Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:17

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2022
Datum publicatie
11-01-2022
Zaaknummer
19/4668 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering van bijstand. Stortingen en bijschrijvingen. Het college heeft de stortingen en bijschrijvingen terecht als inkomsten aangemerkt. Doordat appellante van deze inkomsten geen melding heeft gemaakt, heeft het college aan appellante tot een te hoog bedrag bijstand verleend. Het college was daarom gehouden de bijstand te herzien en terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4668 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

3 oktober 2019, 19/2382 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 4 januari 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 11 november 2016 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Hieraan voorafgaand was appellante als zelfstandige werkzaam. Bij de bijstandverlening is de waarde van haar bedrijfsautobus aangemerkt als vrij te laten vermogen. Appellante heeft de bedrijfsautobus in januari 2017 verkocht.

1.2.

In het kader van een heronderzoek heeft een inkomensconsulent van de gemeente Rotterdam (inkomensconsulent) appellante uitgenodigd voor een gesprek en haar verzocht onder meer afschriften van alle op haar naam staande bankrekeningen over de periode van 1 maart 2018 tot en met 1 juni 2018 mee te nemen. Omdat op de ingeleverde bankafschriften in alle maanden verschillende stortingen en bijschrijvingen van derden waren vermeld, heeft appellante vervolgens op verzoek bankafschriften over de periode van 1 januari 2017 tot 1 maart 2018 verstrekt. Daaruit is onder meer gebleken dat er in de maanden juli 2017, november 2017 en december 2017 en in de maanden januari en februari 2018 contante bedragen zijn gestort op de bankrekeningen van appellante en dat in de maanden maart 2018 tot en met mei 2018 bedragen zijn bijgeschreven door derden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 mei 2018.

1.3.

Bij besluit van 5 september 2018 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2018 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.014,60 netto van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 7 september 2018 (besluit 2) heeft het college de terugvordering gebruteerd naar een bedrag van € 7.807,63.

1.4.

Bij besluit van 2 mei 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluit 1 en 2 deels gegrond verklaard en de hoogte van de terugvordering bepaald op € 5.702,67 bruto. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de stortingen en bijschrijvingen op haar bankrekening. Het college heeft de stortingen en de bijschrijvingen als inkomen aangemerkt die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is tot een te hoog bedrag bijstand verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het college veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat het college het aan appellante betaalde griffierecht vergoedt.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2018.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante de stortingen en bijschrijvingen op haar bankrekening niet heeft gemeld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door het college in aanmerking genomen stortingen in de maanden november 2017 tot en met maart 2018 en de bijschrijvingen in de maanden maart 2018 tot en met mei 2018 in aanmerking te nemen inkomsten zijn.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat de contante stortingen in de maanden november 2017 tot en met februari 2018 afkomstig zijn van de opbrengst die zij contant heeft ontvangen voor de verkoop van haar bedrijfsautobus in januari 2017. Omdat de stortingen afkomstig zijn uit de opbrengst van een vrijgelaten vermogensbestanddeel, moeten ook de stortingen worden vrijgelaten en zijn het geen inkomsten. De contante storting in maart 2017 is geld dat appellante heeft geleend van haar zoon en betreft om die reden geen inkomen. Over de bijschrijvingen op haar bankrekening heeft appellante gesteld dat het gaat om betaling van nog openstaande facturen van haar beëindigde bedrijf, om vergoeding door X voor de aankoop van goederen ten behoeve van X en om vergoeding van gemaakte benzinekosten.

4.3.1.

Bedragen die zijn gestort en bedragen die zijn bijgeschreven door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450).

Opbrengst verkoop bedrijfsautobus

4.3.2.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de stortingen in de maanden november 2017 tot en met februari 2018 afkomstig zijn van het geld dat zij in januari 2017 contant heeft ontvangen voor de verkoop van de bedrijfsautobus. Daartoe ontbreekt een duidelijke samenhang in tijd en grootte van de bedragen tussen het ontvangen bedrag en de gestorte bedragen. Hierbij is behalve het grote tijdverloop tussen ontvangst van de verkoopopbrengst en de stortingen, het volgende van betekenis. Appellante heeft wisselende verklaringen afgelegd over de hoogte van de verkoopopbrengst, heeft ter zitting van de Raad verklaard van de opbrengst ook een andere auto te hebben gekocht waarvan zij de koopprijs niet meer weet, en heeft verklaard dat zij regelmatig geld opnam en dit samen met de contante opbrengst van de bedrijfsautobus bewaarde. Hierdoor kan achteraf niet meer worden achterhaald welk gestorte bedrag afkomstig is van de opbrengst uit de verkoop van de bedrijfsautobus.

Lening
4.3.3. De stelling dat de storting in maart 2018 ziet op geld dat appellante van haar zoon heeft geleend, leidt niet tot een andere conclusie dan in 4.3.1. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Daarnaast worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers – ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt – als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt. Dit volgt uit vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van de betrokkene toeneemt, is – in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel – niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.

Bijschrijvingen in maart, april en mei 2018
4.3.4. Dat twee bijschrijvingen afkomstig zijn van X voor terugbetaling van betalingen die appellante via haar creditcard heeft voorgeschoten voor aankopen van monsters, heeft appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt. Op het overzicht van de creditcard zijn weliswaar afschrijvingen te zien, maar omdat een omschrijving ontbreekt is niet duidelijk dat het gaat om betalingen voor aankopen ten behoeve van X. De enkele verklaring van X over het doel van de betalingen, is onvoldoende. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij een bedrag voor gemaakte benzinekosten heeft ontvangen nu zij de betaling van die kosten niet aannemelijk heeft gemaakt. Verder heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de overige door het college als inkomen aangemerkte bijschrijvingen inkomsten zijn over de periode dat zij als zelfstandige werkzaam was. Haar verklaring daarover is onvoldoende. Dat betekent, gelet op de in 4.3.1 genoemde uitgangspunten, dat geen aanleiding bestaat de bijschrijvingen niet als inkomen in de maanden waarin deze zijn ontvangen, aan te merken.

4.4.

Uit 4.3.1 tot en met 4.3.4 volgt dat het college de hier aan de orde zijnde stortingen en bijschrijvingen terecht als inkomsten heeft aangemerkt. Doordat appellante van deze inkomsten geen melding heeft gemaakt, heeft het college aan appellante tot een te hoog bedrag bijstand verleend. Het college was daarom gehouden de bijstand te herzien en terug te vorderen.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. van Paridon, in tegenwoordigheid van J. Oosterveen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2021.

(getekend) M. van Paridon

(getekend) J. Oosterveen