Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2022
Datum publicatie
25-01-2022
Zaaknummer
21/1754 NOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft geweigerd appellant een tegemoetkoming op grond van de NOW-1 en NOW-2 (NOW) te verstrekken, omdat er geen sprake is van een werknemer in de zin van de NOW wordt volledig onderschreven. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. De NOW is uitsluitend bedoeld om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten van werknemers. Uit de polisadministratie volgt dat de dochter van appellant niet verzekerd is voor de sociale verzekeringen, het door appellant opgegeven SV-loon op € 0,00 staat en in de loonaangiften van appellant geen premies zijn afgedragen. Terecht is vastgesteld dat dit betekent dat de dochter van appellant geen werknemer is in de zin van de socialezekerheidswetten en er geen sprake is van gemaakte loonkosten in de zin van de NOW. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat aldus een te beperkte uitleg aan de NOW-regeling wordt gegeven. Anders dan appellant heeft betoogd is de vraag of sprake is van een fictieve dienstbetrekking in dit geval niet relevant. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-1-2022
FutD 2022-0383
ABkort 2022/63
NJB 2022/368
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 1754 NOW, 21/1755 NOW

Datum uitspraak: 13 januari 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 april 2021, 20/3522 en 20/6190 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de minister heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2021. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele, medewerker van het Uwv.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is directeur van een advocatenkantoor. Op 20 april 2020 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1) voor de periode van april tot en met mei 2020 voor zijn dochter [naam dochter], die sinds 2008 bij hem in dienst is. Bij besluit van 24 april 2020 heeft de minister deze aanvraag afgewezen, omdat appellant geen loonkosten heeft gehad in de maanden januari 2020 of november 2019. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij beslissing op bezwaar van 29 mei 2020 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

1.2.

Op 26 augustus 2020 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-2) voor de periode van juni tot en met september 2020 voor

zijn dochter. Bij besluit van 2 september 2020 heeft de minister ook deze aanvraag afgewezen, omdat appellant geen loonkosten heeft gehad in de maand maart 2020. Appellant heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 20 oktober 2020 (bestreden besluit 2) heeft de minister dit bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de dochter van appellant in haar hoedanigheid van familie van de DGA niet aan te merken is als werknemer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de NOW. Uit de door appellant overgelegde loonaangifte over januari 2020 blijkt dat over haar loon geen premies worden afgedragen voor werknemersverzekeringen. Op het loonaangifteformulier is ingevuld dat zij niet verzekerd is voor 1 of meer werknemersverzekeringen. Het loon voor de werknemersverzekeringen bedraagt volgens de loonaangifte ook € 0,-. Dat de dochter niet is aan te merken als werknemer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de NOW heeft tot gevolg dat appellant geen recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de NOW. De omstandigheid dat sprake zou zijn van een fictieve dienstbetrekking doet hieraan niet af, nu daarmee niet gegeven is dat sprake is van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. Dat appellant loonbelasting betaalt over de loonkosten van de dochter is voor de definitie van werknemer in de NOW niet van belang. De rechtbank volgt appellant niet in zijn betoog dat de regeling bedoeld is voor buitengewone omstandigheden en dat om die reden de omstandigheden niet kunnen zijn beperkt tot de werknemersverzekeringen. De in artikel 3 van de NOW genoemde buitengewone omstandigheden hebben, zoals namens de minister ter zitting terecht gesteld, betrekking op (de maatregelen in verband met de bestrijding van) het coronavirus. Verder is de NOW uitdrukkelijk bedoeld om werkgelegenheid te behouden en is in verband daarmee ervoor gekozen de tegemoetkoming te verbinden aan de voorwaarde van verplicht verzekerde werknemers. Het Uwv heeft dan ook terecht geweigerd appellant een tegemoetkoming te verstrekken, nu er geen sprake is van een werknemer als bedoeld in de NOW.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de NOW het loonbegrip ingevolge de Wet op de Loonbelasting 1964 volgt. Dat de NOW alleen betrekking zou hebben op werknemersverzekeringen en geen uitzonderingen toelaatbaar zijn is volgens appellant niet juist aangezien de wetgever niet heeft bedoeld om een categorie werknemers uit te sluiten. Volgens appellant is in dit geval sprake van een fictieve dienstbetrekking zoals vermeld in de toelichting van de NOW-regeling. Ter zitting heeft appellant benadrukt dat zijn loonadministratie voldoet aan de NOW-regeling. Appellant verzoekt daarom de aangevallen uitspraak te vernietigen en hem een tegemoetkoming ingevolgde de NOW toe te kennen.

3.2.

De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De voor dit geding relevante wettelijke bepalingen uit de NOW-1 luidden ten tijde van het besluit van 24 april 2020 en het bestreden besluit van 29 mei 2020 als volgt:

Artikel 1. Begipsbepaling
In artikel 1, eerste lid is, voor zover hier van belang, bepaald:
loon: het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft loon uit tegenwoordige dienstbetrekking;
loonsom: het loon van alle werknemers, behorende tot een loonheffingennummer;
werknemer: een werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o of p, van de Wet financiering sociale verzekeringen;

Artikel 3. Doel van de subsidie

Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval.

