Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2022
Datum publicatie
02-09-2022
Zaaknummer
21/646 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2019 heeft het Uwv appellante een Wajong-uitkering toegekend met als ingangsdatum 1 april 2018, één jaar voordat de aanvraag is ontvangen. Geen sprake van bijzonder geval als bedoeld in de genoemde uitspraken uit 2010. Onbekendheid met wettelijke regeling levert ook geen bijzonder geval op. Ook geen sprake van schending van het beginsel equality of arms.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 646 WAJONG

Datum uitspraak: 31 augustus 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 december 2020, 19/4788 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.N. Ali, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ali. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1972, heeft op 1 april 2019 een aanvraag op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij besluit van 25 juni 2019 heeft het Uwv appellante een Wajong-uitkering toegekend met als ingangsdatum 1 april 2018, één jaar voordat de aanvraag is ontvangen. Bij besluit van 27 september 2019 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 juni 2019 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv de Wajong-uitkering per een eerdere datum had moeten toekennen dan een jaar voorafgaand aan de aanvraag. De omstandigheid dat appellante onbekend was met de Wajong en/of de mogelijkheid om een dergelijke uitkering aan te vragen kan niet als een bijzonder geval worden aangemerkt. Verder was geen sprake van een totale onmogelijkheid om een uitkering aan te vragen aangezien appellante een bijstandsuitkering ontvangt. De rechtbank acht verder geen sprake van een situatie waarbij pas op een later tijdstip inzicht is ontstaan in de ernst van de aandoeningen en de gevolgen daarvan voor de arbeidsongeschiktheid. Ook om deze reden is geen sprake van een bijzonder geval. Voor het oordeel dat het Uwv in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat appellante al jaren klachten heeft en daarom redelijkerwijs van haar verwacht mag worden dat zij zich laat vertegenwoordigen of hulp heeft op het gebied van administratie. Niet is gebleken dat de te late aanvraag een aantoonbaar gevolg is van onjuiste voorlichting door het bestuursorgaan.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte geen bijzonder geval is aangenomen zoals bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong. Bij haar was namelijk pas in 2018 duidelijk dat zij ernstig arbeidsongeschikt is. Voor die tijd was zij zich niet bewust van haar beperkingen. Dat appellante na haar achttiende jaar geen inzicht had in haar arbeidsongeschiktheid kan haar niet worden verweten. Appellante was in 2001, gelet op de toen gestelde diagnose, van haar aandoeningen op de hoogte maar was zich toen nog steeds niet bewust van de gevolgen daarvan voor haar arbeidsongeschiktheid. Het kan appellante ook niet worden verweten dat zij altijd afhankelijk is geweest van hulpinstanties. Afgevraagd kan worden in hoeverre de hulpinstanties van de arbeidsongeschiktheid van appellante bewust waren. Appellante is nimmer erop gewezen dat zij een beroep kan doen op een Wajonguitkering. Volgens appellante dient de ingangsdatum van de uitkering met verdergaande terugwerkende kracht te worden vastgesteld, namelijk met ingang van haar achttiende verjaardag. Appellante stelt dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft benoemd en wijst daarbij op de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) waarin wordt ingegaan op het arrest Korošec van het EHRM van 8 oktober 2015. Appellante stelt vervolgens dat het onderzoek onzorgvuldig was en het Uwv heeft nagelaten te onderbouwen waarom geen sprake is van een bijzonder geval.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 3:29, eerste lid, van de Wajong gaat de arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Op grond van artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong kan in afwijking van het eerste lid de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Ingevolge de tweede volzin van die bepaling kan verweerder voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

4.2.

Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL5751 en van 17 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL8059) blijkt dat de Raad een bijzonder geval aanwezig acht als de betrokkene ter zake van de te late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Dit kan het geval zijn als de vraag of bij betrokkene pas op een later tijdstip een duidelijk inzicht is ontstaan op de ernst van de aandoeningen en de gevolgen daarvan voor de arbeidsongeschiktheid, bevestigend moet worden beantwoord. Onbekendheid met het bestaan van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag om uitkering kan geen bijzonder geval opleveren.

