Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2022
Datum publicatie
19-07-2022
Zaaknummer
21/335 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WW-uitkering. Er is sprake van verblijf buiten Nederland anders dan wegens vakantie. Appellante was tijdelijk woonachtig in Zuid-Afrika in verband met stage van partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 335 WW

Datum uitspraak: 14 juli 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2020, 20/3130 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.J.W.M. Elshof, werkzaam bij Elshof Juridisch Advies, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2022. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft op 25 oktober 2019 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) in verband met het eindigen van haar werkzaamheden per 31 oktober 2019.

1.2.

Op 27 oktober 2019 is appellante met haar gezin naar Zuid-Afrika vertrokken. Appellante heeft hiervan op 4 november 2019 melding gedaan bij het Uwv.

1.3.

Bij besluit van 6 november 2019 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 4 november 2019 geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat zij op dat moment woonachtig was in [plaats].

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 12 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante vanaf 27 oktober 2019 buiten Nederland verblijf hield anders dan wegens vakantie, zodat het recht op WW-uitkering niet is ontstaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – voor zover in hoger beroep nog van belang – het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat om te beoordelen of de uitsluitingsgrond ‘wonen of verblijf anders dan wegens vakantie’ op appellante van toepassing is, de feitelijke omstandigheden van het geval beslissend zijn. Gebleken is dat het vanaf het begin de bedoeling van appellante is geweest om een langere periode in Zuid-Afrika te verblijven, te weten de periode van november 2019 tot maart 2020. Dit verblijf hield hoofdzakelijk verband met de stage aldaar van de partner van appellante. Vaststaat dat appellante is vertrokken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag. Het standpunt van appellante dat sprake is van een (voortgezette) vakantie, slaagt niet. Hoewel appellante zelf niet heeft gewerkt of stage heeft gelopen in ZuidAfrika betekent dit niet dat sprake is geweest van verblijf wegens vakantie. Dit geldt eveneens voor de door appellante gestelde omstandigheid dat zij met haar gezin voorafgaand en na afloop van de stage van haar partner vakantie heeft genoten in Zuid-Afrika. Gelet op de lange duur van haar verblijf in Zuid-Afrika en de omstandigheid dat het verblijf aldaar hoofdzakelijk verband hield met de stage van haar partner, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van verblijf buiten Nederland anders dan wegens vakantie. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de Vakantieregeling WW en IOW niet op de situatie van appellante van toepassing is, aangezien er alleen recht op een WW-uitkering tijdens vakantie kan bestaan als dat recht bij aanvang van de vakantie aanwezig was.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij niet woonachtig was in het buitenland, maar dat zij daar vakantie genoot. Het oordeel van de rechtbank dat er van vakantie genieten geen sprake kan zijn, omdat haar partner het grootste deel van het verblijf in Zuid-Afrika stage liep, vindt appellante onjuist. Volgens appellante heeft zij de gehele periode dat zij in Zuid-Afrika verbleef vakantie genoten, zoals bedoeld in de Vakantieregeling WW en IOW, dan wel tenminste tot het moment van aanvang van de stage van haar partner op 11 november 2019. Zij heeft haar verblijf in Zuid-Afrika in de e-mailcommunicatie met het Uwv weliswaar aangeduid als wonen, maar gelet op de feitelijke omstandigheden was sprake van vakantie.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de van toepassing zijnde wetgeving wordt verwezen naar rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.3 van de aangevallen uitspraak. Daarnaast zijn de volgende bepalingen van belang.

In artikel 19, eerste lid, aanhef en onder k, van de WW heeft geen recht op uitkering de werknemer die vakantie geniet buiten de bij ministeriële regeling vast te stellen periode, bedoeld in het negende lid, onderdeel b.

Op grond van artikel 19, negende lid, van de WW kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld:
a. met betrekking tot het begrip vakantie genieten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k;
b. met betrekking tot de vaststelling van de periode gedurende welke de werknemer met behoud van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten.

In artikel 1 van de Vakantieregeling WW en IOW is, voor zover hier van belang, bepaald dat van het genieten van vakantie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef, onderdeel k, van de WW sprake is gedurende de periode dat een werknemer:

  1. verklaart vakantie te genieten;

  2. niet verklaart vakantie te genieten, maar daarvan, gelet op de feitelijke omstandigheden kennelijk sprake is.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de periode van 27 oktober 2019 tot en met 4 maart 2020 in Zuid-Afrika verbleef. Partijen verschillen van mening over de vraag of appellante in het buitenland verbleef in verband met vakantie dan wel om andere redenen. Aangezien appellante de aanvraag om een WW-uitkering heeft gedaan, rust op haar de verplichting aannemelijk te maken dat zij in het buitenland verbleef wegens vakantie.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover wordt onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

Appellante heeft in haar contacten met het Uwv steeds te kennen gegeven dat zij (tijdelijk) in Zuid-Afrika zou gaan wonen. Het eerste contact met het KCC dateert van 2 juli 2019. In de telefoonnotitie van dit gesprek in de KCC-contacthistorie is als onderwerp van het gesprek vermeld het vertrek van appellante naar het buitenland om een andere reden dan vakantie en de vraag welke informatie appellante zou moeten doorgegeven aan het Uwv. Een volgend gesprek heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2019. In dit gesprek heeft appellante toegelicht dat haar arbeidsovereenkomst niet is verlengd en dat zij en haar partner hebben besloten een aantal maanden voor het werk van haar partner in [plaats] te gaan wonen. Dit betrof volgens appellante de periode van november 2019 tot 4 maart 2020. Aan de stelling van appellante die zij heeft betrokken na het besluit van 6 november 2019, dat zij tijdens de genoemde periode in Zuid-Afrika verbleef wegens vakantie, wordt geen betekenis gehecht, enerzijds gezien haar eerdere mededelingen over dat verblijf (vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY0143) en anderzijds gelet op ontbreken van een onderbouwing voor die stelling. Daarbij komt dat appellante ook ter zitting in hoger beroep heeft toegelicht dat het hoofddoel voor het verblijf in Zuid-Afrika de stage van haar partner was.

4.5.

Nu appellante vanaf 27 oktober 2019 buiten Nederland woonde, is op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW geen recht op een WW-uitkering ontstaan. Het Uwv heeft appellante daarom terecht niet in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Schoneveld en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2022.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) L.R. Kokhuis