Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2022
Datum publicatie
14-07-2022
Zaaknummer
21/3718 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd WIA-uitkering toe te kennen. Laattijdige aanvraag. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 3718 WIA

Datum uitspraak: 4 juli 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 september 2021, 20/2931 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld en een stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster voor gemiddeld 12,5 uur per week. Op 1 juni 2004 heeft appellante zich ziek gemeld na twee epileptische insulten als gevolg waarvan een schouderluxatie is ontstaan. Haar dienstverband is beëindigd per 1 mei 2005. Bij besluiten van 27 juni 2006 en 28 juni 2006 heeft het Uwv de aan appellante toegekende ZW-uitkering per 30 mei 2006 beëindigd in verband met de bereikte maximumduur van 104 weken.

1.2.

Op 21 februari 2020 heeft appellante een aanvraag gedaan op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in verband met de op 1 juni 2004 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Een verzekeringsarts heeft, op basis van dossieronderzoek en ontvangen informatie van de behandelend sector, vastgesteld dat appellante per 29 mei 2006 belastbaar is met inachtneming van de in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 april 2020 neergelegde beperkingen. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. De arbeidskundige heeft vervolgens vier functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 mei 2006 berekend op 0%. Bij besluit van 1 mei 2020 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 30 mei 2006 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 17 september 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft het Uwv (aanvullend) gesteld dat ook geen sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 2 september 2020 van een arts bezwaar en beroep, een aangescherpte FML van 3 september 2020 en een rapport van 16 september 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft appellante, gelet op de interne memo van 21 maart 2007 van het Uwv, niet gevolgd in de stelling dat zij niet in staat is gesteld een WIA-aanvraag in te dienen na de wachttijd. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat het Uwv niet op de rapporten van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft mogen afgaan. Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank heeft ook geen gronden gezien voor het oordeel dat het Uwv niet op het rapport van de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) heeft mogen afgaan.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat het Uwv in 2006 niet het initiatief heeft genomen om haar in staat te stellen een WIA-aanvraag te doen, als gevolg waarvan het bewijsrisico van de late aanvraag bij het Uwv is komen te liggen. Zij heeft verder herhaald dat het Uwv, gelet op de informatie van de behandelend sector, in de FML van 3 september 2020 meer beperkingen had moeten opnemen. In dat kader heeft appellante gewezen op de aanwezige angstigheid, nervositeit, die mogelijk beperkingen zouden kunnen hebben in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, en op de gevolgen van slaaptekorten, die een urenbeperking zouden moeten opleveren. Appellante heeft ook, onder verwijzing naar in hoger beroep ingebrachte informatie van 2 oktober 2014 van de neuroloog, gesteld dat zij in 2004 een herseninfarct heeft doorgemaakt waardoor klachten en beperkingen – zoals ten aanzien van concentratie en geheugen – verklaard kunnen worden. Ter zitting heeft appellante nog gesteld dat in de FML beperkingen opgenomen hadden moeten worden om te voorkomen dat epileptische insulten zich voordoen (zoals werk zonder stress alsmede beperkingen wat betreft licht en geluid).

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

Ingevolge artikel 64, tweede lid, van de Wet WIA, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, stelt het UWV de verzekerde van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis uiterlijk 20 maanden na aanvang van de wachttijd.

4.3.

In geschil is – zoals appellante ter zitting van de Raad heeft bevestigd – uitsluitend de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 30 mei 2006 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.

4.4.

Appellante heeft haar WIA-aanvraag laat ingediend, namelijk bijna veertien jaar na
30 mei 2006. Daarmee is sprake van een zogenoemde laattijdige aanvraag. Volgens vaste rechtspraak moet, als daarvan sprake is, de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, voor risico blijven van de degene die (alsnog) de late aanvraag doet.1 Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat het bewijsrisico (toch) bij het Uwv ligt omdat het Uwv niet heeft voldaan aan de in artikel 64, tweede lid, van de Wet WIA genoemde verplichting. In dat kader is van belang de, door het Uwv in de bezwaarfase aan appellante opgestuurde, interne memo van 21 maart 2007. In deze memo is vermeld dat er geen WIA-traject loopt, en dat een aanvraagformulier is verstuurd maar dat geen aanvraag is binnengekomen. Mede gelet op het tijdsverloop sinds 2006 is het feit dat appellante pas ter zitting van de Raad expliciet en niet onderbouwd heeft ontkend dat zij het aanvraagformulier heeft ontvangen onvoldoende om er van uit te gaan dat het Uwv niet heeft voldaan aan de in artikel 64, tweede lid, van de Wet WIA genoemde verplichting, nog daargelaten wat de gevolgen daarvan zouden zijn voor deze zaak.

4.5.

