Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:222

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2022
Datum publicatie
03-02-2022
Zaaknummer
20/4194 WMO15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:9519, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 in de vorm van een persoonsgebonden budget voor een traject waarbij appellante wordt begeleid bij het opleiden van haar hond tot een assistentiehond. Naar aanleiding van de door appellante in bezwaar overgelegde wetenschappelijke onderzoeken over assistentiehonden heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat nog onvoldoende wetenschappelijk is aangetoond dat een assistentiehond een toegevoegde waarde heeft om beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie weg te nemen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 12 september 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2785) mocht het college op die grond de gevraagde voorziening afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2022/33
RSV 2022/33
AB 2022/188 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 4194 WMO15

Datum uitspraak: 26 januari 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2020, 19/3988 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. R. Imkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Imkamp en [naam], secretaris van Stichting [stichting]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1966, is onder meer bekend met een chronische complexe posttraumatische stressstoornis (PTSS) met dissociatieve klachten.

1.2.

Appellante heeft een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aangevraagd in de vorm van een persoonsgebonden budget voor een traject waarbij zij wordt begeleid bij het opleiden van haar hond tot een assistentiehond.

1.3.

Bij besluit van 4 maart 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2019 (bestreden besluit), heeft het college, onder verwijzing naar een ondersteuningsverslag van 7 februari 2019, een maatwerkvoorziening voor ambulante persoonlijke begeleiding verstrekt voor ondersteuning bij het sociaal en persoonlijk functioneren, trede midden. Deze maatwerkvoorziening levert volgens het college een passende bijdrage aan de door appellante ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. De benodigde ondersteuning kan volgens het college niet worden geboden in de vorm van een (traject met behulp van een) assistentiehond omdat de effectiviteit daarvan niet voldoende wetenschappelijk is onderbouwd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar de hulpvraag van appellante en de problemen die zij ondervindt. Naar aanleiding van de door appellante in bezwaar overgelegde wetenschappelijke onderzoeken over assistentiehonden heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat nog onvoldoende wetenschappelijk is aangetoond dat een assistentiehond een toegevoegde waarde heeft om beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie weg te nemen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 12 september 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2785) mocht het college op die grond de gevraagde voorziening afwijzen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat het onderzoek van het college onzorgvuldig is geweest. Ook heeft appellante weersproken dat er onvoldoende (wetenschappelijke) onderbouwing is van de effectiviteit van een assistentiehond. Na de uitspraak van de Raad van 12 september 2018 zijn verschillende onderzoeken gepubliceerd die de algemene positieve effecten van een assistentiehond op de zelfredzaamheid en participatie van mensen met PTSS onderschrijven. Appellante heeft in dit verband verwezen naar door haar in hoger beroep en eerder in bezwaar overgelegde stukken. Appellante heeft verzocht om zo nodig een deskundige te benoemen die de wetenschappelijke onderbouwing van de effectiviteit van de assistentiehond kan onderzoeken en vaststellen. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de door het college verstrekte maatwerkvoorziening voor ambulante persoonlijke begeleiding niet passend is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het betoog van appellante dat aan het bestreden besluit geen zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt, slaagt niet. Na het keukentafelgesprek met appellante op 7 januari 2019 heeft het college zijn bevindingen vastgelegd in het ondersteuningsverslag van 7 februari 2019. Appellante heeft, na hiertoe in de gelegenheid te zijn gesteld, het ondersteuningsverslag op 15 februari 2019 aangevuld, welke aanvulling het college nadien nadrukkelijk in zijn besluitvorming heeft betrokken. Het college heeft hiermee een voldoende duidelijk beeld kunnen vormen van de hulpvraag van appellante en de problemen die zij ondervindt bij haar zelfredzaamheid en participatie.

4.2.

