Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:2159

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2022
Datum publicatie
11-10-2022
Zaaknummer
20/3136 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en toereikend gemotiveerd dat met de FML van 16 mei 2022 voldoende recht wordt gedaan aan de voor appellante op 13 december 2018 geldende beperkingen. Voldoende gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies passend zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 3136 ZW

Datum uitspraak: 5 oktober 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 juli 2020, 19/3061 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. Cornelisse is opgevolgd door mr. R.G.J. Geurts, advocaat.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig rapport van Expertise Instituut ingediend.

Het Uwv heeft in reactie daarop nadere stukken ingediend.

Appellante heeft een aanvullend rapport van Expertise Instituut ingediend.

Het Uwv heeft in reactie daarop een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Geurts. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als managementassistente C voor 23,91 uur per week. Op 13 november 2017 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een arts van het Uwv appellante op 27 september 2018 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 september 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 68,19% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 5 oktober 2018 vastgesteld dat appellante met ingang van 13 december 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 april 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen een rapport van 10 april 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een FML van 10 april 2019 en een rapport van 26 april 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomsten van het medisch onderzoek. Na bestudering van de brief van 28 maart 2019 van psycholoog M. Kramp en de brief van 28 maart 2019 van psychiater J. Blank, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante meer beperkt in het persoonlijk en sociaal functioneren. Dit gelet op de psychische klachten van appellante en de angst, faalangst, onzekerheid, lage waardering en verminderd zelfvertrouwen waarmee dit gepaard gaat. Omdat bij appellante geen sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis en bij de beoordeling door de primaire arts en in bezwaar geen aanwijzingen zijn gevonden voor een verminderd cognitief functioneren, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden gezien om meer beperkingen aan te nemen. Ook niet voor de door appellante geclaimde beperkingen ten aanzien van het vasthouden en verdelen van aandacht, herinneren en handelingstempo. Bovendien volgt uit het rapport van 12 maart 2019 van HSK dat de cognitieve capaciteit van appellante van een gemiddeld niveau is. Verder heeft appellante onvoldoende medisch onderbouwd dat bij haar sprake is van slaapproblemen en ernstige vermoeidheid. De rechtbank heeft daarover geoordeeld dat die klachten niet uit de informatie van de behandelend sector en de medische onderzoeken door de artsen van het Uwv volgt. Ook de informatie van psychotherapeute C. Boddendijk van 18 januari 2020 die appellante in beroep heeft overgelegd, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid. De brief van Boddendijk bevat geen nieuwe medische feiten ten aanzien van de psychische klachten van appellante en de conclusie dat appellante in december 2018 niet in staat is geweest om te werken is niet medisch onderbouwd. Ook uit de informatie van HSK, die appellante rond de datum in geding heeft behandeld, volgt niet dat zij vanwege haar psychische klachten niet in staat was om te werken. Uitgaande van de juistheid van de FML, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van appellante voor de geduide functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de zogeheten signaleringen van een adequate toelichting voorzien en heeft daarbij overtuigend gemotiveerd dat de functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. Omdat appellante met het vervullen van deze functies meer dan 65% van haar laatst verdiende loon kan verdienen, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank het ziekengeld van appellante terecht per 13 december 2018 beëindigd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij heeft een rapport van 2 december 2021 van Expertise Instituut overgelegd van verzekeringsarts P.J.A.J. van Amelsfoort en arbeidsdeskundige M. Overduin. Van Amelsfoort heeft appellante op 30 november 2021 gesproken via videobellen. Hij heeft geconcludeerd dat sprake is van een gegeneraliseerde angststoornis, agorafobie, paniekstoornis met daaraan gekoppelde lichamelijke klachten van functionele aard geduid als somatischsymptoomstoornis maar tevens vrees voor hoogte, engte, drukte van mensen en tunnels, een oogaandoening met onder andere een amblyopie van het rechteroog, twee types hoofdpijn, aangezichtspijn, mogelijk niet-allergisch astma (diagnose na datum in geding) en mogelijk MS (waarbij nader onderzoek lopende is). Van Amelsfoort heeft geconcludeerd dat de FML van 10 april 2019 dient te worden aangevuld met een beperking ten aanzien van items 1.9.3, rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding op niveau 2, vanwege de ernst van de problematiek, en 2.1.1 ten aanzien van zien in verband met een lui oog rechts met fors beperkte visus. Overduin heeft geconcludeerd dat alle geselecteerde functies op basis van deze aanvullende beperkingen niet geschikt zijn voor appellante.

3.2.

Van Amelsfoort heeft op 14 maart 2022 nader gerapporteerd. Van Amelsfoort heeft geconcludeerd dat uit recente medische informatie blijkt dat wel degelijk sprake is van een aandoening ter verklaring van een deel van de klachten van appellante, namelijk radiologically isolated syndrome (RIS). Deze aandoening is recent gediagnostiseerd en laat zien dat er op datum in geding verdergaande beperkingen waren dan eerder vastgesteld.

