Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:2160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2022
Datum publicatie
11-10-2022
Zaaknummer
20/3133 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd WIA-uitkering toe te kennen. ZW-uitkering terecht beëindigd. Geschikt voor de in het kader van de WIA geselecteerde functies. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 3133 WIA, 20/4336 ZW

Datum uitspraak: 5 oktober 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraken op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 28 juli 2020, 19/1269 (aangevallen uitspraak 1) en 5 november 2020, 20/1677 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant zijn de hoger beroepen ingesteld en verzoeken om schadevergoeding ingediend.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J. Heek en zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaak 22/1588 ZW. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. Het onderzoek in de zaak 22/1588 ZW is heropend.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is voor het laatst werkzaam geweest als bankwerker/lasser voor 39,54 uur per week. Op 15 augustus 2016 heeft hij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten, met nadien bijkomende psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant op 15 juni 2018 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 juli 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 21 augustus 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 13 augustus 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 augustus 2018. In de bezwaarfase heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv aanleiding gezien voor het aannemen van aanvullende beperkingen en deze vastgelegd in de FML van 7 maart 2019. Met inachtneming van de gewijzigde FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep enkele functies geschrapt, maar geconcludeerd dat de functies van administratief medewerker (document scannen) (SBC-code 315133), controleur, tester elektrotechnische apparatuur (SBC-code 267060), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053) nog voor appellant geschikt zijn, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft. Bij besluit van 26 maart 2019 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 maart 2019 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 maart 2019.

1.3.

Appellant heeft zich met ingang van 2 augustus 2019 ziek gemeld met toegenomen psychische klachten. Hij ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 8 januari 2020 heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft hem vanaf 8 januari 2020 geschikt bevonden voor de in het kader van de Wet WIA geschikte functies. Bij besluit van 28 januari 2020 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 19 mei 2020 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 ligt een rapport van 11 mei 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze en volledig heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende overtuigend en inzichtelijk gemotiveerd waarom de voor appellant op de datum in geding aangenomen beperkingen bij de klachten van appellant passen en waarom er geen medische noodzaak bestaat voor het aannemen van meer beperkingen. Uitgaande van de FML van 7 maart 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor appellant en zijn medische belastbaarheid niet overschrijden. Gelet op de inkomsten die appellant hiermee kan verwerven heeft het Uwv terecht besloten dat appellant met ingang van 13 augustus 2018 geen recht heeft op een WIAuitkering, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

2.2.

De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 2 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit de beschikbare gedingstukken is niet gebleken van aanwijzingen om tot het oordeel te komen dat appellant op de datum in geding zodanige objectiveerbare beperkingen had, voortvloeiend uit ziekte of gebreken, dat hij zijn arbeid niet kon of mocht verrichten. Aan de omstandigheid dat appellant zijn gezondheidstoestand geheel anders ervaart dan de verzekeringsartsen kan in het kader van de onderhavige beoordeling geen doorslaggevend gewicht worden toegekend. Het Uwv heeft op goede gronden de ZW-uitkering met ingang van 8 januari 2020 beëindigd.

20 3133 WIA

3.1.

In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellant, evenals in beroep, aangevoerd dat hij meer beperkt is dan in de FML van 7 maart 2019 is aangenomen en ter ondersteuning van zijn standpunt gewezen op de expertises van verzekeringsarts L.J.R.M. Buisman van 12 december 2019 en psychiater J.K. van der Veer van 10 maart 2020. Zowel de verzekeringsarts bezwaar en beroep als de rechtbank gaan voorbij aan de specifieke expertise van Van der Veer op het gebied van psychische klachten. Omdat appellant meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen acht hij zich niet in staat de geduide functies te vervullen. Appellant heeft verzocht om een onafhankelijk deskundigenonderzoek door een verzekeringsarts dan wel een psychiater.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht aangevallen uitspraak 1 te bevestigen.

3.3.

De Raad oordeelt als volgt.

3.3.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

3.3.2.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 13 augustus 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.

3.3.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd, worden geheel onderschreven. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen van het Uwv aspecten van de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding hebben gemist.

