleidingsniveau en werkervaring kan worden verwacht dat hij eenvoudig PC-werk kan verrichten, onvoldoende. Met de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv onvoldoende feitelijk onderbouwd dat appellant op de datum in geding voldeed aan de hierboven aangehaalde ervaringseis. De uitspraak van de Raad van 12 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3969), waarnaar het Uwv verwijst in het verweerschrift in hoger beroep, is in dit geval niet relevant. In die zaak waren in de betreffende functie geen bijzondere ervaringseisen gesteld ten aanzien van computergebruik, maar ging het om de vraag of betrokkene – gelet op haar opleidingsniveau – in staat was om computervaardigheden te verwerven.

Conclusie

4.7.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Dit besluit is dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep dient de voor appellant per 8 augustus 2019 geldende FML aan te passen door appellant zodanig verdergaand beperkt te achten op punt 4.6 dat de FML in overeenstemming is met de vaststelling van de reumatoloog dat appellant niet zonder pijnklachten langdurig typbewegingen kan maken. Hiernaast dient de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe heroverweging te verrichten, waarbij de diagnose chondrocalcinose kenbaar wordt betrokken en nader wordt gemotiveerd of, mede in het licht van deze vaststelling van de reumatoloog, aanleiding bestaat appellant ook (meer) beperkt te achten op de punten 4.3 (hand- en vingergebruik), 4.5 (toetsenbord bedienen en muis hanteren), 4.13 (duwen of trekken) en 4.14 (tillen of dragen). Onder 4.4 is geconcludeerd dat de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies niet voldoende is onderbouwd. Omdat het gaat om een beoordeling bij het einde van de wachttijd voor de Wet WIA is het aan het Uwv om te bezien of deze onderbouwing alsnog kan worden gegeven. Anders dient te worden bezien of voor appellant nieuwe functies kunnen worden geselecteerd, zodat het bestreden besluit met nadere motivering kan worden gehandhaafd of een nieuwe beslissing op bezwaar dient te worden genomen. In het geval de functie van receptionist (SBC-code 315120) gehandhaafd blijft met daarbinnen functienummers waarvoor de ervaringseis “Eenvoudig administratief werk met een PC kunnen verrichten” geldt, of een andere functie wordt geselecteerd met deze ervaringseis, dient de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nader te onderbouwen waaruit blijkt dat appellant aan deze ervaringseis voldoet.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 18 februari 2020 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2022.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) E.X.R. Yi