Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2022
Datum publicatie
19-07-2022
Zaaknummer
20/3787 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening uitspraak van de Raad. De door verzoeker genoemde tussenuitspraak van de Raad ziet op het verzoek van X om kwijtschelding van haar restschuld ontstaan uit de medeterugvordering van de kosten van bijstand op grond van artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand. Anders dan verzoeker heeft aangevoerd, volgt uit die tussenuitspraak niet dat het college in 2010 ten onrechte heeft geconcludeerd dat verzoeker de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De inhoud van deze tussenuitspraak werpt dan ook geen nieuw licht op de in de uitspraak van de Raad van 18 februari 2014 verworpen stelling van verzoeker dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding met X en van schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 3787 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 februari 2014, 12/1036 WWB en 12/1081 WWB

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 4 juli 2022

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft op 26 september 2020 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:454.

De Raad heeft verzoeker vragen gesteld. Verzoeker heeft daarop gereageerd en een nader stuk ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 mei 2022. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 29 juli 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 januari 2011, heeft het college, voor zover hier van belang, de bijstand van verzoeker met ingang van 15 november 2004 ingetrokken en de over de periode van 15 november 2004 tot en met 31 juli 2010 gemaakte kosten van bijstand van verzoeker teruggevorderd, op de grond dat verzoeker met X een gezamenlijke huishouding voerde en verzoeker hiervan in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt bij het college.

1.2.

Bij uitspraak van 6 januari 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:33 heeft de rechtbank Utrecht, voor zover hier van belang, het beroep van verzoeker tegen het besluit van 11 januari 2011 ongegrond verklaard.

1.3.

Bij de uitspraak van 18 februari 2014 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 6 januari 2012 bevestigd.

1.4.

Bij uitspraak van 24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1253 heeft de Raad een op 6 november 2017 ingediend verzoek om herziening van die uitspraak afgewezen.

2. Verzoeker heeft op 26 september 2020 opnieuw van die uitspraak herziening gevraagd.

Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het college bedrog en valsheid in geschrifte heeft gepleegd door een op 20 april 2010 opgemaakt proces-verbaal te gebruiken. Verzoeker heeft daartoe – kort samengevat – naar voren gebracht dat het college destijds in 2010 op oneigenlijke gronden onderzoek heeft gedaan naar een gezamenlijke huishouding tussen hem en X. De werkelijke reden voor de inval in de woning op het adres van hem en X op 29 juli 2020 was volgens verzoeker een valse melding over het bezit van drugs, vuurwapens en illegaal geld. Daarnaast heeft verzoeker verwezen naar een tussenuitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1147 (tussenuitspraak), waarin, voor zover van belang, in een procedure van X door de Raad is geoordeeld dat het college bij de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding er ten onrechte vanuit is gegaan dat de vordering op X berust op schending van de inlichtingenverplichting. Volgens verzoeker heeft het college ook ten aanzien van hem de motiveringsplicht geschonden.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Verzoeker heeft zijn gronden over de rechtmatigheid van de inval in zijn woning op 29 juli 2010 in de oorspronkelijke procedure naar voren kunnen brengen. Hij heeft dat, zoals in het door hem overgelegde proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank staat vermeld, ook gedaan. Vervolgens heeft de rechtbank bij de uitspraak van 6 januari 2012 (rechtsoverwegingen 2.13 en 2.14) ook geoordeeld over de gestelde onrechtmatigheid van de huiszoeking. Deze uitspraak is bevestigd bij de uitspraak waarvan verzoeker herziening heeft gevraagd. Het rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om een hernieuwde discussie over de zaak te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen. Vergelijk de uitspraken van 10 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:77 en 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516. Met zijn uitvoerig gemotiveerde herzieningsverzoek beoogt verzoeker dat wel, opnieuw, te doen.

3.3.

De door verzoeker genoemde tussenuitspraak van de Raad ziet op het verzoek van X om kwijtschelding van haar restschuld ontstaan uit de medeterugvordering van de kosten van bijstand op grond van artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand. De Raad heeft in dat kader geoordeeld dat de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van de restschuld van X niet berust op een deugdelijke motivering, omdat X in de terugvorderingsperiode geen bijstand ontving en daarom geen inlichtingenverplichting had. Anders dan verzoeker heeft aangevoerd, volgt uit die tussenuitspraak niet dat het college in 2010 ten onrechte heeft geconcludeerd dat verzoeker de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De inhoud van deze tussenuitspraak werpt dan ook geen nieuw licht op de in de uitspraak van 18 februari 2014 verworpen stelling van verzoeker dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding met X en van schending van de inlichtingenverplichting.

3.4.

Uit 3.1 tot en met 3.3 vloeit voort dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2022.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) Y. Al-Qaq