In het bestreden besluit zijn de hulpvraag, de problemen bij de zelfredzaamheid en participatie en de noodzakelijke ondersteuning uiteengezet. Appellante heeft hulp nodig bij het verbeteren van dag- en nachtritme en stabiliteit. Appellante heeft moeite met het doorkomen van de dag, zij heeft een laag energieniveau en de gebroken nachten breken haar op. Zij ondervindt belemmeringen bij activiteiten buitenshuis onder meer door vermoeidheid en angsten. Na een zware nacht kan appellante zich niet motiveren om het huis uit te gaan. Appellante ondervindt problemen bij haar zelfredzaamheid en participatie. Zij heeft onvoldoende regie over de structuur in haar leven, komt weinig buiten en onderhoudt onvoldoende sociale contacten. Het college acht het noodzakelijk dat appellante wordt geholpen bij het aanbrengen van structuur in haar dag, waaraan een goed dag- en nachtritme kan bijdragen. Daardoor zal ook het naar buiten gaan als minder grote drempel worden ervaren. Zij heeft ook hulp nodig bij het plannen van de dag, het regelen van zaken, het aanleren van praktische vaardigheden en het ventileren van emoties indien de situatie hierom vraagt. Er is gespecialiseerde ondersteuning nodig, waarbij meerdere keren per week contact moet zijn met appellante.

4.3.

De Raad stelt voorop dat het aan het college is om, uitgaande van de vastgestelde problemen in de zelfredzaamheid en participatie en waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, te besluiten op welke wijze wordt voorzien in een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. In dit geval heeft het college aan appellante een maatwerkvoorziening voor ambulante persoonlijke begeleiding verstrekt voor ondersteuning bij het sociaal en persoonlijk functioneren, trede midden. Uit wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd volgt niet dat het college hiermee geen passende bijdrage heeft geleverd. Het in het bestreden besluit neergelegde en gemotiveerde standpunt dat de toegevoegde waarde van een assistentiehond onvoldoende is gebleken, vormt een toereikende grondslag om de door appellante gewenste maatwerkvoorziening niet te verstrekken. Hieraan voegt de Raad, mede naar aanleiding van de in hoger beroep door appellante overgelegde stukken, nog het volgende toe. Ter zitting is gesproken over onderzoeken naar de werking en effectiviteit van een assistentiehond, alsmede over de ontwikkelingen hierin sinds de uitspraak van de Raad van 12 september 2018. Desgevraagd – en voor zover hier van belang – heeft [naam] hierover het volgende toegelicht. Er is nog geen sluitende theorie over hoe het werkt dat een hond voorvoelt hoe het met mensen is. Er zijn sinds maart 2018 wel veel (pilot)studies gedaan waaruit blijkt dat mensen zelf aangeven enorm veel baat te hebben bij een assistentiehond. Dit zijn onder meer de onderzoeken die appellante in deze zaak heeft genoemd. Dat mensen met psychische problematiek door een hond meer zelfredzaam worden en beter kunnen participeren wordt uit steeds meer onderzoeken duidelijk. Er is geen sluitende theorie, dus het kan geen wetenschappelijk onderzoek zijn waarbij iets wordt gefalsificeerd of wordt geverifieerd. Het wetenschappelijk onderzoek is altijd een statistisch onderzoek, waarbij op basis van aantallen kan worden vastgesteld, met controlegroepen, of het wel of niet werkzaam is. Dat onderzoek is nu komende. In Nederland worden op dit moment twee belangrijke onderzoeken gedaan. Eén onderzoek in opdracht van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar epilepsie-hulphonden, uitgevoerd door de Erasmus Universiteit. Dit is een onderzoeksgroep die zich specialiseert in de effectiviteit en de kosten van de inzet van zorgmiddelen. Zorginstituut Nederland en de zorgverzekeraars volgen dit onderzoek. De verwachting is dat de resultaten hiervan over twee à drie jaar zullen komen. Daarnaast loopt er een onderzoek gericht op de werking van assistentiehonden bij veteranen met PTSS, uitgevoerd door de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Hierbij is het ministerie van Defensie nauw betrokken. Van dat onderzoek worden eind 2022 de resultaten verwacht. Onze verwachting is dat deze onderzoeken zullen bijdragen aan het besef dat assistentiehonden effectief zijn voor mensen met psychische problematiek in bepaalde situaties, aldus [naam].

4.4.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Er bestaat geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D.S. de Vries en E.J. Otten als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2022.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) R. van Doorn