4.3.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting komt duidelijk naar voren dat bij appellante sprake is van een belastende voorgeschiedenis en forse psychische problematiek. Appellante is vanwege deze problematiek een Wajong-uitkering toegekend. Echter, de door appellante aangevoerde omstandigheden maken niet dat deze uitkering met een verdergaande terugwerkende kracht moet worden toegekend dan een jaar voor de aanvraag. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat bij appellante in 2001 de diagnose borderline is vastgesteld en de gedragsproblemen reeds in de vroege jeugd van appellante zijn ontstaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in zijn rapport van 23 mei 2022 op het standpunt gesteld dat uit de bij appellante vastgestelde diagnoses geen aanwijzingen naar voren komen dat op en na het achttiende jaar sprake is geweest van een beperking in het taxatievermogen van de eigen mogelijkheden. Dit standpunt wordt gevolgd. In de door appellante overgelegde medische stukken van de GZpsycholoog L. Oudshoorn en psychiater J. Otten van 11 juni 2021 en de informatie van de huisarts van 21 maart 2022, die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn beoordeling heeft betrokken, wordt geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Dat geldt eveneens voor het behandelplan van Max Ernst van 20 oktober 2020. Deze stukken bevatten geen van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep afwijkende informatie over het inzicht van appellante op de ernst van de aandoeningen en de gevolgen daarvan voor de arbeidsongeschiktheid in de periode voorafgaand aan de Wajong-aanvraag. Daarom moet worden aangenomen dat de ernst van haar problematiek en de gevolgen voor het kunnen verrichten van werkzaamheden al geruime tijd voordat appellante de Wajong-aanvraag heeft gedaan, voldoende duidelijk waren voor haar.

4.4.

Voor het standpunt van het Uwv wordt ook bevestiging gezien in het bezwaarschrift van appellante van 5 augustus 2019. Hierin heeft appellante vermeld dat zij altijd geweten en aangegeven heeft dat werken voor haar niet makkelijk en zelfs bijna onmogelijk was. De sociale dienst was – zo liet appellante verder weten – al jaren met haar problematiek bekend en appellante was in het kader van de bijstand al 20 jaar vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Ook deze omstandigheden wijzen erop dat bij appellante ruim vóór de Wajong-aanvraag voldoende inzicht bestond in haar (on)mogelijkheden voor het verrichten van (betaald) werk. Anders dan appellante stelt doet zich dan ook in haar geval niet de situatie voor als in de door haar genoemde uitspraak van 24 februari 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL5751). Uit de omstandigheid dat appellante in het verleden wel een bijstandsuitkering heeft aangevraagd, dan wel een derde daarvoor heeft ingeschakeld, blijkt dat zij ook in staat moet zijn geweest een Wajong-uitkering aan te (laten) vragen.

4.5.

Appellante heeft ook naar voren gebracht dat zij in het verleden door (hulp)organisaties niet op de Wajong is gewezen en zij niet eerder van het bestaan van deze wet op de hoogte was. Volgens de onder 4.2 bedoelde vaste rechtspraak, zoals onder meer is neergelegd in de uitspraak van de Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD5248) levert onbekendheid met het bestaan van de mogelijkheid om een Wajong-uitkering aan te vragen geen bijzonder geval op.

4.6.

Voor zover appellante zich op het standpunt stelt dat in deze procedure zonder benoeming van een deskundige geen sprake is van equality of arms als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, slaagt dit niet. Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2020 ECLI:NL:CRVB:2020:198) is het voldoende dat de medische gegevens die betrokkene naar voren brengt twijfel doen rijzen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep). De door appellante overgelegde rapporten zoals hiervoor zijn genoemd zijn naar hun aard geschikt om twijfel te zaaien aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv. Er is geen sprake van schending van het beginsel equality of arms en geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2022.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) G.S.M. van Duinkerken