3.3.4.

Met de rechtbank wordt voorts geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de beperkingen opgenomen in de FML van 7 maart 2019. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

3.3.4.1. Psychiater Van der Veer komt na zijn onderzoek tot meer beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren ten aanzien van de items 1.4 (inzicht eigen kunnen), 1.7 (handelingstempo), 2.6 (emotionele problemen van anderen hanteren), 2.7 (eigen gevoelens uiten) en 2.10 (vervoer). In reactie hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 11 mei 2020 allereerst opgemerkt dat zij zich kan vinden in de door de psychiater gestelde diagnoses: chronische aspecifieke klachten over de gezondheid (somatischsymptomencomplex) en een chronisch depressief beeld, waarvan de ernst moeilijk vast te stellen is. SOLK-patiënten zijn inderdaad, zoals Van der Veer vermeldt, mensen die meer klachten hebben dan anderen met vergelijkbare problemen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep functioneert appellant weliswaar niet optimaal, maar wel redelijk in persoonlijk en sociaal opzicht. Er is geen sprake van ernstige psychiatrische problematiek. Ook Van der Veer acht appellant in principe belastbaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen argumenten gezien om de FML aan te passen. Over item 1.4 heeft zij toegelicht dat volgens de handleiding CBBS een beperking op dit item in de FML voorbehouden is voor ernstige stoornissen. Een beperking op dit item is niet bedoeld voor personen die meer klachten hebben dan verklaard kan worden. Over item 1.7 heeft zij opgemerkt dat zij reeds beperkingen heeft opgenomen voor hoog handelingstempo bij 1.9.8. Item 2.6 is bedoeld voor de situatie waarin een persoon volledig overstuur raakt als hij met problemen van anderen wordt geconfronteerd. Dat een persoon zich afsluit voor andermans problemen en/of niet gemotiveerd is zich daarin te verdiepen, valt niet onder dit item. Item 2.7 ziet op de situatie waarin een persoon zich door een psychische stoornis niet in gezelschap weet te gedragen. In het expertiserapport valt over het gedrag van appellant niet iets bijzonders op te merken, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er is geen aanleiding deze gemotiveerde conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de hier besproken beperkingen niet te volgen. Zij heeft toereikend onderbouwd dat met de chronische aspecifieke klachten over de gezondheid en het chronisch depressief beeld, waarvan de ernst moeilijk vast te stellen is, voldoende rekening is gehouden bij het opstellen van de FML, in de rubrieken 1 en 2. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep na onderzoek in bezwaar in het rapport van 7 maart 2019 nog opgemerkt dat beroepsmatig autorijden (2.11) gecontra-indiceerd is. Voor privégebruik van de auto (2.10) is er geen absoluut verbod omdat de medicamenten ieder op zich niet leiden tot een algeheel rijverbod.

3.3.4.2. Verzekeringsarts Buisman is het op fysiek vlak grotendeels eens met de beperkingen in de FML van 7 maart 2019. Wel acht hij onvoldoende onderbouwd dat gelet op de degeneratieve afwijkingen in de nek item 4.17 ‘hoofdbeweging maken’ niet beperkt is nu er geen lichamelijk onderzoek is verricht. In reactie hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 12 maart 2020 uiteengezet dat het hebben van degeneratieve afwijkingen aan de nekwervels op de leeftijd van appellant normaal is. Er is geen relatie tussen de aanwezigheid van deze degeneratieve afwijkingen, nekklachten en beperkingen. Zij ziet daarom geen reden om zwaardere beperkingen aan te nemen. Er is geen reden de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen. Daarbij wordt opgemerkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep na het onderzoek in bezwaar aanleiding heeft gezien om vanwege de cervicale problematiek beperkingen aan te nemen: geen snelle hoofddraaibewegingen (4.23), het is vanwege de nekbeperking niet mogelijk het hoofd voortdurend in een bepaalde stand houden (5.8.2) en enige afwisseling in statische houding is nodig (5.10). Uit de beschikbare informatie van de behandelend neuroloog kan niet worden afgeleid dat met het stellen van deze beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met de bij appellant bestaande nekklachten.

