Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2022
Datum publicatie
25-05-2022
Zaaknummer
19/2724 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Uitspraak 19/2724 ZW: Zorgvuldig medisch onderzoek. Juiste FML. Uitspraak 20/4448 ZW: De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk geconcludeerd dat op de in geding zijnde datum geen sprake is van toegenomen beperkingen en dat appellante daardoor geschikt is voor de geselecteerde functies, waaronder de functie van productiemedewerker (SBC-code 111180).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2724 ZW, 20/4448 ZW

Datum uitspraak: 23 mei 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2019, 18/6902 en 19 november 2020, 20/303 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft, deels via een videobellen, gevoegd plaatsgevonden op 6 januari 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer en een tolk,
mr. A. Kabak Tepe. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Partijen hebben nadere reacties ingediend.

Met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid en artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nadere zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als algemeen medewerkster voor 40 uren

per week bij de [naam stichting]. Op 1 november 2016 heeft zij zich

ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten, waarna aan haar met ingang van 1 maart 2017 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) is toegekend.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellante in verband met deze ziekmelding het spreekuur van 22 december 2017 van een verzekeringsarts van het Uwv bezocht. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 januari 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 84,95% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen.

1.3.

Bij besluit van 29 januari 2018 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante per 1 maart 2018 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 20 september 2018 (bestreden besluit van 20 september 2018) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 januari 2018 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 augustus 2018 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 september 2018 ten grondslag. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante weliswaar ongeschikt is voor haar eigen werk als algemeen medewerkster, maar geschikt is voor de functies samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), medewerker tuinbouw (SBC-code 111010), medewerker kleding en textielreiniging (SBC-code 111161), productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC-code 111172) en medewerker transport (SBC-code 111220).

1.5.

Aan appellante is, nadat zij zich vanuit de Werkloosheidswet (WW) op 25 juni 2018

ziek heeft gemeld, per 24 september 2018 opnieuw een ZW-uitkering toegekend. Bij besluit van 2 oktober 2018 heeft het Uwv deze ZW-uitkering per 2 oktober 2018 beëindigd. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 27 februari 2019 ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellante in staat is om ten minste één van de bij de EZWb geduide functies te vervullen, namelijk de functie van medewerker tuinbouw (SBC-code 111010). Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dat besluit. Daarmee staat het besluit van 27 februari 2019 in rechte vast.

1.6.

Appellante heeft zich vervolgens op 7 maart 2019 met ingang van 27 februari 2019 ziek gemeld vanuit de WW in verband met lichamelijke klachten (pijnklachten links in

been/schouder en rechtervoet) en toegenomen angst- en psychische klachten na een

fietsongeluk op 26 februari 2019. Bij besluit van 29 mei 2019 heeft het Uwv appellante

per 29 mei 2019 weer een ZW-uitkering toegekend.

1.7.

In verband met de ziekmelding per 27 februari 2019 is appellante uitgenodigd voor het spreekuur van 31 juli 2019 van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante per datum ziekmelding, 27 februari 2019, niet toegenomen arbeidsongeschikt geacht.

1.8.

Bij besluit van 31 juli 2019 heeft het Uwv appellante per 27 februari 2019, subsidiair per 31 juli 2019, niet toegenomen arbeidsongeschikt geacht voor ten minste de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en het recht van appellante op een
ZW-uitkering met terugwerkende kracht per 27 februari 2019 beëindigd.

1.9.

Bij beslissing op bezwaar van 2 december 2019 (bestreden besluit van 2 december 2019) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 juli 2019 gegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante per 27 februari 2019 geschikt is voor haar arbeid. De ZW-uitkering had echter niet met terugwerkende kracht mogen worden beëindigd, omdat de uitkering met het besluit van 29 mei 2019 definitief aan appellante is toegekend. De uitkering had een dag na het spreekuur van 31 juli 2019 beëindigd moeten worden, omdat toen de medische beoordeling heeft plaatsgevonden. Daarom behoudt appellante over de periode van 29 mei 2019 tot en met 31 juli 2019 recht op ZW-uitkering en wordt deze per
1 augustus 2019 beëindigd. Vanaf laatstgenoemde datum is de WW-uitkering gaan herleven. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 november 2019 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 13 mei 2019 het beroep van appellante tegen het bestreden besluit van 20 september 2018 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellante hoger beroep ingesteld (19/2724). De rechtbank heeft het volgende overwogen.

