Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:2212

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2022
Datum publicatie
20-10-2022
Zaaknummer
21 / 3913 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag voor deelname aan de vrijwillige AOW-verzekering terecht afgewezen. Geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Besluit is niet evident onredelijk. Buitenwettelijk en begunstigend beleid inzake de overschrijding van de termijn voor indiening van de aanvraag om toelating. Geen bijzonder geval. Beleid consistent toegepast. Beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 3913 AOW

Datum uitspraak: 13 oktober 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2021, 21/484 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in [geboorteplaats] , is op [geboortedatum] 1997 naar Nederland gekomen en

heeft sinds 20 april 2001 de Nederlandse nationaliteit. Appellant heeft in augustus 2007 geïnformeerd naar de mogelijkheid om zich vrijwillig te verzekeren voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hierop heeft de Svb bij e-mailbericht van 27 augustus 2007 gereageerd. Hierin is aan appellant medegedeeld dat het niet mogelijk is om nog AOW in te kopen als de wettelijke termijn van vijf jaar is verstreken.

1.2.

Op 9 oktober 2017 heeft appellant een aanvraag ingediend voor deelname aan de vrijwillige verzekering ingevolge AOW. Bij besluit van 7 november 2017 heeft de Svb de aanvraag afgewezen omdat appellant zich niet tijdig heeft aangemeld voor deelname aan de vrijwillige verzekering voor de AOW. Appellant was vanaf 9 maart 1998 voor het eerst in Nederland verzekerd. Dit is meer dan tien jaar geleden, gerekend vanaf de datum van de aanvraag. Bij het besluit van 7 november 2017 is aan appellant een pensioenoverzicht verstrekt. Appellant heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Appellant heeft op 26 augustus 2020 opnieuw een aanvraag ingediend voor deelname aan de vrijwillige verzekering.

1.4.

Bij besluit van 5 oktober 2020 heeft de Svb de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden en het besluit van 7 november 2017 niet onmiskenbaar onjuist is.

1.5.

Bij besluit van 17 december 2020 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 5 oktober 2020 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden naar voren heeft gebracht en dat het besluit van 7 november 2017 niet onmiskenbaar onjuist is. In de AOW is bepaald dat degene die zich vrijwillig wil verzekeren voor de AOW zich hiervoor moet aanmelden uiterlijk tien jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is ontstaan. Aangezien de verplichte verzekering van appellant op 9 maart 1998 is aangevangen en hij zijn aanvraag pas op 9 oktober 2017 heeft ingediend, heeft hij niet aan die voorwaarde voldaan. De argumenten die appellant in beroep naar voren heeft gebracht, brengen de rechtbank niet tot het oordeel dat het besluit van 7 november 2017 onmiskenbaar onjuist was en evenmin dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

3. In hoger beroep heeft appellant in essentie herhaald wat hij in beroep naar voren heeft gebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van 26 augustus 2020 strekt ertoe dat de Svb terugkomt van het besluit van 7 november 2017. Op een dergelijk verzoek is artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing.

4.2.

Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) vloeit het volgende voort. Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om, naar aanleiding van een verzoek om terug te komen van een besluit, het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo’n verzoek inwilligen of afwijzen, ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit. Als het bestuursorgaan aldus – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid (ECLI:NL:CRVB:2018:364).

4.3.

Naar aanleiding van de in 4.2 vermelde uitspraak uit 2016 heeft de Svb het beleid met betrekking tot het terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit op verzoek van de belanghebbende, zoals neergelegd in beleidsregels SB1076, gewijzigd. Dit beleid luidt, voor zover van belang in deze zaak, als volgt. Voor zover het herzieningsverzoek ziet op de periode die ligt voor de datum waarop de Svb het ontvangt, is de Svb bevoegd om het verzoek om herziening zonder nader onderzoek af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, tenzij dit evident onredelijk is. De Svb acht het evident onredelijk om zonder terugwerkende kracht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit als de Svb uit hetgeen belanghebbende in zijn herzieningsverzoek aanvoert, concludeert dat dit besluit onmiskenbaar onjuist is.

4.4.

De Svb heeft zich in hoger beroep terecht op het standpunt gesteld dat van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Het feit dat appellant in augustus 2007 heeft geïnformeerd naar de mogelijkheid van vrijwillige verzekering en het feit dat dat de aanmeldtermijn voor de vrijwillige verzekering op 1 januari 2010 is gewijzigd van vijf naar tien jaar, is niet aan te merken als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid ten opzichte van het besluit van 7 november 2017.

4.5.

