Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:2273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2022
Datum publicatie
25-10-2022
Zaaknummer
21/1213 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 1213 WIA

Datum uitspraak: 20 oktober 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2021, 20/4184 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als applicatiebeheerder voor 31,72 uur per week. Op 6 augustus 2009 heeft zij zich ziek gemeld met burn-out klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 4 augustus 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.

1.2.

Bij besluit van 6 september 2013 is aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 4 november 2013 in aanmerking wordt gebracht voor een loonaanvullingsuitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is 100%.

1.3.

Bij besluit van 23 januari 2017 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 16 januari 2017 48,01% arbeidsongeschikt is. De loonaanvullingsuitkering blijft ongewijzigd voortgezet tot 1 februari 2019. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 januari 2017 is met de beslissing op bezwaar van 12 juni 2017 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 12 juni 2017 heeft appellante beroep ingesteld. In de beroepsprocedure heeft de rechtbank psychiater H.D.B. Vermeulen als deskundige benoemd. Op 2 juli 2018 en
15 oktober 2018 heeft Vermeulen gerapporteerd. Naar aanleiding van de rapporten van Vermeulen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 6 augustus 2018 aanleiding gezien de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen. Hierbij is onder andere de urenbeperking gewijzigd van 8 uur per dag en 40 uur per week, naar 8 uur per dag en 20 uur per week. Deze FML heeft geleid tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 68,29% en een gewijzigde beslissing op bezwaar. Bij uitspraak van 28 juni 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv met de rapporten van na inschakeling van de deskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante voldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft de deskundige niet op alle punten in diens beoordeling gevolgd. Omdat de mate van arbeidsongeschiktheid binnen de klasse 35-80% bleef, is het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 28 juni 2019. Op 20 juli 2020 heeft zij het hoger beroep ingetrokken.

1.5.

Bij besluit van 18 januari 2019 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 februari 2019 in aanmerking wordt gebracht voor een WGA-vervolguitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid valt in de klasse 65-80%. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 januari 2019 is met het besluit van 4 september 2019 gegrond verklaard omdat gebleken is dat aan het besluit van 18 januari 2019 geen actueel medisch en arbeidskundig oordeel ten grondslag lag. De primaire afdeling zal gevraagd worden zo spoedig mogelijk een onderzoek te verrichten naar de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 februari 2019.

1.6.

