Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2022
Datum publicatie
29-08-2022
Zaaknummer
20/1817 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstand. Marktplaats.

Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden omdat hij niet heeft gemeld dat hij kleding en schoenen op Marktplaats verkocht. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs. Het college hoefde de inkomstenvrijlating niet toe te passen. Door op het bezwaar tegen het bruteringsbesluit te beslissen bij bestreden besluit 2, heeft het college in strijd met artikel 6:19 van de Awb gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2022/180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1817 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 april 2020, 19/1699 (aangevallen uitspraak 1) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

Datum uitspraak: 9 augustus 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Ook heeft mr. Jokhan namens appellant verzocht om vergoeding van schade, in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. Jokhan een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 20/3770 PW plaatsgevonden op 28 juni 2022. Appellant en mr. Jokhan, daartoe opgeroepen, hebben via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college, eveneens daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. de Roos. In de zaak 20/3770 PW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 18 november 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant via Marktplaats en Instagram handelt in merkkleding en twee bij deze melding gevoegde schermafdrukken met aangeboden kleding en schoenen, heeft de sociale recherche van Halte Werk – de gezamenlijke sociale dienst van de gemeenten Alkmaar en Dijk en Waard (Halte Werk) – een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Een sociaal rechercheur heeft gegevens opgevraagd bij Marktplaats. Ook heeft de sociaal rechercheur internetonderzoek verricht, gereageerd op een advertentie van appellant op Marktplaats en, als willekeurige belangstellende, met appellant een afspraak gemaakt voor de aankoop van een paar schoenen. Op 21 november 2018 heeft de sociaal rechercheur een overzicht van advertenties van Marktplaats ontvangen. Daaruit is onder meer gebleken dat appellant in de periode van 21 maart 2018 tot 19 november 2018 519 advertenties heeft geplaatst op Marktplaats. Op 30 november 2018 heeft X in een e-mailbericht bij Halte Werk gemeld dat appellant via Marktplaats en Instagram handelt in merkkleding. X heeft foto’s bijgevoegd waarop kleding en schoenen op een Instagram-account worden aangeboden. Op 5 december 2018 hebben twee sociaal rechercheurs met appellant gesproken over de onderzoeksbevindingen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een vijftal rapporten, waarvan de laatste is gedateerd op 5 december 2018.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om de volgende besluiten te nemen. Bij besluit van 5 december 2018 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van diezelfde datum beëindigd. Bij besluit van 7 december 2018 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 21 maart 2018 ingetrokken. Bij besluit van 10 december 2018 (besluit 3) heeft het college de over de periode van 21 maart 2018 tot en met 30 november 2018 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 8.012,44 netto.

1.4.

Op 6 december 2018 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend. De besluitvorming daarover ligt voor in het hoger beroep dat is geregistreerd onder nummer 20/3770 PW. Bij uitspraak van heden in die zaak heeft de Raad zelf in de zaak voorzien door onder meer te bepalen dat aan appellant met ingang van 6 december 2018 bijstand wordt toegekend naar de voor hem geldende norm.

1.5.

Bij besluit van 12 februari 2019 (besluit 4) heeft het college de in 1.3 genoemde vordering gebruteerd en de terugvordering vastgesteld op een bedrag van € 10.142,28.

1.6.

Bij besluit van 19 maart 2019 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard. Het college heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant heeft op geld waardeerbare activiteiten verricht via Marktplaats en dit niet gemeld. Het door appellant achteraf opgestelde overzicht is onvoldoende om de omvang van de activiteiten en de daaruit genoten inkomsten te kunnen vaststellen.

1.7.

Bij besluit van 10 mei 2019 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 4 ongegrond verklaard.

1.8.

De rechtbank heeft bestreden besluit 2 met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken bij de beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit 1.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking en de beëindiging van de bijstand.

4.1.

Gelet op 1.4 loopt de te beoordelen periode van 21 maart 2018, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot 6 december 2018, de datum met ingang waarvan appellant bijstand wordt toegekend.

4.2.

Intrekking van bijstand is, net als beëindiging van bijstand, een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging en intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

Heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden?

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hij heeft geen handel gedreven via Marktplaats. Appellant heeft het co-ouderschap over zijn zoon en hij wilde een klein extraatje verdienen om te kunnen voorzien in het levensonderhoud van zijn zoon, zoals hij ter zitting heeft toegelicht.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van betekenis.

4.4.1.

Voor ontvangers van bijstand is het niet verboden om goederen via internet te verkopen. De voorwaarde is wel dat die verkopen en daaruit verkregen inkomsten tijdig worden gemeld bij de bijstandverlenende instantie. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling behoeft te worden gedaan. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9097).

4.4.2.

