Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:2244

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2022
Datum publicatie
20-10-2022
Zaaknummer
20/1872 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindigen ZW-uitkering. Er is geen sprake van schending van het beginsel van ‘equality of arms’ en geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen grond is voor het oordeel dat het Uwv de psychische belastbaarheid van appellant heeft overschat. Juiste FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1872 ZW

Datum uitspraak: 19 oktober 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
23 maart 2020, 19/4113 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.H.G. Daane Bolier, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Daane Bolier. Als tolk is verschenen J. Yamman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als kleermaker voor 40 uur per week. Op
9 januari 2018 heeft hij zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met psychische klachten. Daarnaast heeft appellant diverse lichamelijke aandoeningen. Het Uwv heeft appellant per 2 april 2018 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant op 18 januari 2019 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 januari 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 85,10% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 25 januari 2019 de ZW-uitkering van appellant per 26 februari 2019 beëindigd op de grond dat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 mei 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 mei 2019 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant gezien tijdens een spreekuurcontact. Ook heeft de verzekeringsarts de in het dossier aanwezige medische informatie bij zijn beoordeling betrokken, waaronder een brief van 5 oktober 2018 van behandelend psycholoog C. Dedei. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gezien tijdens een spreekuurcontact. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie opgevraagd bij de cardioloog en deze informatie bij de heroverweging betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML van 18 januari 2019. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 3 maart 2020 voldoende heeft gemotiveerd dat het flauwvallen niet medisch is geobjectiveerd zodat er geen reden is om hiervoor beperkingen aan te nemen. De door appellant in beroep overgelegde informatie van de psycholoog heeft geen aanleiding gegeven voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat er geen reden is om beperkingen aan te nemen voor de concentratie en het geheugen. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat de diagnose ernstige depressie geen aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen dan een depressieve episode, waarvan de verzekeringsarts volgens appellant is uitgegaan. Daarbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4300, overwogen dat het de specifieke deskundigheid is van de verzekeringsarts om op grond van de medische gegevens de beperkingen van een betrokkene tot het verrichten van arbeid vast te stellen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd heeft toegelicht dat geen aanleiding bestaat voor het aannemen van een urenbeperking. Uitgaande van de juistheid van de FML van 18 januari 2019, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, evenals in beroep, aangevoerd dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Er zijn te weinig beperkingen aangenomen voor de concentratie- en geheugenproblemen van appellant. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd waarom de diagnose ernstige recidiverende depressieve stoornis geen aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen. Appellant handhaaft zijn standpunt dat een urenbeperking moet worden aangenomen wegens zijn lichamelijke aandoeningen en psychische klachten. Als gevolg van zijn psychische klachten heeft appellant last van slapeloosheid waardoor hij overdag erg vermoeid is en een verhoogde rustbehoefte heeft. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant in hoger beroep verklaringen van de psycholoog van 15 juli 2020 en 3 september 2021 overgelegd. Uit deze verklaringen blijkt volgens appellant ook dat de door hem ervaren concentratie- en geheugenproblemen en het flauwvallen zijn geobjectiveerd. In hoger beroep heeft appellant nog toegevoegd dat het Uwv ten onrechte geen beperking heeft aangenomen voor visusklachten (item 2.1 in de FML). Appellant heeft met een beroep op het arrest Korošec verzocht om een deskundige in te schakelen wegens het ontbreken van equality of arms. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat alleen een verzekeringsarts de beperkingen kan beoordelen. Ook dient een deskundige te worden benoemd omdat met de door hem overgelegde informatie van de psycholoog twijfel is gezaaid aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Verder heeft appellant de beroepsgrond herhaald dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat de functies wikkelaar (SBC-code 267053), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC code 272043) voor hem geschikt zijn wat betreft item 3.9.4 in de FML (geen functies met verhoogd risico op snij- of andere verwondingen). In hoger beroep heeft appellant hieraan toegevoegd dat het Uwv voor de functie productiemedewerker textiel, geen kleding, de signalering op item 4.11.2 (kort cyclisch buigen) niet heeft gemotiveerd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft rapporten van 11 juni 2021, 24 maart 2022 en 8 juni 2022 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in deze rapporten gereageerd op de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie en aangegeven dat deze informatie geen aanleiding geeft voor een ander standpunt. Ook heeft het Uwv rapporten van 7 april 2022 en 10 juni 2022 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

Ter beoordeling ligt voor of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per
26 februari 2019 heeft beëindigd op de grond dat hij per deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

4.3.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding, mede gelet op de – onder 3.1 weergeven – beroepsgronden van appellant, tot het volgende.

