Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1841

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2022
Datum publicatie
23-08-2022
Zaaknummer
21/811 WW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ook in hoger beroep niet onderbouwd waarom de rechtbank de zaken niet gevoegd had mogen behandelen. In hoger beroep heeft appellant, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn brieven aan het Uwv zijn verzonden. Inhoudelijk voldoet appellant niet aan de wekeneis. Bestreden besluit van 4 september 2020 is juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 811 WW-PV

Datum uitspraak: 10 augustus 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2021, 19/5830 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Zitting heeft: H.G. Rottier

Griffier: K.M. Geerman

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2022. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. Appellant en zijn gemachtigde mr. Santokhi zijn zonder bericht niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellant heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op door hem ingediende verzoeken om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) of de Werkloosheidswet (WW). Vervolgens heeft appellant op 14 januari 2020 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de WW. Het Uwv heeft deze aanvraag bij besluit van 22 januari 2020 afgewezen, omdat appellant niet voldoet aan de zogenoemde wekeneis. Bij brief van 19 februari 2020 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 januari 2020. Bij brief van 20 april 2020 heeft appellant het Uwv in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Appellant heeft vervolgens op 20 mei 2020 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het besluit van 22 januari 2020. Bij beslissing op bezwaar van 4 september 2020 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 januari 2020 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van zijn verzoek(en) ongegrond, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 22 januari 2020 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 4 september 2020 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft enerzijds procedurele gronden aangevoerd en anderzijds inhoudelijke gronden tegen de ontzegging van zijn WW-uitkering.

3.1.

Het eerste punt van appellant dat de rechtbank zijn beroepen niet tegelijkertijd had mogen behandelen slaagt niet. Er is geen reden waarom de rechtbank de zaken niet gevoegd had mogen behandelen. Appellant heeft in hoger beroep ook niet onderbouwd waarom de rechtbank dit niet had mogen doen.

3.2.

Appellant acht het onjuist dat de rechtbank ervan uit is gegaan dat het Uwv zijn brieven, waaronder de brieven met ingebrekestellingen, niet heeft ontvangen en acht het onterecht dat de rechtbank heeft overwogen dat appellant moet aantonen dat hij de brieven wel heeft verzonden. Het oordeel van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de brieven waarin hij het Uwv zou hebben gemaand te beslissen op zijn verzoeken zou hebben verzonden, is juist. Ook in hoger beroep heeft appellant, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet aannemelijk gemaakt dat deze brieven aan het Uwv zijn verzonden.

3.3.

Inhoudelijk gaat het om de ontzegging van de WW-uitkering per 7 maart 2014. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant geen recht op een WW-uitkering heeft opgebouwd, omdat appellant niet voldoet aan de zogenoemde wekeneis. Het bestreden besluit van 4 september 2020 is juist. Er kan slechts recht op een WW-uitkering bestaan, als appellant 26 kalenderweken heeft gewerkt en deze weken niet eerder tot een recht op een WIA-uitkering hebben geleid. Appellant voldoet niet aan deze voorwaarde.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) K.M. Geerman (getekend) H.G. Rottier