Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:2233

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2022
Datum publicatie
20-10-2022
Zaaknummer
21 / 3740 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag kinderbijslag terecht afgewezen. Betrokkene was op de peildata in geding niet verzekerd op grond van de AKW omdat hij (nog) niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt. De stelling van betrokkene in incidenteel hoger beroep dat hij tijdens zijn verblijf van tien jaar in Marokko zijn Nederlands ingezetenschap niet is kwijtgeraakt, wordt niet gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 3740 AKW , 22/62 AKW

Datum uitspraak: 30 september 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 september 2021, 20/5441 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S. Benayad, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2022. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. S. Toughza. De zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft op 23 april 2020 kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor zijn kinderen [kind 1] , geboren in 2012, [kind 2] , geboren in 2015 en [kind 3] , geboren in 2019. Betrokkene heeft daarbij aangegeven sinds 11 maart 2020 weer in Nederland te wonen. Tussen 1 januari 1981 en 5 mei 2010 heeft hij ook in Nederland gewoond en tussen 5 mei 2010 en 11 maart 2020 in Marokko. Sinds 1997 ontvangt hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Betrokkene heeft, net als zijn kinderen, de Nederlandse nationaliteit. Zijn echtgenote heeft de Marokkaanse nationaliteit. Met een besluit van 9 juli 2020 heeft appellant deze aanvraag afgewezen, omdat betrokkene vanaf het tweede kwartaal van 2020 niet in Nederland woont of werkt. In bezwaar stelt betrokkene dat hij inmiddels een eigen huurwoning heeft, dat zijn gezin in Nederland is ingeschreven en dat zijn kinderen vanaf augustus in Nederland naar school gaan. Hij meent een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland te hebben. In het bestreden besluit van 18 september 2020 is het bezwaar ongegrond verklaard. Vermeld is dat het besluit betrekking heeft op het tweede en derde kwartaal van 2020.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 9 juli 2020 herroepen. De rechtbank heeft bepaald dat betrokkene recht heeft op kinderbijslag voor het tweede en derde kwartaal van 2020 en dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Ook heeft de rechtbank een vergoeding van griffierecht en proceskosten toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank was betrokkene, door het verblijf van tien jaar in Marokko, geen ingezetene van Nederland meer toen hij naar Nederland terugkeerde. Wel volgt, naar het oordeel van de rechtbank, uit alle feiten en omstandigheden dat betrokkene op de peildata van beide kwartalen in geding ingezetene van Nederland was omdat hij een duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland op die data. Volgens de rechtbank is daarbij van belang dat betrokkene 31 jaar in Nederland heeft gewoond en gewerkt, in Nederland is opgegroeid, de Nederlandse nationaliteit heeft, evenals zijn kinderen, en goed Nederlands spreekt. Bovendien is zijn gezin ingeschreven in het Nederlandse bevolkingsregister, heeft hij een zorgverzekering en bankrekening in Nederland en ontvangt hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit Nederland. Hij beschikte destijds niet over zelfstandige woonruimte maar wel over duurzame huisvesting. Uit dit alles blijkt, volgens de rechtbank, dat betrokkene de intentie had zich definitief in Nederland te vestigen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te vernietigen en om het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond te verklaren. Volgens appellant heeft de rechtbank de rechtspraak van de Raad onjuist toegepast door al op de eerste peildatum aan te nemen dat betrokkene ingezetene van Nederland was. Daarbij heeft de rechtbank onvoldoende onderkend dat alleen de intentie om zich definitief in Nederland te vestigen onvoldoende is. Ook moet worden gekeken naar de duurzaamheid van het verblijf en of sprake is van duurzame woonruimte. Betrokkene is op de peildata nog maar kort in Nederland, beschikt niet over een duurzaam tot zijn beschikking staande woonruimte, heeft geen inkomsten uit arbeid en was anderszins niet maatschappelijk actief. Volgens appellant kan dan ook niet gesproken worden van ingezetenschap en heeft betrokkene geen recht op kinderbijslag over de periode in geding.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Hij heeft altijd de intentie gehad zich duurzaam in Nederland te vestigen. Dit blijkt uit zijn inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP), het feit dat zijn kinderen en partner zijn meegekomen, de inburgeringscursus van zijn partner, het uitgeoefende stemrecht, de afgesloten zorgverzekering, het feit dat hij in Nederland op zoek is gegaan naar medische zorg en niet in Marokko en zijn vele reizen naar Nederland. Dat hij bij terugkeer naar Nederland in de maatschappelijke opvang is beland, kan hem niet worden tegengeworpen, gezien de krapte op de woningmarkt. Verder heeft betrokkene incidenteel hoger beroep ingesteld omdat hij van mening is dat hij zijn ingezetenschap niet heeft verloren tijdens zijn verblijf in Marokko. Hij heeft zijn Nederlandse nationaliteit en uitkering nooit opgegeven, zijn kinderen hebben een Nederlandse opvoeding gekregen, hij is jaarlijks naar Nederland gereisd en heeft alle contacten met familie/vrienden behouden. Volgens betrokkene is de duurzame persoonlijke band met Nederland er altijd geweest.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of in het geval van betrokkene op de peildata van 1 april 2020 en 1 juli 2020 sprake is van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard tussen hem en Nederland en daarmee van ingezetenschap en van verzekering ingevolge de AKW. Van belang daarbij is of de band tussen betrokkene en Nederland voor 1 april 2020 verbroken was en zo ja, of betrokkene per 1 april 2020 en 1 juli 2020 (weer) als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd.

4.2.