Stap 2: equality of arms

4.4.1.

De kern van het beginsel van de equality of arms is erin gelegen dat slechts als er evenwicht bestaat tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, de bestuursrechter in staat is een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. Als de betrokkene (medische) stukken in het geding brengt, moet de bestuursrechter beoordelen of deze stukken een redelijke mogelijkheid vormen voor betrokkene om de bestuursrechter van zijn standpunt te overtuigen.

4.4.2.

Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft in bezwaar, beroep en hoger beroep gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn standpunt te onderbouwen met medische informatie van zijn behandelaars. Appellant heeft informatie ingediend van de psycholoog, te weten brieven van 5 oktober 2018, 6 februari 2020, 15 juli 2020 en 3 september 2021. Ook heeft appellant brieven van de cardioloog van 1 maart 2019 en 6 december 2018 ingediend en informatie van de huisarts. Deze stukken bevatten relevante informatie over de psychische en fysieke klachten van appellant omstreeks de datum in geding, zoals de aard en de ernst van de klachten, de vastgestelde diagnoses en de gevolgde behandelingen. Deze informatie is naar zijn aard geschikt om twijfel te zaaien aan de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv. Dat het, zoals de rechtbank heeft overwogen, de specifieke deskundigheid is van de verzekeringsarts om op grond van de medische gegevens de beperkingen van een betrokkene tot het verrichten van arbeid vast te stellen, kan hier niet aan afdoen. Er is daarom geen sprake van schending van het beginsel van ‘equality of arms’ en geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen grond is voor het oordeel dat het Uwv de psychische belastbaarheid van appellant heeft overschat. Hiertoe wordt gelet op de gronden in hoger beroep het volgende overwogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 24 maart 2022 aangegeven dat de verzekeringsarts in zijn rapport als diagnose een depressieve episode heeft genoteerd in plaats van een recidiverende ernstige depressie, zoals in de brief van de psycholoog van 5 oktober 2018 is vermeld. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar erop gewezen dat de verzekeringsarts de brief van de psycholoog van 5 oktober 2018 bij zijn beoordeling heeft betrokken. Bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant is uitgegaan van een ernstige recidiverende depressieve stoornis en hiervoor zijn voldoende beperkingen aangenomen in de FML van 18 januari 2019. Er is geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat er wegens zijn psychische klachten in de FML beperkingen moeten worden aangenomen voor de concentratie en het geheugen. De verklaring van de psycholoog in zijn brief van 15 juli 2020 aan de gemachtigde van appellant dat een verstoring van de concentratie en het geheugen passend is bij een ernstige depressie en alcoholproblemen en dat hij dit tijdens de contactmomenten met appellant ook heeft waargenomen, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de voor appellant vastgestelde belastbaarheid op deze punten. Hiertoe wordt overwogen dat zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens het spreekuurcontact geen problemen met de concentratie en het geheugen bij appellant hebben waargenomen. Ook is van belang dat de verklaring van de psycholoog dateert van (ruim) een jaar na de datum in geding. Er zit in het dossier geen informatie van de psycholoog waaruit blijkt dat hij rond de datum in geding bij appellant concentratie- en geheugenproblemen heeft waargenomen.

4.6.

De beroepsgrond van appellant dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen, slaagt ook niet. Hiertoe wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat hiervoor geen reden is gelegen in de lichamelijke aandoeningen van appellant. De schildklierfunctie is met medicatie goed gereguleerd. Ook de informatie van de cardioloog geeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden voor het aannemen van een urenbeperking aangezien hieruit blijkt dat sprake is van een normale ventrikelfunctie. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de psychische klachten evenmin aanleiding geven voor het aannemen van een urenbeperking. In een brief van 15 juli 2020 heeft de psycholoog verklaard dat bij appellant sprake is van een verhoogde rustbehoefte in die zin dat appellant een verminderd vermogen heeft om fysieke en geestelijke inspanningen te tonen vanwege zijn psychische klachten. In reactie hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat in de brief van 5 oktober 2018 van de psycholoog aan de verzekeringsarts de door appellant geclaimde verhoogde rustbehoefte niet is vermeld. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat in de FML van 18 januari 2019 zowel lichamelijke als psychische beperkingen zijn aangenomen. Daarnaast is appellant vanwege de depressieve klachten beperkt geacht voor 's nachts werken en werken in sterk wisselende ploegendiensten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen reden om, naast deze beperkingen, een verdergaande urenbeperking aan te nemen dan ongeveer acht uur per dag en ongeveer
40 uur per week. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.7.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het door appellant geclaimde flauwvallen geen aanleiding geeft voor het aannemen van beperkingen wegens het gebrek aan een medische objectivering. Appellant heeft in hoger beroep brieven van 15 juli 2020 en