2.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het door het Uwv verrichte medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben appellante lichamelijk en psychisch onderzocht en zij hebben dossierstudie verricht. Uit de rapporten blijkt dat zij alle klachten van appellante en alle zich in het dossier bevindende medische informatie van de specialisten in hun beoordeling hebben betrokken. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat er voldoende actuele informatie van de behandelend sector voorhanden was om het oordeel op te baseren.

2.2.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat te weinig beperkingen zijn aangenomen. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen volgt immers dat de door appellante naar voren gebrachte klachten niet geheel naar objectieve beperkingen kunnen worden vertaald. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat de subjective beleving van appellante niet bepalend kan zijn voor de vraag of de ZW-uitkering terecht met ingang van 1 maart 2018 is beëindigd. De klachten van appellante zijn onderkend en gemotiveerd meegenomen in de vertaling naar het medisch oordeel. Er is daarbij niet gebleken dat onvoldoende rekening is gehouden met door appellante ingebrachte informatie vanuit de GGZ, zoals door appellante is betoogd. Voorts is gemotiveerd aangegeven dat en waarom de klachten van appellante geen aanleiding geven voor het aannemen van een urenbeperking. Gelet daarop heeft de rechtbank geen reden gezien om een deskundige te benoemen.

2.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat, uitgaande van de juistheid van de FML, appellante in staat moet worden geacht de voor haar in bezwaar geselecteerde functies te vervullen. Afdoende gemotiveerd is waarom de signaleringen bij de functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante op de in geding zijnde datum.

3. De rechtbank heeft in de uitspraak van 19 november 2020 het beroep van appellante tegen het bestreden besluit van 2 december 2019 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellante ook hoger beroep ingesteld (20/4448). De rechtbank heeft het volgende overwogen.

3.1.

De rechtbank heeft geen reden gezien om te oordelen dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd. Uit de beschikbare medische gegevens kan niet worden afgeleid dat de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld van de medische situatie van appellante per 31 juli 2019 hebben gehad of dat met de door appellante genoemde klachten onvoldoende rekening is gehouden.

3.2.

Uit het rapport van de arts blijkt duidelijk dat onderzocht is of de bestaande klachten aan de heupen, benen en rug, alsmede de angst- en psychische klachten door het fietsongeluk zijn verergerd. Na lichamelijk en psychisch onderzoek heeft de arts op 31 juli 2019 geconcludeerd dat deze klachten niet zijn verergerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens bij zijn beoordeling zowel de fysieke als de psychische klachten van appellante betrokken, en ook alle beschikbare medische informatie. Het enkele feit dat deze medische beoordeling in retrospectief gebeurde, betekent niet dat reeds daarom geen reële inschatting van de beperkingen van appellante per eerdere datum zou kunnen plaatsvinden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 22 november 2019 gemotiveerd aangegeven waarom er per 31 juli 2019 geen sprake is van toegenomen klachten bij appellante als gevolg van het fietsongeval. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd die aanleiding geeft tot twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante per 31 juli 2019 ten minste de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) kan vervullen.

3.3.

De rechtbank heeft verder overwogen dat uit eerdere rapporten van verzekeringsartsen in het kader van een eerdere ZW-beoordeling niet blijkt dat appellante eerder niet geschikt werd geacht voor de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180). Dat appellante in het kader van een eerdere ZW-beoordeling geschikt werd geacht voor ten minste de functie van tuinbouwmedewerker (SBC-code 111010) maakt niet dat de andere in het kader van de EZWb geselecteerde functies toen niet geschikt werden geacht. Volgens vaste jurisprudentie is het voldoende wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Bij die eerdere ZW-beoordeling was dat in ieder geval de functie van tuinbouwmedewerker en bij deze beoordeling ten minste de functie van productiemedewerker industrie.

4.1.