3.3.

Naast het expertiserapport van Van Amelsfoort en Overduin heeft appellante stukken overgelegd van het UMC Utrecht afdeling Oogheelkunde over de periode 2012 tot en met heden, een email van onbekende datum van het UMC Amsterdam afdeling Neurologie aan de huisarts van appellante, een brief van neuroloog E.M.M. Strijbis van 7 februari 2022, drie brieven van HSK-groep van 3 augustus 2018, 28 maart 2019 en 12 juli 2019 over de toenmalige situatie van appellante en de resultaten van uitgevoerd onderzoek, het expertiseverslag van de HSK-groep van 16 februari 2011 en twee brieven van het Uwv van 29 oktober 2012 en 31 oktober 2012 aan appellante, waaruit blijkt dat de WIA-uitkering die appellante ontving per 1 november 2012 is beëindigd op haar verzoek.

3.4.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Met een rapport van 16 mei 2022 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 mei 2022 heeft het Uwv gereageerd op de ingezonden stukken en de rapporten van Van Amelsfoort en Overduin. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de overgelegde informatie en het rapport van Van Amelsfoort aanleiding gezien de aangenomen beperking voor zien, item 2.1.1, over te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien voor verdere aanvullende beperkingen in de FML. In verband met de aanvullende beperking ten aanzien van zien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 16 mei 2022 een nieuwe FML opgesteld. Naar aanleiding van de nieuwe FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geduide functies opnieuw bekeken. Na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat de functies productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en wikkelaar (SBC-code 267053) niet geschikt zijn voor appellante. Er resteren voldoende functies om de schatting op te baseren, te weten archiefmedewerker (SBC-code 553020), productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC-code 111172) en samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130). Hiermee is appellante in staat om 67,32% te verdienen van het maatmaninkomen. De conclusie dat de ZW-uitkering wordt beëindigd omdat appellante meer dan 65% kan verdienen van het maatmaninkomen blijft daarmee gehandhaafd.

3.5.

Appellante heeft een aanvullend rapport van Van Amelsfoort van 30 juni 2022 overgelegd. Hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd bij rapport van 20 juli 2022.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellante met ingang van 13 december 2018 terecht heeft beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Zoals op de zitting is besproken ligt ter beoordeling voor of de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van Van Amelsfoort aanleiding had moeten zien om aanvullende beperkingen in de FML op te nemen.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 10 april 2019, 16 mei 2022 en 20 juli 2022 inzichtelijk en toereikend gemotiveerd dat met de FML van 16 mei 2022 voldoende recht wordt gedaan aan de voor appellante op 13 december 2018 geldende beperkingen. In voornoemde rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk uiteengezet dat, mede gezien de inhoud van de ontvangen informatie van psycholoog Kramp, psychiater Blank en psychiater Nijen, in de FML van 16 mei 2022 voldoende rekening is gehouden met de bij appellante aanwezige psychische klachten (onder meer angst, faalangst, onzekerheid, lage zelfwaardering, verminderd zelfvertrouwen) op grond waarvan er beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren zijn opgenomen. In reactie op het aanvullende rapport van 30 juni 2022 van Van Amelsfoort heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gewezen op de informatie van behandelend psycholoog Kramp en psychiater Blank van HSK van rond de datum in geding. Hieruit blijkt dat sprake is van een andere gespecificeerde angststoornis (paniek en dwang) en een somatisch-symptoomstoornis. In september 2018 is appellante begonnen met medicatie en de psychiater beschrijft dat hiermee de paniekklachten voor een groot deel onder controle zijn. Aldus is voldoende gemotiveerd dat rond de datum in geding de door Van Amelsfoort beschreven ernstige angst niet blijkt uit de gegevens van de behandelaars.

4.4.

Over het door Van Amelsfoort ingenomen standpunt dat in verband met RIS (meer) beperkingen in de FML moeten worden opgenomen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht opgemerkt dat Van Amelsfoort zijn standpunt op dit punt niet heeft onderbouwd en niet concreet heeft gemaakt welke beperkingen hij op het oog heeft.

4.5.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

4.6.

Het bestreden besluit is, gelet op de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend vastgestelde beperking in de FML en de nadere motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, waarbij twee van de functies zijn verworpen, pas in hoger beroep voorzien van een toereikende motivering. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden moet worden bevestigd.

5. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 759,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift) en € 1.518,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting). Tevens komen de door appellante gemaakte kosten van het rapport van Expertise Instituut ten bedrage van € 2.147,75 voor vergoeding in aanmerking. De te vergoeden kosten bedragen in totaal € 4.424,75. Daarnaast dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 4.424,75;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van J.J.C. Vorias als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2022.

(getekend) S. Wijna

(getekend) J.J.C. Vorias