Appellant heeft niet tijdig en uit zichzelf bij het college gemeld dat hij kleding en schoenen verkocht via Marktplaats. Dit had hij wel moeten doen. De verkochte goederen waren geen privégoederen en het ging niet om incidentele, maar juist om structurele verkoop van kleding en schoenen. Dit blijkt uit het door Marktplaats verstrekte advertentieoverzicht. In de periode van 21 maart 2018 tot 19 november 2018 heeft appellant in totaal 519 advertenties geplaatst. Daarbij heeft hij kleding en schoenen te koop aangeboden met vraagprijzen variërend tussen de € 14,95 en € 100,-. Appellant heeft in een schriftelijke verklaring van 22 december 2018 bovendien zelf bevestigd dat hij heeft geprobeerd om zo inkomsten te verwerven uit arbeid als zelfstandige.

4.4.3.

Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het verkopen van kleding en schoenen op Marktplaats van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Doordat hij deze activiteiten niet heeft gemeld bij het college, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden.

Is het onderzoek van de sociale recherche rechtmatig?

4.5.

Appellant heeft beroepsgronden aangevoerd over de manier waarop de sociale recherche het onderzoek heeft verricht. In het bijzonder stelt appellant dat het college heeft gehandeld in strijd met het in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht op respect voor zijn privéleven. Hij doelt daarmee op de volgorde van het onderzoek en op de reactie van de sociaal rechercheur als mogelijke klant op een advertentie van appellant en de daarna gemaakte afspraak in verband met de aankoop van schoenen. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om de sociaal rechercheur hierover als getuige te horen afgewezen.

4.6.

Deze beroepsgronden hoeven niet te worden besproken. Tussen partijen is niet in geschil dat de sociale recherche een advertentieoverzicht bij Marktplaats mocht opvragen en de openbare Marktplaatsadvertenties mocht bekijken. Zoals het college ter zitting heeft gesteld, levert dat advertentieoverzicht al een voldoende feitelijke grondslag op voor de conclusie dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daarnaast heeft appellant in deze procedure ook zelf bevestigd dat hij heeft gehandeld op Marktplaats en dat hij hiermee geld heeft verdiend. Daarom kunnen de beroepsgronden, die zijn gericht tegen de overige onderzoeksbevindingen, al geen doel treffen. Bespreking daarvan is dus niet nodig.

Kan een aanvullend recht op bijstand worden vastgesteld.

4.7.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Dit is vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3096).

4.8.

Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. Vergelijk de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.

4.9.

Appellant heeft aangevoerd dat het college het recht op bijstand schattenderwijs had kunnen vaststellen, omdat hij een deugdelijke administratie met een gemotiveerde berekening heeft overgelegd. De administratie is weliswaar achteraf opgesteld, maar in samenhang met de bankafschriften, is deze te verifiëren. Op zijn bankafschriften is namelijk te zien dat appellant contant geld opneemt. Met dit contant opgenomen geld heeft appellant de inkoop van de kleding en de schoenen gefinancierd. Omdat de inkoopprijzen steeds hetzelfde waren, is de reconstructie van zijn inkomsten die hij op deze manier heeft verworven reëel. De totale inkomsten waren € 8.847,75. Het aantal advertenties waarvan het college uitgaat, is veel te hoog. Een deel van de advertenties is opnieuw geplaatst.

4.10.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.10.1.

Appellant heeft van de in- en verkoop geen administratie of boekhouding bijgehouden. Op de bankrekening van appellant zijn wel bijschrijvingen zichtbaar van personen die kleding en schoenen hebben gekocht, maar deze geven geen volledig beeld van de verkoopactiviteiten via Marktplaats. Vaststaat namelijk dat een deel van de verkopen namelijk contant is betaald. Volgens appellant was dit een klein deel, maar dat is niet te controleren.

4.10.2.

Ook het door appellant achteraf opgestelde overzicht van transacties per maand biedt onvoldoende duidelijkheid. Op de bankafschriften zijn inderdaad contante opnames van grotere bedragen te zien, maar de stelling dat hij hiermee de inkoop financierde en dat hij een vaste inkoopprijs betaalde, heeft appellant niet onderbouwd. Hoeveel kleding en schoenen appellant heeft verkocht en wat de inkomsten hieruit waren, is onduidelijk gebleven. Er is onvoldoende of geen direct verband te leggen tussen een volgens appellant verkocht goed, de herkomst en de verkoopprijs ervan.

4.10.3.

Appellant heeft wel gesteld dat het aantal advertenties geen goed beeld geeft van de omvang van de handelsactiviteiten en dat hij minder heeft verdiend dan het bedrag dat het college heeft teruggevorderd, maar ook deze stelling heeft hij onvoldoende onderbouwd. Er is onvoldoende verifieerbare informatie voorhanden om een betrouwbare reconstructie te maken van de opbrengsten van de verkoop kleding en schoenen door appellant.