In hoger beroep heeft appellante tegen de aangevallen uitspraak van 13 mei 2019 aangevoerd dat het Uwv informatie bij de behandelaars had moeten opvragen. Appellante stelt dat er gelet op haar situatie en de informatie van de GGZ-instelling reden is om meer psychische beperkingen aan te nemen wat betreft het sociaal en persoonlijk functioneren. Door de forse klachten heeft zij problemen met het functioneren in het dagelijks leven, onder meer wat betreft het concentreren, het omgaan met anderen, de angstproblematiek en de algehele vermoeidheid, passend bij een depressie/burn-out. Om die reden had er volgens appellante een urenbeperking moeten worden aangenomen. Appellante acht zich verder meer lichamelijk beperkt bij het hand- en vingergebruik, bij frequent reiken en verder meer beperkt bij het duwen of trekken, tillen, frequent lichte voorwerpen hanteren, lopen en staan en boven schouderhoogte actief zijn. Volgens appellante maakt het feit dat de oorzaak voor de klachten (in elk geval deels) is gelegen in de belaste thuissituatie niet dat de beperkingen die zij ervaart als gevolg van haar psychische klachten (voor een deel) buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Verder wijst appellante er wat haar lichamelijke klachten betreft op dat er problemen zijn bij staan of lopen; zij is bekend met spataderen en hielspoor. Met deze klachten is onvoldoende rekening gehouden in de FML. Appellante wijst er op dat bij een beoordeling die in mei 2017 heeft plaatsgevonden zij vanwege haar beperkingen in het geheel niet belastbaar was. Die situatie ten tijde van de EZWb in januari 2018 was niet wezenlijk verbeterd ten opzichte van de situatie in mei 2017. Daarbij wijst zij erop dat haar behandelaars vanuit de GGZ hebben aangegeven dat er naar verwachting een langdurige behandeling nodig zou zijn. Appellante stelt dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft benoemd en verzoekt de Raad dit alsnog te doen. Tenslotte heeft appellante gesteld dat de haar voorgehouden functies niet geschikt zijn omdat in de FML onvoldoende beperkingen zijn opgenomen, terwijl zij ook overigens ten aanzien van alle functies, met onderbouwing, heeft gesteld dat de functies voor haar niet geschikt zijn.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak van 13 mei 2019 bepleit. Volgens het Uwv is er voldoende informatie van de behandelend sector aanwezig om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen. Het Uwv wijst erop dat appellante geen nadere informatie uit de behandelend sector heeft overgelegd die aanleiding geeft om te twijfelen aan het ingenomen standpunt. Het Uwv heeft er verder op gewezen dat ten aanzien van de psychische klachten diverse beperkingen zijn aangenomen en heeft verwezen naar eerdere rapporten waarin uitgebreid is ingegaan op de gestelde urenbeperking, de chronische pijnklachten van appellante en de medische informatie die in de hoorzitting is ingebracht. Dat appellante in mei 2017 in het geheel niet belastbaar was, was een conclusie die door het Uwv was getrokken in afwachting van informatie uit de behandelend sector. Een langdurige behandeling hoeft volgens het Uwv niet in de weg te staan aan het in kaart brengen van de beperkingen in de FML, zoals dat is gebeurd in januari 2018. Ten aanzien van de spataderen heeft het Uwv gesteld dat uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet is gebleken dat sprake is van veneuze insufficiëntie met daarbij passende klachten en beperkingen. Wat de voetklachten betreft is een normaal looppatroon gezien. Het Uwv heeft hierbij, in aanvulling op eerdere rapporten, verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 september 2019. In de FML is voldoende rekening gehouden met voetklachten ten aanzien van veel lopen tijdens werk. Ten aanzien van de arbeidskundige gronden heeft het Uwv verwezen naar rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 september 2018 en 22 februari 2019.

4.3.

In hoger beroep heeft appellante tegen de aangevallen uitspraak van 19 november 2020 aangevoerd dat zij bij de vorige ZW-beoordeling in februari 2019 alleen geschikt werd geacht voor de functie van tuinbouwmedewerker (SBC-code 111010) en daarom ten onrechte nu geschikt wordt geacht voor een andere functie, zijnde productiemedewerker industrie
(SBC-code 111180). Verder heeft appellante aangevoerd dat zij door het fietsongeval op 26 februari 2019 meer beperkingen heeft, zowel lichamelijk aan haar schouders, rug en heup als psychisch. Er moet gekeken worden naar de totaalsituatie van appellante, waarvoor zij verwijst naar de in het dossier beschikbare medische informatie. Dat er sprake is van een retrospectieve beoordeling betekent niet dat de verzekeringarts bezwaar en beroep niet hoeft te motiveren waarom er op 31 juli 2019 geen rug-, schouder- en heupbeperkingen zijn.

4.4.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak van 19 november 2020 bepleit. Daarbij verwijst het Uwv naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 maart 2021 en, na ontvangst van een brief van de Spoedeisende Hulp (SEH) van 26 februari 2019 naar aanleiding van het fietsongeval, het rapport van 23 september 2021. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft nader toegelicht dat in het rapport van 22 november 2019 (retrospectief) is geoordeeld dat appellante vanaf 27 februari 2019 doorlopend, en dus ook op 31 juli 2019, geschikt is voor de eerder geselecteerde functies. Bij de geschiktheid voor de functies gaat het om alle passende functies conform de eerdere schatting.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

19 2724 ZW

5.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als zij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en zij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar zij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet WIA, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

5.2.

