Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2022
Datum publicatie
28-07-2022
Zaaknummer
20/3299 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opleggen vordering wegens meerinkomen. De vordering is vastgesteld op een bedrag van € 2.261,87. Appellante ontving een Wajong-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20/3299 WSF en 21/1347 WSF

Datum uitspraak: 20 juli 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 17 augustus 2020, 19/7374 (aangevallen uitspraak 1) en 12 maart 2021, 20/4227 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft A. Steenbakker hoger beroepen ingesteld.

De minister heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting, waar de zaken gevoegd zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 8 december 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

Het onderzoek is heropend en de zaak is vervolgens verwezen naar een meervoudige kamer.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft aan appellante, voor zover hier van belang, over de jaren 2015 en 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend.

1.2.

Bij besluit van 31 augustus 2019, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 15 november 2019 (bestreden besluit 1), heeft de minister appellante over 2015 een vordering wegens meerinkomen opgelegd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante, uitgaande van haar toetsingsinkomen in 2015 van € 16.133,- en de voor 2015 geldende bijverdiengrens van € 13.856,11, een bedrag van € 2.276,89 te veel heeft bijverdiend. Omdat appellante (tenminste) voor dat bedrag studiefinanciering heeft ontvangen in de vorm van een prestatiebeurs en een reisvoorziening, is de vordering vastgesteld op een bedrag van € 2.276,89.

1.3.

Bij besluit van 3 maart 2020, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 29 juni 2020 (bestreden besluit 2), heeft de minister appellante over 2016 een vordering wegens meerinkomen opgelegd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante, uitgaande van haar toetsingsinkomen in 2016 van € 16.251,- en de voor 2016 geldende bijverdiengrens van € 13.989,13, een bedrag van € 2.261,87 te veel heeft bijverdiend. Omdat appellante (tenminste) voor dat bedrag studiefinanciering heeft ontvangen in de vorm van een prestatiebeurs en een reisvoorziening, is de vordering vastgesteld op een bedrag van € 2.261,87.

2. Bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de minister tekort is geschoten in zijn informatieplicht. Omdat sprake is van een kwetsbare groep had de minister in zijn informatievoorziening expliciet moeten vermelden dat de (oude) Wajong-uitkering wordt gezien als bijverdienste. Dat staat ten onrechte niet in de folder over 2015 en ook niet in de destijds geldende tekst van de folder over 2016. Dat laatste is dus anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 heeft overwogen. Appellante heeft verder gesteld dat zij dacht dat het goed zat, omdat ze vanaf 2009 een Wajong-uitkering ontving en vanaf 2010 studiefinanciering kreeg, maar zij eerder niets gehoord had van de minister. Als zij eerder had geweten dat de Wajong-uitkering meetelt als bijverdienste had zij tijdig kunnen handelen en had zij het overschrijden van de bijverdiengrens kunnen voorkomen. Nu wordt zij geconfronteerd met een vordering over verschillende jaren.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de minister de vorderingen wegens meerinkomen over 2015 en 2016 in overeenstemming met het dwingendrechtelijke artikel 3.17 van de Wsf 2000 heeft vastgesteld.

4.2.

Er is geen rechtsregel op grond waarvan de minister verplicht is om in zijn informatievoorziening te vermelden welke inkomensbestanddelen meetellen voor de bijverdienregeling. Dat zou ook ondoenlijk zijn voor de minister en bovendien tot een onoverzichtelijke opsomming leiden. Alle inkomsten die fiscaal belast zijn en niet als uitzonderingen worden vermeld in het voorlichtingsmateriaal tellen mee als bijverdiensten. Het gegeven dat de minister in zijn voorlichtingsmateriaal vanaf 2017 als extra informatie heeft opgenomen dat een Wajong-uitkering wél meetelt voor de bijverdienregeling leidt niet tot de conclusie dat de minister in de jaren daarvoor een rechtsregel heeft geschonden.

4.3.

Het ligt op de weg van de studerende om tijdig op de eigen situatie toegespitste informatie in te winnen bij de minister voor zover het haar niet duidelijk is of bepaalde inkomsten meetellen voor de bijverdienregeling. Het had dan ook op de weg van appellante gelegen om gerichte informatie bij de minister op te vragen toen het haar, op basis van de door haar gevonden informatie, niet duidelijk was of haar Wajong-uitkering meetelt. Dat zij dacht dat het wel goed zat komt voor haar risico.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat de omstandigheden die appellante naar voren brengt er niet toe leiden dat de minister onder toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000 had moeten afzien van het opleggen van een vordering wegens meerinkomen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop de aangevallen uitspraken berusten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en D.S. de Vries en D.A. Verburg als leden, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022.

(getekend) J. Brand

(getekend) L.C. van Bentum