Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:2126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2022
Datum publicatie
10-10-2022
Zaaknummer
19/5187 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een volledige heroverweging gedaan en heeft in zijn rapport van 2 oktober 2019 inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat geen aanleiding bestaat om verdergaande beperkingen aan te nemen. Hij sluit aan bij het oordeel van de bedrijfsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5187 ZW

Datum uitspraak: 5 oktober 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 november 2019, 19/1808 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vreeswijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als orderpicker voor 42 uur per week. Haar dienstverband is op 26 mei 2017 geëindigd. Appellante heeft vervolgens een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg ontvangen. Appellante heeft zich op 25 maart 2018 ziekgemeld met lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Op 12 september 2018 heeft appellante het spreekuur bezocht van een bedrijfsarts van het Uwv. Deze arts heeft appellante per 13 september 2018 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van orderpicker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 14 september 2018 de ZW-uitkering van appellante per 13 september 2018 beëindigd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 februari 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om de medische bevindingen en de conclusies van de artsen van het Uwv onzorgvuldig of onjuist te achten. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de artsen de lichamelijke en psychische klachten niet serieus hebben onderzocht. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat alle klachten die appellante op de datum in geding had in de beoordeling zijn betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk beargumenteerd waarom er geen aanleiding is af te wijken van het standpunt dat appellante op de datum in geding geschikt is voor haar eigen werk. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en heeft zich voldoende voorgelicht geacht waardoor zij geen reden heeft gezien om een deskundige te benoemen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op haar beroepsgronden. Zij heeft aangevoerd dat de bedrijfsarts vooringenomen was en vindt de bejegening van deze arts ontluisterend. Ook heeft het Uwv haar bezwaarschrift van 26 juli 2018 ten onrechte niet in behandeling genomen. Verder heeft appellante aangevoerd dat haar lichamelijke en psychische beperkingen zijn onderschat. Zo is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Appellante stelt dat zij zich aangetast voelt in haar rechtvaardigheidsgevoel omdat door de bedrijfsarts geen (postnatale) depressie wordt aangenomen. Appellante is niet geschikt voor haar eigen werk. Dit werk is te zwaar. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante ter zitting stukken overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft, onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Voor zover appellante heeft gesteld dat haar bezwaarschrift van 26 juli 2018 niet in behandeling is genomen, wordt vastgesteld dat deze brief dateert van voor het primaire besluit van 14 september 2018 en niet is gericht tegen dat besluit. Niet valt in te zien hoe het niet in behandeling nemen van het bezwaarschrift van 26 juli 2018 – wat daar ook van zij – zou kunnen leiden tot het aannemen van onzorgvuldigheid ten aanzien van het bestreden besluit.

4.3.

Ook is niet gebleken dat de gestelde onjuiste bejegening tijdens het spreekuur bij de bedrijfsarts heeft geleid tot een onjuiste weergave van feiten of een onjuiste beoordeling van de overgelegde medische gegevens. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bovendien zelf onderzoek verricht en er heeft een volledige heroverweging plaatsgevonden. Het betoog van appellante dat de bedrijfsarts haar vier weken ZW-uitkering zou hebben toegezegd, treft geen doel. Uit overleg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de bedrijfsarts op 6 februari 2019 is naar voren gekomen dat de overweging van de bedrijfsarts om een hersteldatum vier weken later aan te nemen alleen was gebaseerd op de sociaal maatschappelijke situatie van appellante, aangezien zij op medische gronden op 13 september 2018 arbeidsgeschikt was te achten. Dat zou haar de mogelijkheid hebben geboden om een oplossing te zoeken voor haar psychosociale problematiek, waaronder het vinden van oppas voor haar kind. Nu appellante heeft verklaard daar niet mee akkoord te gaan, bestond geen aanleiding voor het aannemen van een latere hersteldatum.

4.4.

In wat appellante heeft aangevoerd wordt verder geen aanleiding gezien de medische beoordeling voor onjuist te houden. Anders dan appellante heeft gesteld zijn de artsen van het Uwv wel degelijk uitgegaan van een depressie. De artsen van het Uwv hebben de diagnose depressieve episode gesteld en hebben ook rekening gehouden met deze psychische klachten. Bij psychisch onderzoek heeft de bedrijfsarts geen psychische decompensatie gezien. Volgens de bedrijfsarts moet appellante in staat worden geacht om het mentaal lichte werk van orderpicker uit te voeren. Uit de informatie van de psychiater en psycholoog van 21 augustus 2018 en 23 april 2019 blijkt dat zij ook de diagnose eenmalig, matige depressieve stoornis hebben gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een volledige heroverweging gedaan en heeft in zijn rapport van 2 oktober 2019 inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat geen aanleiding bestaat om verdergaande beperkingen aan te nemen. Hij sluit aan bij het oordeel van de bedrijfsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder geconcludeerd dat de lichamelijke klachten van appellante niet worden geobjectiveerd. Door de orthopeed zijn geen afwijkingen gevonden. De klachten zijn getypeerd als algemene pijnklachten. De informatie van de reumatoloog geeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om anders te oordelen, omdat er geen aanwijzingen zijn voor een inflammatoire reumatische aandoening. De artsen van het Uwv waren bekend met de pijnklachten en hebben rekening gehouden met deze klachten bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellante. Uit de medische stukken is niet gebleken dat appellante niet kon werken met haar beperkingen. In hoger beroep heeft appellante geen stukken overgelegd die twijfel oproepen over het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.5.

De door appellante ter zitting gegeven verklaring over haar werkzaamheden leidt niet tot de conclusie dat het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belasting in het eigen werk in relatie tot de belastbaarheid van appellante onjuist is. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het niet gaat om haar oude functie maar over het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid als beschreven onder 4.1.

4.6.

De overwegingen in 4.2, 4.3 en 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van J.J.C. Vorias als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2022.

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) J.J.C. Vorias