Ook heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat het besluit van 7 november 2017 niet onmiskenbaar onjuist is. Het besluit van 17 december 2020 is dan ook niet evident onredelijk. Niet in geschil is dat appellant zich niet binnen de destijds geldende aanmeldtermijn heeft gemeld voor de vrijwillige verzekering. Op het moment dat appellant in 2007 voor het eerst informeerde naar de mogelijkheid van vrijwillige verzekering was de aanmeldtermijn vijf jaar. Deze was toen al neergelegd in artikel 39, eerste lid, van de AOW. Appellant is er in het e-mailbericht van 27 augustus 2007 ook op gewezen dat de termijn op dat moment al was verstreken. Met ingang van 1 januari 2010 is artikel 39, eerste lid, van de AOW gewijzigd en is de aanmeldtermijn tien jaar geworden. Het feit dat de aanmeldtermijn na het e-mailbericht van de Svb van 27 augustus 2007 is gewijzigd, kan er niet toe leiden dat ten tijde van het e-mailbericht had moeten worden uitgegaan van de verruimde termijn van tien jaar of dat bij het besluit van 7 november 2017 had moeten worden uitgegaan van een ruimere termijn. De wijziging van de aanmeldingstermijn kan dan ook niet leiden tot een ander besluit op de aanvraag van 9 oktober 2017.

4.6.

De bepalingen van de AOW ten aanzien van de bevoegdheid tot toelating aan de vrijwillige verzekering zijn van dwingendrechtelijke aard. De Svb heeft beleid vastgesteld, inhoudende dat de overschrijding van de termijn voor indiening van de aanvraag om toelating verschoonbaar is als sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat hij zijn aanvraag niet tijdig heeft ingediend (SB1044). Bij de beoordeling hiervan wordt overeenkomstige toepassing gegeven aan het beleid met betrekking tot de vaststelling van een bijzonder geval in de zin van artikel 16, tweede lid, van de AOW (SB1071). Er is sprake van een bijzonder geval indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen, en voorts indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijk recht op pensioen, uitkering of kinderbijslag en deze onbekendheid verschoonbaar was. Hoofdregel is, dat onbekendheid met de wet of een internationale regeling niet zonder meer leidt tot het aannemen van een bijzonder geval, tenzij blijkt van een bijkomende omstandigheid op grond waarvan betrokkene niet op de hoogte kon zijn van zijn wettelijke rechten.

4.7.

Dit beleid moet worden aangemerkt als buitenwettelijk en begunstigend. Zoals eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak van de Raad van 5 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352), dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast en of fundamentele rechten waarop de betrokkene zich beroept niet zijn geschonden (ECLI:NL:CRVB:2022:136).

4.8.

Niet gebleken is dat in deze zaak het beleid niet consistent is toegepast. Appellant heeft gesteld dat hij niet op de hoogte was van de mogelijkheid tot inkoop en dat hij daarom te laat de aanvraag heeft gedaan, zonder bijkomende omstandigheden te stellen. De Svb heeft daarom niet tot het oordeel hoeven komen dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn verschoonbaar is. De stelling van appellant dat de Svb tekort is geschoten in het verstrekken van (de juiste) informatie kan niet worden gevolgd. Er bestond voor de Svb geen rechtsplicht personen die in Nederland kwamen wonen te wijzen op de mogelijkheid van vrijwillige verzekering (ECLI:NL:CRVB:2016:2793 en ECLI:NL:CRVB:2019:1912).

4.6.

Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat appellant dit onvoldoende heeft onderbouwd. Appellant heeft terecht gesteld dat in andere gevallen niet strikt wordt vastgehouden aan de aanmeldtermijn. Dat strookt met het hiervoor genoemde beleid SB1044. Appellant heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de Raad van 24 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2023. In deze zaak is toepassing gegeven aan een ander onderdeel van beleidsregel SB1044, te weten beleid in een situatie waarin ten onrechte premies volksverzekeringen op het salaris of de uitkering zijn ingehouden over een tijdvak waarin de betrokkene niet verplicht verzekerd was. Dan kan een uitzondering worden gemaakt op de regel dat aanmelding voor vrijwillige verzekering binnen één jaar moet plaatsvinden. Dit onderdeel van het beleid is niet van toepassing op appellant omdat hij in de periode waarover hij vrijwillig verzekerd wil zijn geen premie volksverzekeringen heeft afgedragen.

4.7.

Appellant heeft ten slotte nog gesteld dat sprake is van schending van het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 14 EVRM. Appellant stelt hierbij dat het recht om onverzekerde tijdvakken te verzekeren door vrijwillige verzekering deel uitmaakt van zijn recht op ouderdomspensioen. Dit betoog slaagt niet. Het bestreden besluit strekt niet tot beëindiging van een bestaande (verplichte of vrijwillige) verzekering. Reeds om die reden maakt het bestreden besluit geen inbreuk op een bestaand eigendomsrecht. Wel heeft het bestreden besluit tot gevolg dat appellant niet in staat wordt gesteld om door middel van vrijwillige verzekering aanspraak te doen ontstaan op (een hoger) ouderdomspensioen. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens omvat artikel 1 EP evenwel niet het recht eigendom te verwerven en is dit recht evenmin in het geding als er een geschil is over de juiste interpretatie en toepassing van nationaal recht waarbij het standpunt van betrokkene wordt verworpen door de nationale rechter (EHRM 13 december 2016, Belane Nagy t. Hongarije, 53080/13, par. 74 e.v.). Naar het oordeel van de Raad is dan ook geen sprake van strijd met artikel 1 EP (verg. ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7262).

4.8.

Uit wat in 4.4 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2022.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) L.C. van Bentum