Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:2163

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2022
Datum publicatie
11-10-2022
Zaaknummer
21/2013 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening afgewezen. Geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht zoals bedoeld in art. 8:119, lid 1, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 2013 WAO

Datum uitspraak: 19 oktober 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 april 2021, 20/491 WAO-PV

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (Marokko) (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om de uitspraak van de Raad van 9 april 2021, 20/491 WAO-PV, ECLI:NL:CRVB:2021:888, te herzien.

Het Uwv heeft op het verzoek gereageerd en een vraag van de Raad beantwoord.

Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2022. Verzoeker is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker is in het verleden werkzaam geweest in Nederland. Op 19 november 1992

heeft hij zich ziek gemeld. Bij besluit van 3 juni 1997 heeft het Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan, een rechtsvoorganger van het Uwv, geweigerd aan verzoeker met ingang van 18 november 1993 een uitkering toe te kennen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat hij voor minder dan 25% respectievelijk minder dan 15% arbeidsongeschikt was. In 2015 heeft verzoeker het Uwv verzocht om het besluit van 3 juni 1997 te herzien. Bij besluit van 20 augustus 2015 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen.

1.2.

In een brief van 10 december 2018 heeft verzoeker het Uwv verzocht om een

WAOuitkering aan hem toe te kennen, omdat hij ziek is en niet kan werken. Bij besluit van 4 januari 2019 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, omdat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding geven om de besluiten van 3 juni 1997 en 20 augustus 2015 te herzien. Het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 5 maart 2019 ongegrond verklaard. Het daartegen gerichte beroep van verzoeker is bij uitspraak van 20 december 2019 ongegrond verklaard door de rechtbank Amsterdam. In een uitspraak van 9 april 2021 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3.

Verzoeker heeft de Raad verzocht om de uitspraak van 9 april 2021 te herzien. Ter

onderbouwing van dit verzoek heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij alle medische stukken waaruit blijkt dat hij sinds 1993 ziek is bij het Uwv heeft ingediend maar nooit is opgeroepen voor een medisch onderzoek. Ook heeft hij gesteld dat zijn gezondheid is verslechterd.

2. Het Uwv heeft te kennen gegeven geen op- of aanmerkingen te hebben naar aanleiding van het verzoek om herziening.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1360) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren of om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden. Dit kan alleen indien is voldaan aan alle in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb genoemde voorwaarden.

3.3.

Door verzoeker zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht zoals in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb bedoeld. Voor zover de door hem gestelde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan vóór de uitspraak van de Raad van 9 april 2021, valt niet in te zien dat deze feiten en omstandigheden niet vóór die uitspraak bij verzoeker bekend waren of redelijkerwijs bekend konden zijn.

4. Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2022.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) E.X.R. Yi