Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1818

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
18-08-2022
Zaaknummer
21/4243 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken. Zij heeft immers ambtshalve onderzocht of de redelijke termijn was overschreden. Appellante heeft tijdens de procedure bij de rechtbank geen verzoek gedaan om vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Er zijn dus ook geen met een zodanig verzoek samenhangende proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2022/347
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 4243 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 oktober 2021, 19/3300 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Weert (college)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 3 augustus 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.O.F. Rutten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad op 27 juli 2022 het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 19 juni 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 november 2019 (bestreden besluit), heeft het college appellante met ingang van 1 juli 2019 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft ambtshalve getoetst of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (redelijke termijn) was overschreden. In verband met een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de bestuursrechter van bijna vier maanden heeft de rechtbank appellante een schadevergoeding toegekend van € 500,-, te betalen door de Staat.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank, nu zij een schadevergoeding heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, ook een proceskostenveroordeling had moeten toekennen en een vergoeding van griffierecht. Zij heeft daartoe verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad.1

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken. Zij heeft immers ambtshalve onderzocht of de redelijke termijn was overschreden. Appellante heeft tijdens de procedure bij de rechtbank geen verzoek gedaan om vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Er zijn dus ook geen met een zodanig verzoek samenhangende proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.2 De door appellante genoemde uitspraak van de Hoge Raad leidt niet tot een ander oordeel omdat in de zaak die aanleiding gaf tot die uitspraak door belanghebbende wel een verzoek als hiervoor bedoeld was gedaan.

4.2.

Voor vergoeding van griffierecht was evenmin aanleiding. Zoals gezegd betreft het hier een ambtshalve toekenning, ter zake waarvan geen griffierecht is betaald. Overigens is voor een verzoek als bedoeld in artikel 8:91 van de Awb ook geen griffierecht verschuldigd.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van S.N. de Groot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2022.

(getekend) K.H. Sanders

(getekend) S.N. de Groot

1 HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660.

2 HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053.