3.3.4.3. Ook voor de overige in de rubrieken 3 tot en met 6 aangenomen beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd dat deze voldoende tegemoet komen aan de klachten van appellant. Over een urenbeperking heeft de verzekeringsarts in het rapport van 31 juli 2018 opgemerkt dat ten tijde van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling een urenbeperking werd gehanteerd ten behoeve van een ingezet re-integratietraject, maar dat bij actueel onderzoek dat traject niet meer lopende is en deze urenbeperking dan ook niet meer aan de orde is. Als voldoende rekening wordt gehouden met de bestaande beperkingen is er tevens geen andere reden voor het stellen van een urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 7 maart 2019 evenmin aanleiding gezien voor een urenbeperking. Zij heeft aan de hand van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid toegelicht dat er onvoldoende argumenten te vinden zijn om een urenrestrictie toe te passen. Daarbij heeft het Uwv in het verweerschrift in hoger beroep terecht opgemerkt dat ook verzekeringsarts Buisman en psychiater Van der Veer in de expertiserapporten geen urenbeperking aan de orde hebben gesteld.

3.3.4.4. Aangezien er geen twijfel is over het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen aanleiding een onafhankelijk deskundige in te schakelen, zoals door appellant is verzocht. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de verzekeringsartsen van het Uwv niet de expertise hebben om de psychische gesteldheid van appellant te beoordelen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 2 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2077) is medisch onderzoek naar psychische stoornissen door een verzekeringsarts zorgvuldig te achten als dat onderzoek heeft plaatsgevonden overeenkomstig de in het algemeen in de verzekeringsgeneeskunde geaccepteerde methode(n), zoals neergelegd in de standaard “Onderzoeksmethoden bij psychische stoornissen” en de standaard “Onderzoeksmethoden” van het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Het onderzoek heeft in dit geval overeenkomstig de genoemde onderzoeksmethoden plaatsgevonden.

3.3.4.5. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen vastgelegd in de FML van 7 maart 2019 wordt de rechtbank ook gevolgd in het oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de functies waarop de schatting is gebaseerd voor appellant geschikt zijn. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht vastgesteld op minder dan 35%. Het Uwv heeft daarom terecht geweigerd appellant met ingang van 13 augustus 2018 een WIA-uitkering toe te kennen.

3.4.

Uit 3.3.2 tot en met 3.3.4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.

20 4336 ZW

4.1.

In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellant opnieuw aangevoerd dat met de FML van 7 maart 2019 onvoldoende beperkingen zijn aangenomen. Zijn klachten en beperkingen, met name op psychisch gebied, waren op 8 januari 2020 niet afgenomen maar juist toegenomen sinds de WIA-beoordeling. Ook heeft appellant herhaald dat de geselecteerde WIA-functies in medisch opzicht niet passend voor hem zijn.

4.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.3.

De Raad oordeelt als volgt.

4.3.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA.

4.3.2.

In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant per 8 januari 2020 in staat mocht worden geacht tot het verrichten van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies en de ZW-uitkering van appellant terecht heeft beëindigd.

4.3.3.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Verwezen wordt naar wat de rechtbank in aangevallen uitspraak 2 heeft overwogen. De Raad kan zich daarmee verenigen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde lichamelijke en psychische klachten, alsook van zijn medicijngebruik. De verzekeringsartsen hebben voldoende gemotiveerd waarom zij van mening zijn dat de beperkingen van appellant per datum in geding gelijk zijn te achten aan de beperkingen die zijn aangenomen bij de eerdere WIAbeoordeling en vastgelegd in de FML van 7 maart 2019. Dat de lichamelijke en psychische klachten van appellant zijn toegenomen, heeft hij in hoger beroep niet nader onderbouwd met (nieuwe) medische gegevens.

4.4.

Uit 4.3.2 en 4.3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.

5. Bij deze uitkomst is er geen grond om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schadevergoeding, zoals door appellant in beide gedingen is verzocht.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2022.

(getekend) E. Dijt

(getekend) G.S.M. van Duinkerken