Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:1071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2022
Datum publicatie
19-05-2022
Zaaknummer
21/3207 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid voor de WIA terecht vastgesteld op 73,39%. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 3207 WIA

Datum uitspraak: 12 mei 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 juli 2021, 19/5583 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader rapport ingediend, waarop appellante heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2022 via beeldbellen. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vreeswijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadour.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als filiaalmanager voor 36,78 uur per week. Op 12 september 2016 heeft appellante zich ziek gemeld met lichamelijke klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 april 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 2 mei 2019 heeft het Uwv appellante met ingang van 31 december 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat zij met ingang van die datum 64,43% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 oktober 2019 (bestreden besluit) gegrond verklaard, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 31 december 2018 73,39% bedraagt. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 19 september 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 4 oktober 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn voor haar. In de functie assistente consultatiebureau wordt haar belastbaarheid overschreden op de aspecten geknield of gehurkt actief zijn, gebogen en/of getordeerd actief zijn, duwen en trekken, tillen en dragen en zitten. De functie productiemedewerker industrie is niet geschikt voor appellante, vanwege een overschrijding van haar belastbaarheid op het aspect gebogen en/of getordeerd actief zijn. Onder 4.5 en 4.6 wordt ingegaan op de door appellante in dit verband ingenomen stellingen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar de rapporten van 4 oktober 2019, 14 mei 2021 en 15 december 2021 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 8 oktober 2018 heeft vastgesteld op 73,39%.

4.3.

Appellante heeft chronische aspecifieke klachten van rug en bekken en hypothyreoïdie. Vastgesteld wordt dat de in verband met deze klachten aangenomen beperkingen, zoals vastgelegd in de FML van 17 april 2019, niet in geschil zijn.

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.5.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Appellante is sterk beperkt op duwen en trekken (kan ongeveer 5 kgf duwen of trekken, beoordelingspunt 4.13). In de functie assistent consultatiebureau is duwen en trekken geen kenmerkende belasting, maar in de toelichting van de arbeidsdeskundig analist staat dat duwen en trekken van 5-10 kgf ongeveer maandelijks voorkomt, bijvoorbeeld bij het verplaatsen van tafels en opruimen van het magazijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de kans dat dit elke week moet worden gedaan, niet groot is. Als dit wel voorkomt, is het mogelijk om hulp te vragen aan de arts of verpleegkundige waarmee wordt samengewerkt. Anders dan appellante in hoger beroep heeft gesteld, wordt niet van deze arts of verpleegkundige gevraagd dat die deze taak overneemt. De medewerker kan verder bij het opruimen van het magazijn een dossierwagentje gebruiken en hierop minder producten plaatsen en meerdere keren lopen, om de belastbaarheid niet te overschrijden. Van de medewerker mag dit worden gevraagd, omdat daarmee het adequaat vervullen van de functie niet wordt belemmerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in hoger beroep aanvullend toegelicht dat, als het duwen/trekken door de werknemer toch te zwaar ervaren wordt, een werkvoorziening in de vorm van een elektrische duw/trekhulp uitkomst kan bieden, waarvoor diverse uitvoeringen te koop zijn. Van een werkgever mag in redelijkheid worden gevergd dat deze een dergelijke relatief eenvoudig te treffen voorziening voor zijn werknemer aanschaft. Er is geen twijfel aan de juistheid van deze inzichtelijk gemotiveerde toelichtingen van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Op knielen of hurken (beoordelingspunt 4.22) is appellante niet beperkt, zij kan knielend of hurkend met de handen de grond bereiken (een muntstuk oprapen) met een normaalwaarde van tien keer per uur. Beoordelingspunt 4.22 betreft het kortdurend (hooguit een minuut) knielen of hurken. Op geknield of gehurkt actief zijn (beoordelingspunt 5.5) is appellante wel beperkt, zij kan minder dan vijf minuten achtereen geknield of gehurkt actief zijn (deur aanrechtkastje afnemen) met de toelichting: ongeveer één tot twee minuten (per uur). Beoordelingspunt 5.5 gaat over de duur van het knielen of hurken, het werken in een statisch geknielde of gehurkte houding. In de functie assistent consultatiebureau wordt tijdens 4,5 werkuren zesmaal ongeveer één minuut achtereen gehurkt (hurken tijdens het opruimen van speelgoed en tijdens het meten van de lengte van peuters). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat er geen signaleringen zijn op de beoordelingspunten 4.22 en 5.5 en afdoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellante op deze aspecten niet wordt overschreden, omdat appellante tien keer per uur kortdurend kan knielen of hurken. De stelling van appellante dat ongeveer een minuut ook kan inhouden dat er langer dan een minuut moet worden geknield en gehurkt en dat er dan sprake is van geknield of gehurkt actief zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover de medewerker niet al zelf invloed kan uitoefenen op de duur van het knielen en hurken, wordt gewezen op de beperkte frequentie van het knielen en buigen in deze functie. Bovendien kan appellante incidenteel ook langer dan een minuut, namelijk twee keer per uur tot ongeveer twee minuten achtereen, geknield of gehurkt actief zijn. Ook is voldoende gemotiveerd dat zitten in de functie assistent consultatiebureau past binnen haar belastbaarheid (beoordelingspunten 5.1 en 5.2). Op zitten is appellante licht beperkt, zij kan ongeveer een uur achtereen zitten, en op zitten tijdens werk is appellante beperkt, zij kan zo nodig gedurende de helft van de werkdag zitten (ongeveer vier uren), met de toelichting: tot ongeveer zes uren. Als er niet dagelijks tijdens team- of instructiebijeenkomsten twee uur achtereen wordt gezeten, heeft de medewerker de mogelijkheid om even te vertreden door op te staan, waardoor er voldoende afwisseling in de lichaamshouding mogelijk is. Appellante kan minder dan vijf minuten achtereen gebogen en/of getordeerd actief zijn (schoenveters strikken), met de toelichting: ongeveer één tot twee minuten (beoordelingspunt 5.6). In de functie assistent consultatiebureau wordt zesmaal per uur getordeerd en ongeveer één minuut achtereen, waarbij opgemerkt wordt dat de laagste waarde die door de arbeidsdeskundig analist kan worden gescoord één minuut is en de handeling dus korter kan duren dan één minuut. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met de toelichting dat appellante deze beweging wel kan uitvoeren, alleen niet vijf minuten achtereen, ook op dit punt voldoende gemotiveerd dat haar belastbaarheid niet wordt overschreden.

4.6.

Voldoende gemotiveerd is ook dat de functie productiemedewerker industrie in medisch opzicht passend is voor appellante. De stelling van appellante dat nergens in de stukken staat dat vanuit de ellenbogen of onderarmen gesteund kan worden op een werkblad en dat de arbeidsdeskundig analist het zou hebben vermeld, als dit steunen zou kunnen, slaagt niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn reactie dat het een logisch gevolg is van het werken aan een tafel, dat de ellenbogen of onderarmen daarop kunnen steunen. Voor de gevraagde schouw van de situatie ter plaatse, zodat kan worden vastgesteld in hoeverre dit steunen mogelijk is, is dan ook geen aanleiding.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M.C.G. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2022.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.C.G. van Dijk