3 september 2021 van de psycholoog overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat het door hem geclaimde flauwvallen medisch is geobjectiveerd. In deze brieven heeft de psycholoog verklaard en nader toegelicht dat het flauwvallen het gevolg kan zijn van de alcoholproblemen van appellant in combinatie met zijn depressie. Geoordeeld wordt dat de informatie van de psycholoog algemeen van aard is en dat daaraan niet de conclusie kan worden verbonden dat het flauwvallen medisch is geobjectiveerd.

4.8.

Wat betreft de door appellant (pas) in hoger beroep aangevoerde beroepsgrond dat hij beperkt moet worden geacht voor het zien, wordt het volgende overwogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht opgemerkt dat appellant zowel tijdens het spreekuurcontact bij de verzekeringsarts als bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet naar voren heeft gebracht dat hij klachten heeft wat betreft het zien. Appellant heeft in hoger beroep informatie van de huisarts overgelegd waaruit blijkt dat hij op 14 januari 2019 bij de huisarts heeft gemeld dat hij visusklachten heeft. Uit de informatie van de huisarts blijkt niet wat de aard en de ernst van de visusklachten is. Ook is er geen andere, specialistische informatie waaruit dit blijkt en waaruit blijkt dat de visusklachten zijn geobjectiveerd. Er is daarom onvoldoende grond voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte geen beperking heeft aangenomen voor het zien (item 2.1 in de FML).

4.9.

Uit 4.5 tot en met 4.8 volgt dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de beperkingen zoals weergegeven in de FML van 18 januari 2019. Dit betekent dat ook om die reden geen aanleiding wordt gezien een deskundige te benoemen.

4.10.

Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt het volgende overwogen. In hoger beroep heeft opnieuw een arbeidskundige beoordeling plaatsgevonden waarbij de functie wikkelaar (SBC-code 267053) is komen te vervallen. In plaats van deze functie is de reservefunctie productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) aan de schatting ten grondslag gelegd. Hierdoor is het middelste (mediane) loon in de drie functies met de hoogste lonen gewijzigd en is de resterende verdiencapaciteit van appellant berekend op 73,69%. Dit betekent dat appellant onveranderd meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

4.11.1.

Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aldus aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. In hoger beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gelet op de signalering bij beoordelingspunt 4.11.2 (kort cyclisch buigen) alsnog toereikend gemotiveerd dat de belasting op dit beoordelingspunt in de functie van productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

4.11.2.

Ter zitting heeft appellant opgemerkt dat in het rapport van 24 maart 2022 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij SBC-code 111220 de functie van lader, losser is vermeld terwijl in het rapport van de arbeidsdeskundige van 23 januari 2019 bij dezelfde SBC-code de functie magazijn, expeditie medewerker is vermeld. Hierdoor is het volgens appellant de vraag of dit wel dezelfde functie betreft. Overwogen wordt dat er geen enkel aanknopingspunt is dat het om een andere functie zou gaan dan die primair is geduid. Uit de omschrijving van de werkzaamheden blijkt dat het gaat om het laden, lossen, controleren en verplaatsen van goederen op een orderpick-afdeling. Ook het uurloon en het aantal arbeidsplaatsen is exact gelijk.

4.12.

Het bestreden besluit is, gelet op de wijziging van de mediane functie en de aanvullende motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, in hoger beroep pas voorzien van een toereikende arbeidskundige onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Ook als dit gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, moet worden bevestigd.

5. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op

€ 1.518,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-) en € 1.518,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-), in totaal € 3.036,-. Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-
bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 3.036,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2022.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) S. Pouw