Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1566

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2022
Datum publicatie
19-07-2022
Zaaknummer
20/2855 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. De geduide functies vallen binnen de belastbaarheid van appellante zoals vastgelegd in de FML, zodat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2855 WIA

Datum uitspraak: 13 juli 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 juli 2020, 19/3049 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Kahraman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben daarna nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2022. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kahraman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. Deze zaak is gevoegd behandeld met de zaak met zaaknummer 20/2851 ZW tussen appellante en het Uwv. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt er in elke zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was, voordat zij ziek werd, werkzaam als verzorgende C voor gemiddeld 18,72 uur per week. Op 15 oktober 2015 heeft appellante zich ziekgemeld met diverse klachten. Tegen het einde van de wachttijd van 104 weken heeft appellante een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Bij besluit van 13 september 2017 heeft het Uwv de behandeling van die aanvraag uitgesteld omdat het Uwv vond dat de voormalig werkgever van appellante niet alle re-integratieverplichtingen was nagekomen. Het Uwv heeft in een afzonderlijk besluit van 13 september 2017 aan de voormalig werkgever van appellante een loondoorbetalingsverplichting opgelegd tot 11 oktober 2018.

1.2.

Appellante heeft vervolgens op 21 september 2018 het spreekuur verzocht van een verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante verminderde benutbare mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte of gebrek. De belastbaarheid van appellante heeft de verzekeringsarts vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 november 2018. Appellante is volgens de verzekeringsarts aangewezen op werkzaamheden die aansluiten bij de belastbaarheid zoals vastgelegd in deze FML. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens de arbeidsmogelijkheden van appellante beoordeeld. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar werk als verzorgende C. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens de mogelijkheden van appellante in andere gangbare arbeid onderzocht. Hij heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 31,36%. Bij besluit van 29 november 2018 heeft het Uwv geweigerd om met ingang van 11 oktober 2018 aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 mei 2019 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 mei 2019 ten grondslag. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek waarop het Uwv het bestreden besluit heeft gebaseerd zorgvuldig verricht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat alle door appellante naar voren gebrachte klachten op een deugdelijke en kenbare manier zijn besproken bij de medische beoordeling, dat appellante door de primaire verzekeringsarts gezien is op het spreekuur en hij haar medisch heeft onderzocht, dat er medische informatie is opgevraagd bij de huisarts van appellante en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante tijdens de hoorzitting heeft gezien. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de uitkomst van het onderzoek naar de fysieke klachten van appellante onjuist te vinden, omdat alle door appellante genoemde klachten bij de beoordeling zijn betrokken. Verder heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd waarom er bij appellante op de datum in geding, 11 oktober 2018, sprake is van beperkingen zoals opgenomen in de FML van 8 mei 2019. De rechtbank ziet in wat appellante in beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, omdat de rechtbank niet gebleken is dat de klachten van appellante zijn onderschat. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de geduide functies binnen de belastbaarheid van appellante vallen zoals vastgelegd in de FML, zodat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in stand kan blijven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante primair aangevoerd dat zij in verband met de aard en ernst van haar psychische en lichamelijke klachten geen benutbare mogelijkheden heeft om arbeid te verrichten. Voor zover de Raad appellante niet volgt in deze stelling stelt appellante dat haar psychische en lichamelijke klachten zijn onderschat en dat zij ernstiger beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd aangenomen. Ten aanzien van de psychische klachten heeft appellante gewezen op een brief van haar psycholoog waarin deze aangeeft dat er sprake lijkt te zijn van een laag risico op suïcide en een hoog risico op ernstige conflicten en/of geweldsincidenten. Ten aanzien van haar fysieke klachten heeft appellante erop gewezen dat zij al geruime tijd kampt met een chronische ontsteking bij haar arm/schouder, dat zij kampt met een gedraaide stuit en dat haar bekkenbodemspieren zwak zijn hetgeen een grote invloed heeft op haar ademhaling. Volgens appellante is met deze informatie onvoldoende rekening gehouden bij het vaststellen van haar belastbaarheid.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In deze zaak gaat het om de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 11 oktober 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en daarmee terecht heeft geweigerd om aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen. Ter zitting is besproken dat, in geval de klachten en beperkingen van appellante als gevolg van de zelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar zijn toegenomen, zij zich toegenomen arbeidsongeschikt kan melden zodat het Uwv de actuele medische situatie van appellante kan beoordelen.

4.2.

De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat zij niet beschikt over benutbare mogelijkheden en dat zij zodoende niet in staat is om enige vorm van arbeid te verrichten. Van een situatie waarin er geen benutbare mogelijkheden zijn tot het verrichten van arbeid is op grond van artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) slechts sprake wanneer iemand is opgenomen in een ziekenhuis of een instelling, wanneer iemand bedlegerig is, wanneer iemand voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat hij lichamelijk niet zelfredzaam is, of wanneer iemand als gevolg van een ernstige psychische stoornis in zijn zelfverzorging in zijn directe samenlevingsverband en in zijn sociale contacten niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is. Uit de beschikbare informatie, waaronder het dagverhaal van appellante, blijkt niet dat de situatie van appellante voldoet aan één van deze voorwaarden. Het Schattingsbesluit biedt geen ruimte om, anders dan in de daarin genoemde gevallen, aan te nemen dat er sprake is van een situatie waarin er geen benutbare mogelijkheden zijn tot het verrichten van arbeid.

4.3.

Voor het overige zijn de gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

Appellante heeft verwezen naar een brief van haar psycholoog ter onderbouwing van haar stelling dat haar psychische klachten zijn onderschat en dat deze klachten onvoldoende zijn meegenomen in de medische beoordeling. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 mei 2019 blijkt dat de brief waar appellante naar verwijst door de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken is in zijn beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van deze brief beperkingen toegevoegd ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante. De informatie van de psycholoog geeft geen aanleiding verdergaande beperkingen aan te nemen. Ten aanzien van de fysieke klachten van appellante ziet de Raad in wat appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de fysieke beperkingen van appellante zijn onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uitgelegd dat er voor appellante diverse beperkingen zijn aangenomen in verband met haar fysieke klachten en dat de slijmbeursontsteking van appellante bij haar arm en schouder er niet toe leidt dat er andere of ernstigere beperkingen aangenomen hadden moeten worden. In de door appellante overgelegde informatie van de behandelaars ziet de Raad geen aanknopingspunten om de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit gemotiveerde standpunt niet te volgen. Het feit dat appellante haar klachten heviger beleeft leidt niet tot een ander oordeel. Bij de beoordeling van de belastbaarheid in het kader van de Wet WIA gaat het niet om de klachten die iemand zelf ervaart maar om de objectiveerbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek.

4.5.

De rechtbank wordt verder gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2022.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) L. Winters