In artikel 6 van de AKW is bepaald dat verzekerd is krachtens die wet degene die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van ingezetenschap op aan of de omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.

4.4.

In een aantal uitspraken van de Raad van mei 2012 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2012:BW5741 en ECLI:NL:CRVB:2012:BW6264) is geoordeeld dat het de exclusieve taak van de rechter is om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of de Svb zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast.

4.5.

De Raad ziet aanleiding allereerst in te gaan op de vraag of betrokkene zijn ingezetenschap is verloren tijdens zijn verblijf in Marokko na 2010. In Beleidsregel SB1027 van de Svb over het einde van de verplichte verzekering na vertrek uit Nederland, is het volgende vastgelegd. Of de band met Nederland verbroken is, stelt de Svb vast op basis van het totaalbeeld van de feiten, waaruit in het concrete geval moet blijken of de betrokkene zijn woonplaats in Nederland heeft opgegeven. Als iemand uit Nederland vertrekt met het voornemen zich definitief in een ander land te vestigen, geldt dat het ingezetenschap eindigt op de datum volgend op die van het feitelijk vertrek uit Nederland. Of het vertrek een definitief karakter heeft, moet blijken uit het totaalbeeld van alle relevante omstandigheden. Als uitgangspunt geldt dat naarmate een betrokkene langer buiten Nederland verblijft het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder sterk wordt. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in het buitenland, beschouwt de Svb betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt de Svb het ingezetenschap als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene op 3 mei 2010 naar Marokko is vertrokken en bijna tien jaar in Marokko heeft verbleven. Op 11 maart 2020 is betrokkene met zijn gezin naar Nederland teruggekeerd.

4.7.

De stelling van betrokkene in incidenteel hoger beroep dat hij tijdens zijn verblijf van tien jaar in Marokko zijn Nederlands ingezetenschap niet is kwijtgeraakt, kan niet worden gevolgd. Daartoe zijn de navolgende omstandigheden van betekenis. Betrokkene is in 2010, naar eigen zeggen, naar Marokko gegaan om te herstellen van zijn ziekte. Vervolgens speelde zijn leven zich gedurende tien jaar in Marokko af. Hij heeft in Marokko een gezin gesticht, woonde er met zijn partner en kinderen en beschikte er over een huurwoning. In Nederland had hij geen woning meer. De door betrokkene genoemde banden met Nederland zoals weergegeven in 3.2 zijn, tegen de achtergrond hiervan, onvoldoende zwaarwegend om betrokkene na tien jaar nog als ingezetene van Nederland te beschouwen. Hieruit volgt dat het incidenteel hoger beroep niet slaagt.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat betrokkene geen ingezetene meer was toen hij in maart 2020 naar Nederland terugkeerde.

4.9.

In beleidsregel SB1022 van de Svb over ingezetenschap en wonen is vastgelegd dat een persoon wordt geacht in Nederland te wonen als tussen hem en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Of sprake is van zulk een band, moet worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval. Objectieve en subjectieve factoren als woon- en werkomgeving, gezin, financiën en inschrijving in het bevolkingsregister worden tegen elkaar afgewogen om tot een eindoordeel te komen. Er wordt niet beslist op basis van één factor. De intentie van een betrokkene om in Nederland te wonen dient te worden beoordeeld aan de hand van het gedrag en dient te blijken uit de feiten en omstandigheden. Een factor waarop de Svb in het bijzonder acht slaat is de duurzaamheid van het verblijf in Nederland of elders.

4.10.

De Raad heeft in zijn uitspraak van onder meer 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877, geoordeeld dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie had zich definitief in Nederland te vestigen. Voorts heeft de Raad in onder meer de uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182, geoordeeld dat het beschikken over een duurzaam tot beschikking staande woonruimte een van de omstandigheden is die van belang zijn bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling.

4.11.

De Raad is van oordeel dat betrokkene op de peildata in geding nog geen ingezetene was. De Raad weegt van de genoemde feiten en omstandigheden in het bijzonder mee dat betrokkene na zijn komst naar Nederland in maart 2020 weliswaar de intentie heeft geuit om zich definitief in Nederland te vestigen maar dat deze intentie onvoldoende door objectieve factoren wordt ondersteund. Op de peildata 1 april 2020 en 1 juli 2020 verbleef betrokkene nog maar kort in Nederland, namelijk drie weken, respectievelijk drie maanden en drie weken. De Raad weegt mee dat betrokkene geen duurzaam tot zijn beschikking staande woonruimte had maar in de maatschappelijke opvang verbleef. Betrokkene heeft verder geen werk, was niet maatschappelijk actief en zijn partner was weliswaar aangemeld voor een inburgeringscursus maar was daar nog niet mee begonnen. Gelet op deze feiten en omstandigheden was er op de peildata nog geen sprake van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. De inschrijving in de BRP en het sluiten van een zorgverzekering zijn onvoldoende voor het aannemen van ingezetenschap in het kader van de AKW omdat niet is gebleken dat hieraan een beoordeling van de feiten en omstandigheden met betrekking tot ingezetenschap vooraf is gegaan. Ook het ontvangen van een uitkering ingevolge de WAO en het hebben van een Nederlandse bankrekening zijn onvoldoende in het licht van het voorgaande. Daarvoor is geen verblijf in Nederland vereist; appellant beschikte hier over ook toen hij in Marokko woonde.

4.12.

Geconcludeerd wordt dat betrokkene op de peildata in geding niet verzekerd was op grond van de AKW omdat hij (nog) niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt.

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit moet alsnog ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 18 september 2020 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en M.M. van der Kade en M.L. Noort als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2022.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) R. van Doorn

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.