Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2022
Datum publicatie
23-08-2022
Zaaknummer
21/1598 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2021:1573, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 1598 WIA

Datum uitspraak: 17 augustus 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 maart 2021, 20/6417 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Heek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 20/467 WIA en 20/1305 WIA. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaken 20/467 WIA en 20/1305 WIA wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als chauffeur beroepsgoederen voor 40 uur per week. Op 17 april 2015 heeft hij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 14 april 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 68,08% en het einde van de loongerelateerde periode op 13 april 2019.

1.2.

Na een herbeoordeling is de loongerelateerde WGA-uitkering per 24 april 2018 ongewijzigd voortgezet. Dit besluit is in bezwaar in stand gebleven waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 65,95%. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tegen deze uitspraak heeft het Uwv hoger beroep en appellant incidenteel hoger beroep ingesteld. In hoger beroep is de uitspraak van de rechtbank vernietigd en is het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

In verband met een herbeoordeling heeft appellant op 10 april 2019 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 juni 2019. De verzekeringsarts heeft het aannemelijk geacht dat er beperkingen zijn ten aanzien van zware belastende arbeid met de rug. Appellant wordt daarom, vergeleken met de beoordeling in 2018, aanvullend beperkt geacht op frequent buigen tijdens het werk en gebogen/getordeerd actief zijn. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 29,28%. Het Uwv heeft bij besluit van 13 augustus 2019 de WGA-vervolguitkering van appellant met ingang van 14 oktober 2019 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 augustus 2019 heeft het Uwv bij besluit van 16 april 2020 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 25 maart 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 8 april 2020 en 15 april 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat voor het aannemen van meer beperkingen dan reeds weergegeven in de FML van 14 juni 2019. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat twee van de vier geselecteerde functies niet passen bij het opleidingsniveau van appellant, zijnde opleidingsniveau drie. Hij heeft één nieuwe functie geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 37,60%. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv de WGA-vervolguitkering van appellant per 14 oktober 2019 ongewijzigd voorgezet, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. Op grond van de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 37,60% is de WGA-vervolguitkering per 17 juni 2020 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen is gebleken dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, de medische informatie van behandelaars hebben meegenomen en aanvullend eigen onderzoek hebben verricht. De rechtbank heeft verder overwogen dat niet is gebleken dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Bij het opstellen van de FML is door de verzekeringsartsen met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. De medische informatie die appellant in beroep heeft overgelegd, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid. Uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de brief van allergologen van 15 september 2020 volgt naar het oordeel van de rechtbank dat met de schimmelallergie van appellant geen bezwaar bestaat tegen het werken in gebouwen, mits het luchtbehandelingssysteem goed wordt onderhouden. Ook de stressklachten van appellant waren bekend bij de verzekeringsartsen. Verdergaande beperkingen wegens psychische klachten kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden geobjectiveerd, bij gebrek aan een diagnose of behandeling. Ook wordt het standpunt van het Uwv gevolgd dat de in beroep overgelegde informatie van de orthopedisch chirurg van 13 maart 2020 geen aanleiding geeft voor de conclusie dat de voet- en enkelklachten van appellant zijn onderschat.

2.2.

De rechtbank heeft verder gewezen op het rapport van 16 november 2020 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Hierin wordt geconcludeerd dat een eerder geselecteerde functie binnen SBC-code 315100 op de datum in geding, te weten 17 juni 2020, onvoldoende actueel was. Binnen SBC-code 315100 is eenzelfde functie geselecteerd welke vergeleken met de vervallen functie qua belastbaarheid enkel een andere urenomvang per week kent. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de gewijzigde functieselectie geconcludeerd dat appellant per 17 juni 2020 44,53% arbeidsongeschikt is en dat de arbeidsongeschiktheidsklasse hierdoor niet wijzigt. De rechtbank heeft overwogen dat het volgens vaste rechtspraak is toegestaan om gedurende de beroepsprocedure een geselecteerde functie te vervangen door een andere functie met dezelfde SBC-code. Gelet op de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de rechtbank geoordeeld dat de geselecteerde functies passend en actueel zijn ten tijde in geding. De rechtbank heeft wel vastgesteld dat het Uwv pas in beroep de actualisatie van de geselecteerde functies en de geschiktheid van appellant voor deze functies voldoende heeft toegelicht. Omdat pas in beroep een voldoende arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit, heeft de rechtbank geconcludeerd dat dit besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Omdat de actualisatie van de geselecteerde functies in beroep alsnog is toegelicht, de arbeidsongeschiktheidsklasse niet is gewijzigd en het bestreden besluit voor het overige de rechterlijke toetsing kan doorstaan, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat het medisch rapport door de verzekeringsarts pas tien weken na het spreekuur is opgesteld. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij wegens zijn enkel-, voet- en psychische klachten meer beperkt is dan door het Uwv wordt aangenomen. Daarbij heeft hij verwezen naar de in beroep ingebrachte medische informatie en heeft hij aanvullend CT-scans van zijn enkel ingebracht. Appellant heeft verder gesteld dat bij de huidige beoordeling minder beperkingen in de FML zijn opgenomen dan bij eerdere beoordelingen. Ook heeft appellant verwezen naar een herbeoordeling door het Uwv waarbij hij per 1 april 2021 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht omdat sprake is van geen benutbare mogelijkheden. Daarnaast heeft appellant gesteld dat hij door zijn allergie niet kan werken in een kantoorgebouw en dat de geselecteerde functies hierdoor voor hem niet geschikt zijn aangezien hierin gewerkt wordt in een kantoorgebouw zonder dat vaststaat dat er een goed onderhouden luchtbehandelingssysteem aanwezig is. Appellant heeft de voor hem geselecteerde functies verder ongeschikt geacht omdat hierin overwegend zittend gewerkt moet worden en trap moet worden gelopen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 17 juni 2020 heeft vastgesteld op 44,53%.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Het enkele feit dat het medisch rapport door de verzekeringsarts niet direct na het spreekuur is opgesteld, leidt niet tot een ander oordeel aangezien appellant niet nader heeft onderbouwd dat er door dit tijdsverloop zaken zijn gemist of onjuist zijn beoordeeld. Daar komt bij dat de verzekeringsarts op 3 juni 2019 nog telefonisch contact heeft gehad met appellant waarbij zijn recente medische toestand is besproken.