Artikel 4. Voorwaarden voor subsidieverlening

De Minister kan aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden in de periode van 1 maart tot en met 31 juli 2020 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020.

Artikel 10. Berekening van de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening

1. De hoogte van het bedrag van de subsidieverlening is de uitkomst van:

A* x B* x 3 x 1,3 x 0,9

Hierbij staat:

A* voor het percentage van de door de werkgever verwachte omzetdaling;

B* voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid,[…].

2. Voor de loonsom, bedoeld in de omschrijving van de constante B*, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over het eerste aangiftetijdvak van het jaar 2020, met dien verstande dat indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.

[…]

5. De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van constante B*, bedoeld in het eerste lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 maart 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.
[…].

4.2.

De voor dit geding relevante wettelijke bepalingen uit de NOW-2 luidden ten tijde van het besluit van 2 september 2020 en het bestreden besluit van 20 oktober 2020 als volgt:

Artikel 1. Begripsbepaling
In artikel 1, eerste lid is, voor zover hier van belang, bepaald:

loon: het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft loon uit tegenwoordige dienstbetrekking;
loonsom: het loon van alle werknemers, behorende tot een loonheffingennummer;
werknemer: een werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o of p, van de Wet financiering sociale verzekeringen.

Artikel 3. Doel van de subsidie
Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van vier maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, voor zover geen winst of bonussen worden uitgekeerd of eigen aandelen worden aangekocht, zodat werkgevers zoveel mogelijk werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval.

Artikel 4. Voorwaarden voor subsidieverlening
1. De Minister kan aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van vier kalendermaanden in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 november 2020 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020.

Artikel 8. Hoogte van de subsidie
1. De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:
A x B x 4 x 1,4 x 0,9
Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling;
B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid […].

2. Voor de loonsom, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van loon over het derde aangiftetijdvak van het jaar 2020, met dien verstande dat indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.
[…]
7. De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van bepaling van de letter B, bedoeld in het eerste lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 mei 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.
[…]

4.3.

De Wet financiering sociale verzekeringen bepaalt in artikel 16, eerste lid, dat voor de toepassing van Hoofdstuk 3, De financiering van de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, onder loon wordt verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.

4.4.

De Wet financiering sociale verzekeringen bepaalt in artikel 1, onderdeel o, dat onder werknemer wordt verstaan de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

4.5.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft geweigerd appellant een tegemoetkoming op grond van de NOW-1 en NOW-2 (NOW) te verstrekken, omdat er geen sprake is van een werknemer in de zin van de NOW wordt volledig onderschreven. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

4.6.

De NOW is uitsluitend bedoeld om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten van werknemers. De minister heeft in de bestreden besluiten 1 en 2 terecht vastgesteld dat voor het begrip werknemer wordt aangesloten bij het begrip werknemer in artikel 1, onderdeel o en p, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Het gaat om werknemers in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Uit de polisadministratie volgt dat de dochter van appellant niet verzekerd is voor de sociale verzekeringen, het door appellant opgegeven SV-loon op € 0,00 staat en in de loonaangiften van appellant geen premies zijn afgedragen. Terecht is vastgesteld dat dit betekent dat de dochter van appellant geen werknemer is in de zin van de socialezekerheidswetten en er geen sprake is van gemaakte loonkosten in de zin van de NOW.

4.7.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat aldus een te beperkte uitleg aan de NOW-regeling wordt gegeven. Ook uit de toelichting bij de NOW volgt dat uitdrukkelijk is bedoeld om alleen de loonsom van werknemers met sociaalverzekeringsloon in aanmerking te laten komen voor de subsidie. Met betrekking tot de loonsom is in de Nota van Toelichting bij de NOW-1 (Stcrt. 2020, 19874, p. 9 en 10) het volgende vermeld: “Het subsidiebedrag is gebaseerd op de loonsom. Vanwege de noodsituatie waarin bedrijven en instellingen zijn komen te verkeren en de gewenste snelheid waarmee de regeling wordt uitgevoerd, zal worden gewerkt met een voorschot van een subsidie over de loonsom. Bij de berekening van de bevoorschotting wordt gebruik gemaakt van de loonsom over een referentieperiode van een maand. In beginsel wordt daarvoor januari 2020 genomen. Uitgegaan wordt van het sociale verzekeringsloon uit tegenwoordige dienstbetrekkingen.

4.8.

Anders dan appellant heeft betoogd is de vraag of sprake is van een fictieve dienstbetrekking in dit geval niet relevant. Gelet op artikel 10, vijfde lid, van de NOW-1 en artikel 8, zevende lid, van de NOW-2 wordt uitgegaan van de loonaangiften zoals die op 28 februari 2020, respectievelijk 29 april 2020 zijn ingediend. Aangezien er sprake was van nul-aangiften over januari 2020 en maart 2020 zijn de aanvragen voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-1 en NOW-2 reeds om die reden terecht afgewezen.

4.9.

Uit 4.5 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Schoneveld en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2022.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.