4.10.4.

Het recht op bijstand kan daarom ook schattenderwijs niet worden vastgesteld.

Had het college de inkomstenvrijlating moeten toepassen?

4.11.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het college de inkomensvrijlating, zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de PW, had moeten toepassen. Appellant heeft namelijk volgens hem de inlichtingenverplichting niet geschonden en er valt een goede reconstructie te maken van zijn inkomsten.

4.12.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van betekenis.

4.12.1.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de PW, zoals dit artikel in 2018 luidde, is bepaald dat niet tot de middelen behoren: inkomsten uit arbeid tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 203,- per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling

4.12.2.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de voorwaarden voor inkomensvrijlating niet is voldaan. Uit 4.4.2 en 4.4.3 volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Uit 4.10 tot en met 4.10.4 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat het recht niet kan worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs. Het college heeft niet, en al helemaal niet vooraf, kunnen beoordelen of de werkzaamheden van appellant naar zijn oordeel bijdragen aan de uitstroom naar arbeid.

Zijn er dringende redenen om van terugvordering af te zien?

4.13.

Appellant heeft aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Deze dringende redenen zijn, naar de Raad begrijpt, gelegen in het volgende. Appellant is alleenstaande ouder, heeft co-ouderschap over zijn zoon, is arbeidsongeschikt en is al geruime tijd werkloos. Zijn inkomsten zijn te gering om een kind te huisvesten en te verzorgen en appellant heeft geen vermogen.

4.14.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Wat appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin. Zijn geschetste financiële situatie is namelijk geen gevolg van de terugvordering.

Had het college het bezwaar tegen besluit 4 mede in de beoordeling van het bezwaar tegen besluit 3 moeten betrekken?

4.15.

Appellant heeft aangevoerd dat besluit 4 ten onrechte niet is meegenomen in de bezwaarprocedure tegen besluit 3. Door op het bezwaar tegen besluit 4 te beslissen bij bestreden besluit 2, heeft het college in strijd met artikel 6:19 van de Awb gehandeld.

4.16.

Deze beroepsgrond slaagt. Besluit 4 is een wijziging van besluit 3. Het teruggevorderde bedrag is namelijk verhoogd met een bedrag van € 2.129,84 aan afgedragen premies en loonbelasting. Dit brengt mee dat het college het bezwaar tegen besluit 3 mede gericht had moeten achten tegen besluit 4 en op dat bezwaar had moeten beslissen bij bestreden besluit 1. Hieruit volgt tevens dat bestreden besluit 2 onbevoegd is genomen. Vergelijk de uitspraken van 14 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2300, en van 5 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:586. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover daarbij niet is beslist over het bezwaar tegen besluit 4. Verder zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren, dit besluit vernietigen en hierna het bezwaar tegen besluit 4 beoordelen.

Heeft het college de netto vordering ten onrechte gebruteerd?

4.17.

Appellant heeft aangevoerd dat het college de vordering ten onrechte heeft gebruteerd, omdat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Appellant heeft verder aangevoerd dat het college de vordering te laat heeft gebruteerd.

4.18.

Deze beroepsgronden slagen al niet omdat appellant wel de inlichtingenverplichting heeft geschonden, zoals volgt uit 4.4.2 en 4.4.3. Verder valt niet in te zien dat het college te laat tot brutering van de netto vordering is overgegaan. Het terugvorderingsbesluit dateert namelijk van 10 december 2018 en het bruteringsbesluit van 12 februari 2019.

Waar leiden de voorgaande overwegingen toe?

4.19.

Uit 4.1 tot en met 4.14 volgt dat het hoger beroep niet slaagt voor zover het ziet op de intrekking en terugvordering. Uit 4.15 en 4.16 volgt dat het hoger beroep slaagt voor zover het ziet op het niet meenemen van besluit 4 in de bezwaarprocedure tegen besluit 3. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak niet geheel in stand kan blijven. Voor de duidelijkheid zal de aangevallen uitspraak in zijn geheel worden vernietigd. Uit 4.18 volgt dat het bezwaar tegen besluit 4 ongegrond moet worden verklaard.

4.20.

Daarom bestaat geen grond voor een veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het genomen bruteringsbesluit en de vernietigingen die daarmee samenhangen, enkel en alleen het gevolg zijn van het nog niet volledig afbetaald zijn van de schuld van betrokkene.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 19 maart 2019 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 19 maart 2019 voor zover daarbij niet is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2019;

  • -

    voorziet zelf in de zaak door het bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2019 ongegrond te verklaren;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 19 maart 2019;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 10 mei 2019 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R. Schut en K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Eikelenboom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2022.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.E. Eikelenboom