4.4.

Ook het oordeel van de rechtbank dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling wordt gevolgd. Met de op de datum in geding bestaande psychische en lichamelijke klachten is door de verzekeringsartsen rekening gehouden. Appellant heeft onvoldoende onderbouwd dat op die datum al sprake was van zodanig ernstige psychische klachten dat er ook toen sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Ook de in hoger beroep ingebrachte CT-scans van de rechterenkel leiden niet tot een ander oordeel. In de brief van de orthopedisch chirurg van 13 maart 2020 is de uitkomst van deze CT-scans reeds uitgebreid beschreven. Deze brief is blijkens het rapport van 21 februari 2021 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien, maar gaf geen aanleiding tot wijziging van reeds voor deze klachten aangenomen beperkingen. Verder is in de uitspraak van heden (zaken met kenmerk 20/467 en 20/1305) op het hoger beroep van het Uwv inzake de herbeoordeling van appellant per 24 april 2018, door de Raad geoordeeld dat geen aanleiding bestaat appellant wegens zijn schimmelallergie beperkt te achten op het werken in gebouwen met airconditioning. Er is geen aanleiding in het kader van deze procedure hierover anders te oordelen. Ook de stelling van appellant dat bij de huidige beoordeling in de FML op de items lopen en klimmen zonder nadere motivering minder beperkingen zijn aangenomen dan bij eerdere beoordelingen, wordt niet gevolgd. In de FML van 8 april 2020 waarnaar door appellant in dit kader is verwezen, zijn alleen de beperkingen opgenomen zoals deze verwacht kunnen worden na adequate behandeling. Deze FML is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep slechts opgesteld in verband met een eventuele beoordeling van de duurzaamheid. De belastbaarheid van appellant waarvan door het Uwv wordt uitgegaan, is vastgelegd in de FML van 14 juni 2019.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de beperkingen in de FML van 14 juni 2019 wordt geen aanleiding gezien te twijfelen aan de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies. Uit de stukken van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) van 12 november 2020 blijkt dat door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij de aanvullende functieselectie in beroep een onjuiste FML is gebruikt, namelijk die van 8 april 2020. De nieuw geselecteerde functie verschilt echter enkel van de eerder geselecteerde functie op het item werktijden terwijl uit de CBBS-stukken van deze eerdere beoordeling, waarbij wel de juiste FML is gebruikt, blijkt dat de functie op de overige items geen overschrijding van de belastbaarheid van appellant kent. Verder komen in de geselecteerde functies geen signaleringen voor op het item zitten zodat aangenomen wordt dat de belastbaarheid van appellant op dit item in de functies niet wordt overschreden. Ten aanzien van traplopen geldt dat appellant hierop beperkt is en geacht wordt tenminste in één keer één trap op of af te kunnen. Gelet op de Basisinformatie CBBS gaat het dan om vijftien treden en wordt ervan uitgegaan dat dit met een frequentie van ongeveer vier keer per uur kan worden uitgevoerd. In de functie met SBC-code 315150 wordt tijdens vier werkuren tienmaal ongeveer één trede achtereen trapgelopen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het Resultaat functiebeoordeling (RFB) van 8 april 2020 toegelicht dat de hogere frequentie (tienmaal per uur) in combinatie met het feit dat sprake is van slechts één trede niet leidt tot overschrijding van de belastbaarheid omdat er verdeeld over één uur slechts sprake is van tien treden. In de functie met SBC-code 315100 wordt tijdens drie werkuren tweemaal ongeveer 23 treden achtereen trapgelopen. Hierover heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het RFB toegelicht dat in de functie sprake is van 23 treden maar dat de frequentie tijdens drie werkuren slechts tweemaal per uur is (eenmaal de trap op en eenmaal de trap af) en dat de overschrijding van het aantal treden (acht) ruimschoots wordt gecompenseerd door de lagere frequentie waardoor er geen overschrijding plaatsvindt van de belastbaarheid. Appellant heeft niets aangevoerd waardoor getwijfeld moet worden aan de juistheid van deze conclusies. Ook de overige signaleringen zijn door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het RFB van 8 april 2020 van een adequate motivering voorzien.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2022.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) E.X.R. Yi