In de zaak met nummer 19/2724 ZW is de datum in geding 1 maart 2018.

5.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het door het Uwv uitgevoerde onderzoek met betrekking tot die datum zorgvuldig is geweest. Zoals blijkt uit het dossier is appellante psychisch en lichamelijk onderzocht door de verzekeringsartsen van het Uwv, is daarbij kennisgenomen van de reeds bij het Uwv aanwezige medische informatie in het dossier en is de ingebrachte medische informatie kenbaar verwerkt in de beoordeling.

5.4.

Het Uwv heeft voldoende onderbouwd tot welke beperkingen de klachten van appellante hebben geleid en hoe deze zijn verwerkt in de FML. In hoger beroep is daarbij nog nader toegelicht hoe met de klachten ten aanzien van de spataderen en hielspoor in de FML rekening is gehouden. Appellante heeft geen medische informatie ingebracht die twijfel oproept bij de juistheid van de door het Uwv in de FML opgenomen beperkingen zodat het Uwv deze FML aan de schatting ten grondslag mocht leggen. Er is dan ook evenmin reden om een deskundige te benoemen.

5.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML moet appellante in staat worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. Het Uwv heeft inzichtelijk en afdoende gemotiveerd waarom de signaleringen bij de functies geen overschrijding van de belastbaarheid van appellante opleveren.

5.6.

Aangezien wordt onderschreven wat de rechtbank heeft vastgesteld en overwogen, wordt voor het overige volstaan te verwijzen naar de aangevallen uitspraak.

20 4448 ZW

5.7.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraken van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225 en
1 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1513).

5.8.

In de zaak met nummer 20/4448 ZW is de datum in geding 31 juli 2019.

5.9.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek met betrekking tot die datum niet onzorgvuldig is uitgevoerd. Uit de beschikbare medische gegevens kan niet worden afgeleid dat de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld van de medische situatie van appellante per 31 juli 2019 hebben gehad of dat met de klachten van appellante aan haar schouders, rug en heup ten gevolge van het fietsongeval in februari 2019 en met haar psychische klachten onvoldoende rekening is gehouden.

5.10.

Het Uwv heeft genoegzaam onderbouwd dat per 31 juli 2019 geen sprake is van toegenomen klachten. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de in hoger beroep overgelegde brief van de SEH nader toegelicht dat de klachten die na het fietsongeval in februari 2019 niet tot meer beperkingen hebben geleid op de in geding zijnde datum aangezien de toename van de klachten van de rechterheup tijdelijk was en myogeen van aard. Gelet op de brief van SEH van 26 februari 2019, waarin – voor zover in dit kader relevant – over de val met de fiets staat vermeld dat er pijn van de rechterheup is, met als beleid uitleg over te verwachten myogene klachten met advies proberen zoveel mogelijk normaal te bewegen, bestaat geen aanleiding de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen. Dat de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep een retrospectieve beoordeling betrof leidt niet tot een ander oordeel. Het onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vrijwel altijd een retrospectief karakter. In dit geval gaat het om een beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op
22 november 2019 van de medische situatie van appellante per 31 juli 2019. Dat is geschied op basis van eigen onderzoek, eerdere rapporten van (verzekeringsartsen) en informatie van de behandelend sector. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk geconcludeerd dat op de in geding zijnde datum geen sprake is van toegenomen beperkingen en dat appellante daardoor geschikt is voor de geselecteerde functies, waaronder de functie van productiemedewerker (SBC-code 111180).

5.11.

De beroepsgrond dat appellante per 31 juli 2019 geschikt wordt geacht voor een functie waarvoor zij bij de vorige ZW-beoordeling niet geschikt werd geacht slaagt niet. Appellante is bij de vorige ZW-beoordeling, waarin overigens geen rechtsmiddelen tegen de beslissing op bezwaar zijn ingesteld, weliswaar geschikt verklaard voor de functie van tuinbouwmedewerker (SBC-code 111010), maar dit impliceert niet dat zij daardoor ongeschikt was voor de andere geselecteerde functies, waaronder de functie van productiemedewerker (SBC-code 111180). Het oordeel van de rechtbank hierover wordt eveneens onderschreven.

5.12.

De overwegingen in 5.1 tot en met 5.11 leiden tot de conclusie dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2022.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) A.L.K. Dagmar