Het medisch onderzoek heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en heeft de vele informatie van de behandelend sector over de periode 2004 tot en met 2019 (waaronder informatie van 12 april 2006 en 17 oktober 2006 van neuroloog J.W. Snoek) bij de beoordeling betrokken. Vervolgens heeft de arts bezwaar en beroep een dossieronderzoek gedaan en tijdens het spreekuur observaties verricht. De artsen van het Uwv hebben op inzichtelijke wijze gemotiveerd hoe zij tot hun standpunt zijn gekomen.

4.6.1.

De verzekeringsarts heeft in het rapport van 20 april 2020, op basis van de voor de datum in geding van 30 mei 2006 relevante informatie van 12 april 2006 en 17 oktober 2006 van de neuroloog, vastgesteld dat appellante vanaf juni/juli 2005 (en rond de datum in geding) volledig aanvalsvrij was. De verzekeringsarts heeft zich op het standpunt gesteld dat de, deels ook in de FML van 5 december 2005 opgenomen, beperkingen wat betreft verhoogd persoonlijk risico nog actueel zijn en heeft deze beperkingen neergelegd in de FML van 20 april 2020 per 29 mei 2006. De arts bezwaar en beroep heeft in het rapport van
2 september 2020 overwogen dat uit de medische informatie naar voren komt dat er geen sprake is van onderliggende neurologische afwijkingen die een verklaring geven voor de epilepsie, zodat er ook geen aanleiding is om te veronderstellen dat dit leidt tot beperkingen in het dagelijks functioneren van appellante. Volgens de arts bezwaar en beroep heeft de verzekeringsarts terecht aangenomen dat rekening moet worden gehouden met het kunnen optreden van een epileptische aanval, waarmee de in de FML gestelde beperkingen in lijn zijn. De arts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat uitlokkende factoren voor een aanval niet duidelijk zijn aan te geven. Omdat de neuroloog in de brief van 14 oktober 2005 te kennen heeft gegeven dat de aanvallen soms wel en soms niet geluxeerd worden door slaaptekort heeft de arts bezwaar en beroep in de FML van 3 september 2020 aanvullend beperkingen opgenomen voor werken in de avond en in de nacht. In het rapport van
25 februari 2021 heeft de arts bezwaar en beroep naar aanleiding van de gronden in beroep nader toegelicht dat er geen aanleiding is meer beperkingen in de FML van 3 september 2020 op te nemen, nu geen sprake was van een actief ziekteproces in verband met de ziekte van Crohn op de datum in geding en evenmin sprake was van een chronisch slaaptekort. De bij appellante ten tijde in geding aanwezig zijnde stresserende omstandigheden zijn geen reden om beperkingen aan te nemen omdat er geen ziekte of gebrek aan ten grondslag lag. Het Uwv heeft met de rapporten van 20 april 2020 van de verzekeringsarts en van 2 september 2020 en 25 februari 2021 van de arts bezwaar en beroep deugdelijk gemotiveerd dat in de FML van
3 september 2020 (per 29 mei 2006) voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante.

4.6.2.

Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische stukken ingediend die reden geven tot twijfel aan de juistheid van de medische conclusies van de (verzekerings)artsen van het Uwv. Het Uwv heeft ter zitting terecht opgemerkt dat de door appellante in hoger beroep ingebrachte informatie van 2 oktober 2014 van de neuroloog, waaruit blijkt dat er sprake is van een klein oud infarctje van de linker cerebellaire hemisfeer, bekend was bij de (verzekerings)artsen en is betrokken bij de beoordeling. De informatie zelf geeft geen reden tot twijfel aan de in de FML van 3 september 2020 per 29 mei 2006 opgenomen beperkingen, nu appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit infarctje zou hebben plaatsgevonden in 2004 (althans voor 30 mei 2006) en dat als gevolg daarvan per 30 mei 2006 concentratieproblemen zouden hebben bestaan. Het ter zitting van de Raad ingenomen standpunt dat in de FML van 3 september 2020 meer beperkingen hadden moeten worden opgenomen om epileptische insulten te voorkomen slaagt niet. Volstaan wordt met een verwijzing naar de, inzichtelijk onderbouwde, conclusie van de arts bezwaar en beroep in het rapport van 2 september 2020 dat uitlokkende factoren niet duidelijk zijn aan te geven. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de arts bezwaar en beroep het, op basis van informatie van 14 oktober 2005 van de neuroloog dat de aanvallen soms wel en soms niet geluxeerd worden door slaaptekort, wel aannemelijk heeft geacht dat appellante beperkt was voor werken in de avond- en nachtelijke uren en deze beperkingen heeft toegevoegd aan de FML.

4.7.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2022.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) E.X.R. Yi

1 Zie bv. ECLI:NL:CRVB:2015:1963.