Naar aanleiding van het besluit van 4 september 2019 heeft appellante op 15 oktober 2019 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een FML van 11 december 2019. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 13 januari 2020 vastgesteld dat de uitkering van appellante niet wijzigt omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid niet is gewijzigd. Zij is 68,42% arbeidsongeschikt. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 juni 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 13 mei 2020 en 11 juni 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag heeft kunnen leggen aan het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom zij is afgegaan op de vorige beoordeling zoals is bevestigd door de rechtbank in de uitspraak van 28 juni 2019. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat de eerder vastgestelde FML na het onderzoek door de deskundige in de eerdere zaak is aangepast. Dit is later in de uitspraak van 28 juni 2019 door de rechtbank bevestigd. De primaire verzekeringsarts heeft deze FML en de door de rechtbank bevestigde urenbeperking overgenomen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is niet gebleken dat het medisch toestandsbeeld van appellante na het onderzoek door de deskundige evident is gewijzigd. Zij voert nog altijd gesprekken met haar behandelaar en de medicatie is ongewijzigd. Er zijn geen aanvullende medische gegevens overgelegd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om appellante te volgen in haar standpunten dat per 1 februari 2019 geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden of dat het Uwv verzuimd heeft om de reacties van appellante van 20 december 2018, 23 januari 2019 en 4 maart 2019 op de rapporten van de deskundige van 2 juli 2018 en van 18 oktober 2019 (de rechtbank begrijpt 15 oktober 2018) in de beoordeling te betrekken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapporten van 13 mei 2020 en 11 juni 2020 weliswaar heeft verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 28 juni 2019 waarin een eerdere datum in geding aan de orde was, maar de rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in genoemde rapporten voldoende heeft toegelicht waarom de beperkingen zoals destijds zijn vastgesteld ook op de datum in geding in deze procedure (1 februari 2019) van toepassing zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht gesteld dat er geen aanvullende medische gegevens zijn overgelegd die leiden tot een andere medische beoordeling. Niet is gebleken dat de nieuwe, door psychiater Vermeulen, gestelde diagnose van invloed is op de beperkingen zoals deze eerder zijn vastgesteld. De door appellante destijds overgelegde stukken van 20 december 2018 en 23 januari 2019, zijn blijkens het rapport van 12 februari 2019 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegewogen in haar beoordeling. De brief van 4 maart 2019 betreft een aanvullend beroepschrift in de vorige procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 28 juni 2019. De rechtbank heeft verder overwogen dat sprake is van een nieuwe beoordeling, waarbij de verzekeringsarts het dossier heeft bestudeerd en appellante heeft gezien op het spreekuur. Appellante heeft op dat moment haar persoonlijke en medische situatie kunnen toelichten aan de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in bezwaar het dossier opnieuw beoordeeld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht waarom de beperkingen zoals destijds (16 januari 2017) zijn vastgesteld ook op de huidige datum in geding (1 februari 2019) van toepassing zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van 13 mei 2020 en 11 juni 2020 alleen verwezen naar het rapport van psychiater Vermeulen en de daaropvolgende aanpassing van de FML, welke aanpassingen door de rechtbank zijn bevestigd. De kritiek van appellante zoals weergegeven in het aanvullend beroepschrift van 23 januari 2019 en het stuk van 4 maart 2019 wordt volgens appellante ten onrechte niet beantwoord. Ten onrechte heeft de rechtbank geen externe deskundige verzekeringsarts benoemd die deskundig is op het gebied van ASS, om zich te uitspreken over de hoogte van de vast te stellen urenbeperking op preventieve gronden op datum in geding 1 februari 2019. Appellante heeft daartoe verwezen naar de uitspraak van de Raad van 29 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1478.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 1 februari 2019 heeft vastgesteld op 68,42% en als gevolg daarvan aan appellante een WGA-vervolguitkering heeft toegekend.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Deze gronden zijn door de rechtbank voldoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 11 december 2019 de medische situatie van appellante beoordeeld per 1 februari 2019. Dit blijkt duidelijk uit het rapport. De verzekeringsarts heeft de persoonlijke en gezondheidssituatie van appellante uitgevraagd en appellante heeft haar situatie kunnen toelichten. Na beschouwing van de FML van 6 augustus 2018, heeft de verzekeringsarts gemotiveerd uiteen gezet waarom hij van mening is dat de daarin aangenomen beperkingen, waaronder aanvullende beperkingen in de rubrieken 1 en 2 en een urenbeperking van gemiddeld 8 uur per dag en 20 uren per week, geen nachtdiensten en regelmatige werktijden, ook passend zijn bij de medische toestand van appellante op
1 februari 2019. De in de eerdere procedure ingebrachte (medische) stukken zijn bij de beoordeling betrokken en ook de diagnose ASS is expliciet in aanmerking genomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat niet is gebleken dat het medisch toestandsbeeld van appellante na het onderzoek door de deskundige evident is gewijzigd. Appellante voert nog altijd gesprekken met haar behandelaar en de medicatie is ongewijzigd. Er zijn geen aanvullende medische gegevens overgelegd die leiden tot een andere medische beoordeling. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd.

4.5.

Nu er geen twijfel is over de juistheid van de medische beoordeling, wordt er geen aanleiding gezien om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De door appellante genoemde uitspraak van de Raad van 29 juni 2022 leidt niet tot een ander oordeel. Dat betrof een andere situatie dan hier aan de orde. Het ging in die zaak om een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht en de Raad heeft in de in die zaak spelende specifieke feiten en omstandigheden aanleiding gezien tot het benoemen van een deskundige.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2022.

(getekend) S. Wijna

(getekend) A.L.K. Dagmar