Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2022
Datum publicatie
29-08-2022
Zaaknummer
20/4373 PW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering van bijstand. Verblijf in een inrichting.

Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het doorgeven van een adreswijziging aan de afdeling Burgerzaken ten behoeve van de basisregistratie personen niet op één lijn kan worden gesteld met het doorgeven van het verblijf in een inrichting aan het cluster Maatschappelijke Zaken, de afdeling die de PW uitvoert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 4373 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
4 december 2020, 20/444 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college)

Datum uitspraak: 9 augustus 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2022. Namens appellant is verschenen mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Veen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Uit onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand volgt dat hij van 18 juni 2018 tot en met 31 januari 2019 in een inrichting verbleef en dat in verband hiermee een adreswijziging aan de afdeling Burgerzaken is gemeld. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 februari 2019.

1.3.

Bij besluit van 19 maart 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 januari 2020 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 18 juni 2018 tot en met 31 januari 2019 herzien en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 18 juni 2018 tot en met 18 december 2018 tot een bedrag van € 3.569,19 teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellant heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting verzuimd zijn gewijzigde woon- en leefsituatie, te weten zijn verblijf in een inrichting, aan het Cluster Maatschappelijke Zaken door te geven. Het melden van de adreswijziging aan de afdeling Burgerzaken kan niet tevens gelden als een melding van verblijf in een inrichting aan het Cluster Maatschappelijke Zaken in het kader van de inlichtingenverplichting van de PW. Dit betekent dat de bijstand op grond van artikel 54, derde lid, van de PW moet worden herzien en de teveel gemaakte kosten van bijstand moeten worden teruggevorderd. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is geen sprake.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.2.

In artikel 23 van de PW is de norm voor personen die in een inrichting verblijven vastgesteld. Dit is een lager bedrag dan het normbedrag voor personen die niet in een inrichting verblijven.

4.3.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.4.

Voor zover appellant van opvatting is dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat de inrichtingsnorm op hem van toepassing was in de periode van 18 juni 2018 tot en met 31 januari 2019, wordt deze opvatting niet onderschreven. Pas ter zitting van de Raad heeft appellant twijfels geuit over de juistheid van de toepassing van de inrichtingsnorm over deze periode. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het college op basis van de onderzoeksgegevens er ten onrechte van uit is gegaan dat in de periode hier van belang de inrichtingsnorm van toepassing was.

4.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat de inrichting zijn adreswijziging heeft doorgegeven en hij daar zelf niet toe in staat was. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.1.

Het is de verantwoordelijkheid van appellant als bijstandsgerechtigde om een wijziging in de woon- en leefsituatie op de juiste wijze en aan de juiste afdeling van de gemeente door te geven (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2486). Dit is in dit geval niet gebeurd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het doorgeven van een adreswijziging aan de afdeling Burgerzaken ten behoeve van de basisregistratie personen niet op één lijn kan worden gesteld met het doorgeven van het verblijf in een inrichting aan het cluster Maatschappelijke Zaken, de afdeling die de PW uitvoert. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om zijn verblijf in de inrichting aan het Cluster Maatschappelijke Zaken te melden of te laten melden, zoals hij ook de adreswijziging heeft laten melden.

4.6.

Hieruit volgt dat appellant in de periode waar het hier om gaat als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen en dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW verplicht was de bijstand terug te vorderen.

4.7.

Het college kan alleen van terugvordering afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Appellant heeft een beroep gedaan op de aanwezigheid van dringende redenen en gesteld dat de terugvordering ernstige gevolgen heeft voor zijn psychische gezondheidssituatie en voor zijn financiële situatie. Verder heeft hij er op gewezen dat hem geen enkel verwijt valt te maken. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.7.1.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.

4.7.2.

Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft het college terecht geen dringende redenen als bedoeld in 4.7.1 aanwezig geacht. In het bestreden besluit is terecht vermeld dat lichamelijke en psychische klachten die al enige tijd bestaan en dus niet in het bijzonder het gevolg zijn van het terugvorderingsbesluit geen dringende reden vormen om van terugvordering af te zien. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor hem onaanvaardbare gevolgen voor zijn gezondheid heeft. Wat de financiële situatie van appellant betreft heeft het college terecht gewezen op de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De stelling dat hem geen verwijt treft, speelt verder geen rol bij de vraag of de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor appellant heeft.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2022.

(getekend) E.J.M. Heijs

De griffier is verhinderd te ondertekenen.