Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:16

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2022
Datum publicatie
06-01-2022
Zaaknummer
21/3556 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2021:7625, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 4 januari 2022

21/3556 PW, 21/3557 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

4 augustus 2021, 21/2011 en 21/2080 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.

Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De aangevallen uitspraak is op 4 augustus 2021 in afschrift aan partijen toegezonden. Uit nader bij de rechtbank ingewonnen informatie blijkt dat de gemachtigde van appellante op 5 augustus 2021 heeft getekend voor de ontvangst van het aangetekend verzonden poststuk met de aangevallen uitspraak.

Het hoger beroepschrift is op 27 september 2021 ter griffie van de rechtbank Den Haag ingekomen. De rechtbank heeft het hoger beroepschrift overeenkomstig artikel 6:15 van de Awb op 28 september 2021 doorgezonden aan de Raad.

Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.

Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Bij brief van 20 oktober 2021 is aan de gemachtigde van appellante gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding en is verzocht om binnen vier weken te reageren.

Bij brief van 17 november 2021 heeft de gemachtigde van appellante daarop samengevat geantwoord dat hij het hoger beroepschrift op de laatste dag van de hoger beroepstermijn, op 15 september 2021, in een brievenbus van PostNL heeft gedeponeerd. Per abuis zat het hoger beroepschrift achter een brief in een aan de rechtbank Den Haag gerichte retourenvelop, zodat het hoger beroepschrift onbedoeld bij de rechtbank Den Haag terecht is gekomen. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat het hoger beroepschrift op tijd ter post is bezorgd, heeft de gemachtigde van appellante bij de griffie van de rechtbank Den Haag een afschrift van de retourenvelop opgevraagd. Uit de op de envelop door PostNL geplaatste stempels en QR-code valt volgens de gemachtigde van appellante af te leiden dat de brief zich in ieder geval op 17 september 2021 bij PostNL bevond en dat de retourenvelop afhandeling technisch mogelijk een andere – afwijkende – route heeft afgelegd dan de normale.

Wat gemachtigde van appellante heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. De gemachtigde van appellante heeft met de overgelegde retourenvelop niet aannemelijk gemaakt dat hij het hoger beroepschrift op de laatste dag van de hoger beroepstermijn ter post heeft bezorgd. De enkele omstandigheid dat uit de op de retourenvelop geplaatste stempel “FRANKERING GECONTROLEERD R03.210917.625166” valt af te leiden dat die envelop zich op 17 september 2021 bij PostNL bevond en dat op de envelop een stempel “RETOUR” is geplaatst, is daarvoor onvoldoende. Uit de stempel ‘RETOUR’ niet kan worden afgeleid dat deze retourenvelop een andere route heeft afgelegd. Daarbij komt dat de gemachtigde van appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het op 27 september 2021 bij de rechtbank Den Haag ontvangen hoger beroepschrift zich in de retourenvelop met de op 17 september 2021 geplaatste stempel over de frankering bevond.

Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2022.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) P.A.M. Hulsdouw

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.