Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1819

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
18-08-2022
Zaaknummer
22/1325 JW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Geen sprake van een kennelijk onrechtmatig besluit of van een uitspraak van de rechtbank over dit besluit waarvan moet worden verwacht dat die in hoger beroep geen stand zal houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22/1325 JW-VV

Datum uitspraak: 3 augustus 2022

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. N. Roos, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2022, 21/559 (aangevallen uitspraak) en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2022. Namens verzoeker zijn verschenen zijn moeder [naam moeder] en mr. Roos. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W. Tang.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij besluit van 8 juli 2020, in stand gelaten bij beslissing op bezwaar van 29 december 2020 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van verzoeker van 18 mei 2020 voor jeugdhulp, te verlenen door de moeder door middel van een persoonsgebonden budget (pgb), op grond van de Jeugdwet afgewezen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een deel van de zorg gebruikelijke zorg is en dat de moeder een deel van de bovengebruikelijke zorg zelf kan oppakken. Dit heeft zij zelf ook aangegeven. Voor de hulp die verzoeker nodig heeft op het gebied van het aanbrengen en het behouden van een dagstructuur, het verminderen van spanning tussen moeder en kind, het werken naar zelfstandigheid en het ontwikkelen van copingvaardigheden is meer ondersteuning nodig dan de moeder kan bieden. Het wijkteam heeft besloten hier basiszorg voor in te zetten die indien nodig kan worden aangevuld met meer specialistische hulp.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het college heeft het stappenplan, zoals dat volgt uit de uitspraak van de Raad van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477, gevolgd. Het college heeft in het ondersteuningsverslag per leefgebied beschreven welk doel wordt nagestreefd, met voorstellen hoe deze doelen bereikt worden. De rechtbank is met het college van oordeel dat de geboden zorg door de moeder van verzoeker onder de eigen kracht/mogelijkheden valt en dat voor de noodzakelijke professionele hulp een beroep kan worden gedaan op het wijkteam en eventueel specialistische hulp. Het college heeft de voorgestelde basishulp door het wijkteam aangevuld met specialistische hulp terecht passend geacht. Verzoeker is daarom terecht niet in aanmerking gebracht voor specialistische jeugdhulp in de vorm van een informeel pgb.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hangende het hoger beroep heeft verzoeker een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft aangevoerd dat er geen verbetering is te verwachten en dat er inmiddels sprake is van een gewijzigde situatie. Verzoeker gaat niet meer naar school en op 6 april 2022 heeft hij een vrijstelling van de leerplicht gekregen voor de schooljaren 2021/2022 en 2022/2023. Verzoeker verkeert hierdoor in een spoedeisende situatie. Verzoeker betwist dat de geboden zorg onder de eigen mogelijkheden valt en dat voor de noodzakelijke professionele hulp een beroep kan worden gedaan op het wijkteam en eventueel specialistische hulp. De namens het college ingezette hulp en specialistische hulp hebben volgens verzoeker niet geleid tot hulp die aansluit bij zijn zorgbehoefte. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat aan verzoeker een pgb wordt verstrekt voor jeugdhulp door de moeder.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij die belangenafweging speelt voorts een rol de vraag of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Voor zover de voorzieningenrechter daarbij het geschil in de bodemprocedure beoordeelt, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4.2.

De Raad stelt voorop dat de beoordelingsperiode in deze zaak loopt van 18 mei 2020 (datum aanvraag) tot en met 29 december 2020 (datum bestreden besluit).

4.3.

Van een kennelijk onrechtmatig besluit of van een uitspraak van de rechtbank over dit besluit waarvan moet worden verwacht dat die in hoger beroep geen stand zal houden, is geen sprake. Verder is namens het college ter zitting uitdrukkelijk toegezegd dat verzoeker hulp kan krijgen bij het wijkteam. Verzoeker en zijn moeder kunnen zich tot het wijkteam wenden met een hulpvraag en dan zal bezien worden welke hulp wordt verstrekt. Dit betekent dat voor verzoeker geen schade zal ontstaan indien er geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Gezien het voorgaande zou het te ingrijpend zijn om een voorlopige voorziening te treffen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.N. de Groot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2022.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.N. de Groot