Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1608

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2022
Datum publicatie
21-07-2022
Zaaknummer
21/1040 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd om AOW-ouderdomspensioen toe te kennen omdat niet gebleken is dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW. Appellant heeft met de door hem overgelegde verklaringen en stukken niet aangetoond dat hij en [naam], die onbetwist eind jaren 60 en begin jaren 70 van de vorige eeuw in Nederland heeft gewoond en gewerkt, werkelijk dezelfde persoon zijn. Daarom kan niet worden aangenomen dat appellant voor de AOW tijdvakken van verzekering heeft vervuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 1040 AOW

Datum uitspraak: 14 juli 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2021, 20/378 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2022. Namens appellant is mr. Willering verschenen, vergezeld door [naam] , schoondochter van appellant.
De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, die in Marokko woont, heeft in 2017 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Daarbij heeft appellant te kennen gegeven dat hij in 1952 is geboren en van 1966 tot 1973 in Nederland te hebben gewoond en gewerkt.

1.2.

Bij besluit van 8 januari 2019 heeft de Svb geweigerd om aan appellant een AOWouderdomspensioen toe te kennen op de grond dat niet gebleken is dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW. Het bezwaar van appellant hiertegen is bij besluit van 17 december 2019 (bestreden besluit) door de Svb ongegrond geacht. Daartoe is overwogen dat niet aannemelijk geworden is dat appellant, zoals hij stelt, dezelfde persoon is als [naam] , geboren in 1943, die eind jaren 60 en begin jaren 70 van de vorige eeuw in Nederland heeft gewoond en gewerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat – kort gezegd – de Svb toereikend onderzoek heeft verricht en dat noch in bezwaar, noch in beroep aannemelijk geworden is dat appellant dezelfde persoon is als [naam] .

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij eind jaren 60 en begin jaren 70 van de vorige eeuw in Nederland heeft gewoond en gewerkt onder de naam [naam] en dat hij daarom recht heeft op een ouderdomspensioen op grond van de AOW. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellant verwezen naar de verklaringen en stukken die tijdens de rechtbankprocedure en daarvoor door hem zijn overgelegd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De Raad onderschrijft wat de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak en maakt deze overwegingen tot de zijne. Appellant heeft met de door hem overgelegde verklaringen en stukken niet aangetoond dat hij en [naam] , die onbetwist eind jaren 60 en begin jaren 70 van de vorige eeuw in Nederland heeft gewoond en gewerkt, werkelijk dezelfde persoon zijn. Daarom kan niet worden aangenomen dat appellant voor de AOW tijdvakken van verzekering heeft vervuld.

4.2.

Uit punt 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen als voorzitter en M. Wolfrat en M.L. Noort als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2022.

(getekend) A. van Gijzen

(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.